Eigen werk

April 2nd, 2017
Documentaire Gemeenschappelijk Wonen Nieuwegwein
https://www.youtube.com/watch?v=SEnkugDHLoo&feature=youtu.be

Documentaire Centraal Wonen Delft
https://www.youtube.com/embed/FfL-TEmv1Kw?rel=0&autoplay=1


 
Maart 17th, 2017

Uitzicht over weilanden



Dijkzijde

 
Oktober 29th, 2014
Een scooter om in te wonen
Als we onderscheid maken tussen onze 'instrumentele' betrokkenheid (waar de functionalteit voorop staat) en onze 'situationele' betrokkenheid (waar de beleving voorop staat) dan zien we dat beide vormen van betrokkenheid om een ander soort vormgeving vragen. 

Bij functionaliteit denken we aan instrumenten, gereedschap of machines, die op een logische manier gerangschikt zijn, een goede verlichting en korte looplijnen. Zoals in een professionele keuken of een garage. Klassieke zuilen, timpanen, kantelen  of andere elementen die associaties wekken met de historie of met exotische plekken, daar hebben we hier geen boodschap aan.          

Bij beleving kunnen we denken aan de kwaliteiten die we graag op ons in laten werken, zoals comfortabele meubelen, sfeerverlichting of een open haard. Hier wordt niets gemaakt of verricht. Associaties spelen nu wel een rol. Meubelen van hout en riet wekken associaties met de natuur, bij erfstukken denk je aan familie, en bij verzamelde objecten aan een hobby. Dat speelt allemaal mee in de beleving.   

Om functionalteit en beleving tot hun recht te laten komen zou je elk een eigen domein kunnen geven. In de architectuur komt dat niet voor maar wel bij scooterontwerpen. Hier kun je direct het onderscheid zien tussen het mechanische deel: de wielen met de vering, de motor met de uitlaat en het stuur, en het belevingsdomein: de comfortabele buddyseat en de gewelfde carrosserie met een eigen belevingswaarde en eigen associaties.


Twee scooters waar het onderscheid tussen het functionele en het belevings domein duidelijk zichtbaar is. De associaties van het belevingsgedeelte verschilt. Waar de ene scooter associaties wekt met sportschoenen, verwijst de stroomlijning van de ander naar de vijftiger jaren, toen stroomlijn nog naar de toekomst verwees...           
 
Om te laten zien waar het onderscheid tussen een instrumenteel (functioneel) domein en een situationeel (belevings) domein toe kan leiden als je het overbrengt naar de architectuur, heb ik het 'Driehoekshuis' ontworpen.
 

Driehoekshuis (Krabbendam 2013) Twee domeinen, links voor de beleving, rechts voor de functie 
 
Rechts het functionele domein. Een plantenkas (stadslandbouw) met op het dak een reservoir voor regenwater en een overdekte plek aan de straat om groente en fruit met buren te ruilen of te verkopen. Op het dak zonnepanelen.  
Links het domein van de beleving. De ‘vrienden’ van de bewoners. Een dakterras, verbonden met de privacy van de achtertuin, een drempelgebied bij de voordeur, voor contact met de buren, en een carport. Kwaliteiten die zijn ‘geladen’ met associaties. Ronde vormen verwijzen naar beslotenheid en comfort, een  oldtimer legt verband met het verleden, de kleur geel doet zonnig aan en het rood van de kozijnen verwijst naar de warmte van het interieur.
 
Het genoegen is wederzijds     
Beide domeinen zijn met elkaar verbonden door de keuken (in het midden, achter de drie struikjes). Wie werkt in de functionele plantenkas, heeft zicht op de keuken en de achterliggende woonkamer, en ‘weet waar hij het voor doet’. Omgekeerd hebben bewoners vanuit de woonkamer zicht op de keuken en de achterliggende kas, waardoor zij, aan de belevingskant, ’weten wat ze kunnen verwachten’. Zo kan de verbindende keuken de betekenis onderstrepen van zowel het functionele als het belevingsdomein.   
 
Slechts een voorbeeld
Natuurlijk zijn er andere functies mogelijk, en andere ‘vrienden’ met andere associaties. En andere architecten. Dit is slechts een voorbeeld van wat het onderscheid tussen functie en beleving kan betekenen voor een concreet ontwerp.       


Streetview

 
November 6th, 2013

Een droom
Lang geleden had ik een droom, wel niet zo groots en meeslepend als die van Martin Luther King, maar toch de moeite waard. Namelijk dat je de stukjes van de tangram puzzel ook groot en driedimensionaal zou kunnen maken. Dan had je een tafel van 7 delen die je op heel veel manieren kon samenvoegen. Op 1600 manieren, als je de bekende boeken en boekjes over deze Chinese puzzel mag geloven.      
Dan kon je rennende, vallende, vechtende of mediterende figuurtjes maken, poezen, vogels, eenden, kippen, varkens of beren, bootjes en schepen, bruggen, huisjes of een vuurtoren en kandelaars of abstracte figuren.     
        
Enkele van de 1600 Tangramfiguurtjes 

Schaalmodellen
Eerder dit jaar vond ik een oude dia van een proefmodel van piepschuim, en dat reactiveerde de betekenis van de droom. Ditmaal maakte ik wat beter gedetaillerde proefmodellen van karton en houten pootjes.      
   
   
Karton en houten pootjes

Realisatie
Nu wilde het toeval dat we een nieuwe huisgenoot kregen, Marc Rijnberg, die de gave had om schetsjes en proefmodel om te toveren in echte objecten. Het resultaat, zie hieronder.   
   
   
Met de wijzers van de klok mee: een karateka, een abstracte vorm met los blok, een poes en een driehoek met vierkant gat.                          

Nieuwe variant
Intussen hebben we nog eens naar het eerste proeftafeltje gekeken. Deze zag er wat rommelig uit, maar door de onderkant verschillende kleuren te geven verandert deze rommeligheid in vrolijkheid. En dan hebben we een variant die vrolijker is en makkelijker te maken. Voor een animatie zie you tube: www.youtube.com/watch?V=1TgpxYgNB8c     
      
  
Computertekeningen en animatie van de variant door Kamiel de Witt



En nu?
Nu vragen we ons af of er meer mensen geinteresseerd zouden zijn in een van de varianten van deze Tangramtafel, bestaande uit 7 delen en minstens 1600 varianten...   



 
Januari 17th, 2013
Huis zonder wanden
Door een toeval kwam ik in contact met Hanneke Lagerberg en Jan de Keijzer. Zij wilden een kerk die in de jaren vijftig was gebouwd, in Houwerzijl (Groningen) herbestemmen als woning. Het ging niet om een typisch kerk, het gebouw leek meer op een Noord-Holllandse stolpboerderij.
 
     

De binnenkant was een open ruimte die als schuur werd gebruikt. In de oude toegangsdeur van de kerk was een  garagedeur geplaatst.
Het dak werd ondersteund door 8 spanten van gelamineerd hout.  

 
Er was een schetsplan van een architect, en in dit plan was de grote ruimte met ingedeeld, zodat er verschillende ruimten ontstonden, wat voor een woning heel praktisch is, maar waardoor de ruimtelijkheid van het hoge dak en de sierlijkheid van de spanten verloren gingen. Ik stelde voor een indeling te ontwerpen door alleen van vloeren gebruik te maken en niet van wanden.


Zwevende vloeren
De ramen zaten, zoals bij een kerk te doen gebruikelijk, te hoog om naar buiten te kijken. Nu konden de ramen uitgebroken worden, maar dit zou een ingrijpende maatregel zijn, en het was zeer de vraag of dat de architectuur ten goede zou komen. Een andere oplossing was om een deel van de begane grondvloer omhoog te tillen, dan zou men door de bestaande ramen kunnen genieten van het uitzicht over het weidse Groningse landschap. Het opgetilde vloerdeel kon worden gebruikt als woonkamer, zonder dat er nog een wand was geplaatst. Bijkomend voordeel: onder het opgetilde vloerdeel zou een grote berging ontstaan. De rest van de begane grond zou plaats bieden aan de gevraagde galerie en geschikt zijn voor de huisconcerten die de opdrachtgevers wilden organiseren. Hiervoor zou achterin de ruimte een kleine pantry geplaatst kunnen worden. Zie de illustratie hieronder links.  
Verder werden twee slaapkamers gevraagd, een hoofdslaapkamer en een logeerkamer. Deze hing ik 'in de lucht', diagonaal tegenover elkaar. Dit werd constructief mogelijk gemaakt door de grote tegelkachel die in het midden van de ruimte zou moeten komen, op het kruispunt van twee funderingsbalken. Door de afstand tussen beide kamers zou men hier toch enige privacy kunnen hebben. Er was een toiletruimte op de verdieping, met daarachter, aan de balustrade, een open bad van waaruit men in de woonkamer beneden kon kijken. De ontstane vides zorgden ervoor dat het dak en de spanten van benedenaf zichtbaar bleven. Zie de illustratie hieronder rechts.         

    

Toch enkele wanden
Dit open plan ging de opdrachtgevers toch wat te ver. Zij zagen toch graag dat de hoofdslaapkamer werd afgesloten. Hiertoe stelde ik voor het volume van de tegelkkachel door te trekken naar boven. Het toegevoegde volume zou kunnen dienen als garderobekast.  
Ook de badkamer vonden zij te open, die zagen zij het liefst op de begane grond, naast de tegelkachel. Dit kon ik zonder problemen in het ontwerp opnemen. 
Een andere opmerking betrof de woonkamer op de verhoogde vloer. Deze vloer zou kleiner kunnen worden, en gebruikt worden als eetkamer, dan ontstond benden genoeg ruimte voor een woonkamer. Deze zou licht en uitzicht kunnen krijgen door de garagedeur door een pui te vervangen.  
Deze veranderingen leidden tot het plan dat te zien is op de illustratie hieronder. 



Het gerealiseerde plan
Door de strakke uitvoering van de aannemer komt de ruimtelijkheid van het plan goed tot haar recht. Zoals te zien is aan de onderstaande illustratie:

 

Aan de linkerkant is de tegelkachel te zien, voorzien van stucwerk, met daarbovenop de garderobekast. Hierachter bevindt zich de afgesloten hoofdslaapkamer. Ruimtelijkheid is moeilijk op foto's weer tegeven, maar desondanks zal ik hieronder nog een poging doen. Nu het zicht in de andere richting, vanaf de open logeerkamer naar beneden, waar zich de woonkamer bevindt (rechts) en de galerie (links).
  

 
De afgesloten slaapkamer is van een binnenraam voorzien waardoor men zicht heeft op de kapconstructie en op het verhoogde vloergedeelte cq de eetkamer.



Op de linker illustratie hier beneden: het verhoogde vloergedeelte, met daaronder een berging. Op de achtergrond en van de bestaande ramen die nu uitzicht boden over het landschap. De rechter illustratie laat de aansluiting zien van de ballustrade van de logeerkamer op het dakvlak. Deze ballustrade sluit aan op de knik in het dak om een scherpe hoek bij de aansluiting op het dakvlak te vermijden en om de logeerkamer wat beslotener te maken. Het nieuwe dakraam is juist onder de knik aangebracht, waardoor het daglicht meewerkt om deze beslotenheid te benadrukken.      

     

Onderstaande foto geeft een indruk van de ruimte die bedoeld is om te gebruiken als galerie en voor huisconcerten. Hier bij een huisconcert ter gelegenheid van de oplevering.



Aan het exterieur is weinig veranderd. De garagedeur is vervangen door openslaande deuren, aan de achterzijde, bij de pantry, is een deur toegevoegd, en in het dak zijn vier dakramen toegevoegd. Maar intussen is het geheel grondig onderhanden genomen. Raamomlijsingen en kozijnen zijn hersteld en geschilderd, de goot is vervangen, evenals de hemelwaterafvoeren en een groot aantal pannen en het metselwerk is waar nodig hersteld. Onderstaande foto is gemaakt tijdens de pauze van het huisconcert in 2005. Er is op dat moment nog geen begin gemaakt met de tuinaanleg.   





Herbestemming
Als gebouwen die naar het verleden verwijzen een nieuwe bestemming krijgen kun je je afvragen wat er van de verwijzing naar de oude bestemming overblijft. In hoeverre speelt deze mee in de nieuwe bestemming? Doet deze woonruimte nog denken aan de voormalige kerk? Laten we kijken naar andere gevallen: wordt een woonruimte in een voormalige school getekend door de gedachte aan een school? Of wordt een hotel in een voormalige gevangenis getekend door de gevangenis? Ik heb het idee van niet. Het lijkt erop dat oude bestemmingen gemakkelijk vervagen. Toch blijft er wel iets over, vorm en materiaalgebruik uit het verleden blijven wel 'actief', maar dan op een algemene manier. Zij verwijzen niet naar de bestemming maar naar de tijd waarin het oorspronkelijke gebouw ontworpen en gebouwd is. In dit geval naar de vijftiger jaren.
     

 
Januari 16th, 2013
Functionaliteit en beleving botsen
Begin negentiger jaren vroeg Ed Baars mij om een uitbouw te ontwerpen voor de woning die hij met Greetje Hoekzema bewoonde. Een woning in Amsterdam, ontworpen door Lucia Hartsuyker. Een interessante woning met een vide tussen de woonkeuken beneden en de woonkamer boven. Daarbij een heel orthogonaal ontwerp.
De vraag bij aan- en opbouwen is altijd of je doorgaat in dezelfde stijl of dat je daarvan afwijkt. In dit geval leek doorgaan in eenzelfde vormgevingsidioom te veel van het goede. Reden om daar van af te wijken. Het leek me interessanter om de rechthoekigheid van het ontwerp van Hartsuyker een soort vrolijke hoed op te zetten. De rechthoekigheid, van het hele rijtje, zou de functionaliteit vertegenwoordigen en de drager worden van een vrije vorm die appelleerde aan de beleving.               
In m'n eerste voorstel trok ik de rechthoekigheid van het rijtje door, met behulp van een raster van 60 x 60 cm, een schaal die ik vond passen bij de privesfeer. Dit raster liet ik botsen op de vrije vorm van de nieuwe kopgevel. Het resultaat van deze botsing liet ik zien in een opening, een poort in de kopgevel. Hier heb ik de delen van het raster die door de ronde vorm worden aangetast dichtgezet, waardoor zij de botsing accentueren. De andere zijkant van de poort heb ik recht gelaten, aan deze kant past de poort zich aan aan het raster. Een botsing en verbinding van functionaliteit en beleving. Een thema waar ik twee decennia later op zou promoveren. (zie de betreffende post onder het hoofstuk 'architectuur').
Ed was tevreden, Greetje ook, Lucia Hartsuyker was enthousiast, maar de welstand vond het plan te sculpturaal.     





Geen wiebel
Hierop zette ik me aan het ontwerpen van een minder sculpturaal plan. Een eenvoudiger vorm. De poort was verdwenen, daar was een rond raam voor in de plaats gekomen. De botsing had ik verplaatst naar een minder opvallende plaats, ik had een halfrond tuinmuurtje toegevoegd, waar het raster van de terrasbestrating op stuk liep. 




Nu was het Ed die niet tevreden was. Hij miste de golfbeweging, hij wilde echt een 'wiebel' zoals hij het noemde. Reden om verder te gaan met ontwerpen. Een wiebel dus, maar minder sculpturaal. 




De hierboven getoonde maquette heb ik enige tijd op een zichtbare plaats gezet, met het aanzicht van de rode gevel er achter aan de muur. Daardoor heb ik af en toe nog iets aan de vorm veranderd. Zo maakte ik de achterzijde iets korter en steiler en de golf wat dieper. Kennelijk moet zo'n vrije vorm nog even doorsudderen op een laag pitje.    
Ditmaal kon het ontwerp genade vinden, in de ogen van Ed en Greetje, van Lucia Hartsuyker en van de welstand.
In de bezuinigingsronde veranderde er nog wel iets aan de voorgevel, hier verdween de beplating die het raster liet zien, maar ondanks dat kon deze gevel nog doorgaan voor een verlenging van de rechthoekigheid, cq de functionaliteit, van het rijtje. Ook het rode pleisterwerk verdween uit het plan. Het werden rode bakstenen met rood gekleurde voegen.   










Voor het ronde raam werd een dakkoepel gebruikt, wat de zwierigheid van de kopgevel onderstreepte. Het dak liep schuin omhoog en was het hoogst waar de uitbouw het smalst was, wat de binnenruimte interessant maakte: de voorkant had een lage, rechthoekige gevel, opgebouwd uit twee vierkanten met vierkante ramen, de achtergevel was hoog en had de vorm van een groot vierkant.  


Prisma's op het dak
Een aantal buren van hetzelfde rijtje wilde een uitbreiding naar boven en vroegen mij of ik iets wilde ontwerpen. Nu vond ik losstaande dakopbouwen met een schuin dak en een nok evenwijdig aan de gevel er altijd wat vreemd bijstaan, met de grote blinde kopgevels.
Zeker als er een paar bij elkaar stonden, met grote gaten ertussen. Dat levert een onaf geheel op. (Wanneer gaan ze die gaten opvullen?) Daar kwam bij dat de zeven buren die een opbouw wilden allemaal andere eisen hadden. Het rijtje was al druk, wat de vorm betreft, en dat zou dan nog eens versterkt worden, niet alleen door de losse daken met gaten ertussen, maar ook door de verschillen: dakramen,dakkapellen en dakterrassen met schuifpui.

Bij een dak met de nok loodrecht op de gevel kon je ontkomen aan die blinde kopgevels en de gaten ertussen. maar zo'n dak was dan weer te laag, en bevatte te weinig ruimte.
De oplossing vond ik door prisma's op het dak te zetten met een rechte en een schuine kant. Die konden zelfstandig staan, of rug aan rug een groot dak vormen. Deze waren ruimer en er kon zelfs een (bescheiden) entresol in worden gemaakt. om op te slapen.




De dakramen, dakkapellen, schuifpuien en terrassen kon ik nu in het schuine dakvlak plaatsen, waardoor ze uit het zicht bleven. Aan de straat en de tuinkant zouden alleen de driehoeken zichtbaar zijn, die ik wat terug legde, zodat er geen concurrentie optrad met de voor- en achtergevel, waar al genoeg gebeurde.    
Het plan werd aanvaard door de bewoners en het was geen probleem voor de welstand. 



En zo is het rijtje van Lucia Hartsuyker voorzien van zes prisma's, waarvan er twee los staan, terwijl de andere, twee aan twee, twee grotere prisma's vormen.    







 
Januari 16th, 2013
Eerste schetsontwerp
In het begin van de negentiger jaren heb ik gewerkt aan het ontwerp voor Centraal Wonen Dinslo in Zeist. Ik zal het ontwerpproces alleen in hoofdlijnen beschrijven. 
De Centraal Wonengroep in Zeist had een project op het oog van ca 20 zelfstandige woningen, met projectvoorzieningen, betaande uit een ontmoetingsruimte, een wasmachineruimte, een hobbyruimte en een gemeenschappelijke tuin. Een goede gelegenheid om m'n ontwerpmethode 'veld en Volume' in te zetten. (Zie een eerdere post hieronder)
De locatie was in eerste instantie een smalle strook, tussen de Korte Bergweg en een bosrand. Op de illustrates hieronder loopt de Korte Bergweg langs de onderzijde en de bosrand aan de bovenzijde.     
Het systematiek van 'Veld en Volume' leidde tot een eerste basisstysteem, te zien op de linker illustratie hieronder. De witte blokjes zijn voor de woningen, de groene strook staat voor de gemeenschappelijke tuin en de groene blokjes representeren de projectvoorzieningen. Aan de straatzijde de ontmoetingsruimte, in het midden de wasserette en achterin de hobbyruimte.
Deze basisstructuur was echter te diep en te smal voor de locatie.
Dankzij de plooibaarheid van deze structuur kon ik verschillende varianten voorstellen aan de bewonersgroep. Zij kozen voor de variant die te zien is op de rechter illustratie. De woningrijtjes en de groene strook zijn hier een kwartslag zijn gedraaid. Door de verschuiving van de rijtjes is aan de straatkant een pleintje ontstaan en aan de andere kant een gemeenschappelijke tuin. Plein en tuin waren beide bereikbaar voor alle woningen, maar er waren nu twee orientaties: er waren woningen die georienteerd waren op de gemeenschappelijke tuin en woningen die uitkeken op het pleintje.     


    


Nadat deze opzet was goedgekeurd door de bewoners en door de opdrachtgever kon ik een eerste schetsontwerp maken. Om op eenvoudige wijze te kunnen varieren met het aantal kamers paste ik een lessenaardak toe, dat al of niet was voorzien van grote dakkapellen. De makette van dit schetsontwerp is op de illustraties hieronder te zien. Links de tuinkant, begrensd door de bosrand, rechts het pleintje aan de Korte Bergweg. 


           


Tweede schetsontwerp
Nadat we goedkeuring hadden verkregen van de welstand, werd de locatie gewijzigd. Deze verschoof naar een wat breder deel van de strook langs de Korte Bergweg. Het eerste schetsplan was hier niet meer bruikbaar. Tijd dus voor een nieuw schetsontwerp.
In overleg met de bewonersgroep paste ik de oorspronkelijke, diepe, basisstructuur aan, zodanig dat er opnieuw een pleintje ontstond aan de Korte Bergweg. Dit was mogelijk door het voorste groene blokje, voor de ontmoetingsruimte, naar achteren te schuiven, tot tegen het middelste blokje voor de wasserette. Intussen was de wens ontstaan om het aantal woningen op te voeren. Hiertoe voegde ik drie woningen toe, bovenop de ontmoetingsruimte en wasserette. Zie de linker illustratie hieronder. Om het aantal nog verder op te voeren kon ik nog een drietal woningen toevoegen op de plaats van het achterste groene blokje, de hobbyruimte, die nu ook naar het midden verhuisde.
Omwille van de bezonning van de tuinen stelde de bewonersgroep voor de woningen aan de rechterkant om te draaien. Daardoor kwamen de tuinen van deze woningen aan het binnengebied te liggen, zodat het voortuinen werden.
Door de rijtjes iets te verdraaien ontstond er wat meer ruimte voor de algemene voorzieningen en voor een vierde woning daar bovenop. Van deze nieuwe opzet maakte ik een schetsmaquette. Zie de rechter illustratie.         


     


In de halfronde uitbouw is de ontmoetingsruimte gesitueerd, dit om geluidsoverlast bij de bovengelegen woningen te vermijden. Deze ontmoetingsruimte is nu zo gesitueerd dat er contact is met het pleintje aan de voorkant en met de gemeenschappelijke tuin aan de achterkant. De asymmetrische nok vindt haar oorsprong in een poging de kosten laag te houden. Op deze manier kon de buitenschil van de woningen zo veel mogelijk uit dakpannen bestaan.   


 
 
Twee berken
Op het pleintje staan twee berken die zijn gered. In de te bebouwen strook moesten namelijk talloze bomen worden gekapt, maar vantevoren was uitgemeten dat twee van deze bomen op het pleintje terecht zouden komen. Dit was doorgegeven aan het bedrijf dat zou gaan kappen, maar toen de kap was begonnen was het dankzij een (mij onbekende) oplettende bewoner te danken dat de twee berken behouden bleven. Zie onderstaande illustratie.  

 


Raster
In dit ontwerp heb ik geprobeerd de mate van beslotenheid cq openbaarheid te onderstrepen door in de gevel verschillende rastermaten toe te passen. Ramen van privevertrekken zijn ontworpen op een raster van 60 x 60 cm, ramen en deuren van woonkamers op een raster van 90 x 90 cm en ramen en deuren van de algemene voorzieningen op een raster van 120 x 120 cm.  Iets dat te zien is op de bovenstaande illustratie en op de linker illustratie hieronder. Door de geldende voorschriften lukte dit niet helemaal: 60 cm werd 65 cm en 90 cm werd 85 cm (als ik me niet vergis), maar het effect is toch zichtbaar. Hoe meer prive hoe kleinschaliger de kozijnen en omgekeerd. 

Drempelgebieden
In dit plan zijn er drempelgebieden op twee niveaus: ten eerste het pleintje tussen het project en de buurt. Hier kan men in de zomer buiten zitten en in contact komen met buurtgenoten. In eerste instantie misschien kinderen die op het pleintje komen spelen. 
De voortuinen van het rijtje woningen aan de rechterkant vormen ook drempelgebieden, deze zien er wat formeel uit, maar zij kunnen werken als een soort veranda vanwaar men zittend op een bankje een praatje kan maken met voorbijkomende medebewoners. Deze voortuinen en de bakjes zijn te zien op de linker illustratie. Op de rechter illustratie zijn achtertuinen te zien, aan de buitenkant van het project, minder formeel, maar ook geen drempelgebied.
Het zou interessant zijn om te onderzoeken welke rol de beide drempelgebieden spelen in de sociale interactie tussen bewoners onderling en tussen bewoners en de buurt.    
   

     





 
Januari 16th, 2013
Nieuwe toepassing methode 'Veld en Volume'  
'Veld en Volume' is een ontwerpmethode. Wat hieronder verstaan wordt heb ik op een eerdere post, hieronder, uiteengezet. Deze methode heb ik gebruikt bij een complexe ontwerpopgave. Een prijsvraag die was uitgeschreven door de gemeente Tokyo. Het ging om een ontwerp voor een 'International Forum' dat bedoeld was voor culturele uitwisseling tussen volkeren van over de hele wereld. Het zou een soort plein moeten worden waar inwoners van Tokyo kennis konden maken met culturen van over de hele wereld.
Om de verschillende functies die een plaats te geven ben ik begonnen om ze in een hierarchie onder te brengen. Wat zijn algemene voorzieningen, wat zijn deelvoorzieningen, en uit welke onderdelen zijn deze opgebouwd. Nadat ik een hierarchie had gevormd kon ik de 'Veld en Volume' methode gebruiken omdat deze ook uitgaat van een hirarchie. De basisstructuur die hieruit volgde zag er als volgt uit. (zie illustratie)

 
  


Boulevard, Fuji en maan
Bij het uitwerken van deze (plooibare) basisstructuur moets ik rekening houden met een balngrijke randvoorwaarde: de ronde kant van de situatie werd begrensd door een autoweg. Hier konden geen toegangen worden gemaakt. Deze zouden een plaats moeten vinden aan de rechthoekige kant van de situatie.  
Daarbij had ik het programma geinterpreteerd: naast de grote ontvangsthal wilde ik een boulevard waarop men kon flaneren. Flaneren betekent immers heen en weer lopen, nog niet meteen beslissen en langzamerhand een plan maken om ergens naar binnen te gaan. Dit om het kennismaken met andere culturen te vergemakkelijken. Daarnaast wilde ik, om de cultuur van gastland Japan te benadrukken, een afbeelding van de Fuji maken en iets doen met de maan, twee elementen die in de cultuur van Japan een belangrijke rol spelen. 


 


In het eerste ruimtelijke model vertegenwoordigen de groene blokjes de boulevard. Het hoogste punt zou de top van de fuji worden en het dakvlak tussen de top en de boulevard zou eruit moeten zien als gras, eventueel met eeuwige sneeuw. Boven deze top wilde ik de maan plaatsen.
Deze zou men kunnen bereiken met een klein maanvoertuigje, dat over een geleiderail van de boulevard naar de maan voerde. Deze maan zou een sterrehemel en een zwembad bevatten, met een glazen bodem, zodat men, gewichtsloos, in de ruimte boven Tokyo zou kunnen zweven. Het oppervlak van de maan zou een geel licht uitstralen, met facetlampjes die verschillend konden stralen in verschillende richtingen. Dit zou het mogelijk maken een halve maan te laten zien, ongeacht de richting van waaruit men naar de maan keek. In het uiteindelijk ontwerp zag dit er als volgt uit: (Met excuses voor de slechte foto: een gescande dia)



.  

Waterval en Piranesi coffieshop
Van de Fuji zou een waterstroom naar beneden moeten komen en het water zou zich verzamelen in een stroom die de Fuji van de boulevard scheidde. Van daaruit zou het water als een waterval door de centrale hal naar beneden storten. Zie de plattegrond hieronder, vlak bij het punt waar de doorsnedelijnen elkaar kruisen. 





Dan zou de waterval verdwijnen in het grote vide in de onderaardse parkeergarage, om ten slotte neer te klateren in een bassin op de bodem van de parkeergarage. Rond dit bassin, dat er uit zou moeten zien als een onderaards meertje, bevonden zich de terrassen van de 'Piranesi coffeeshop'. Het grote vide en de coffeeshop waren pogingen om ook de parkeergarage bij het ontwerp te betrekken.



 
Citaten
Ten slotte nog een beeld van de voor- en van de achterzijde van het Forum. Aan de voorzijde, heb ik het constructivisme, het modernisme en high-tech architectuur geciteerd bij wijze van statement: om deze functionalistische architectuurvormen op een lijn te stellen met de klassieke architectuur die in die tijd ook hevig werd geciteerd.   


 


Onevenwichtigheid en snelheid
Aan de ronde, blinde kant van het Forum bevinden zich de nooduitgangen. Functionele elementen, maar om de betekenis te onderstrepen, de sfeer waarin ze gebruikt zouden worden, een noodsituatie, heb ik een vormgeving toegepast die zich laat associeren met gevaar, met onevenwichtigheid en snelheid. (Nog steeds met excuses voor de slechte foto.)  




Prijs of oefening
Dit ontwerp leverde me geen prijs op, wel een publicatie in de verzamelband waarin alle inzendingen werden afgebeeld en beoordeeld.
Intussen was het een goede oefening in het ontwerpen van een complexe opgave, waarbij de 'Veld en Volume' methode een nieuwe toepassing vond. Daarbij was het ook een oefening in het vormgeven van kwaliteiten ten behoeve van de beleving, zonder voor de zoveelste keer in de geschiedenis van de architectuur te vervallen tot citaten van klassieke voorbeelden.  

   
Januari 16th, 2013
Een structuur die dwingt en wringt
In het begin dan de tachtiger jaren maakten Lex Veldhoen en ik een reis door de Verenigde Staten en Canada, op zoek naar woongemeenschappen. Interessante voorbeelden wilden we gebruiken voor een tentoonstelling die we samen met de Stichting Wonen in Amsterdam zouden maken. Een tentoonstelling die de naam 'niet alleen wonen' zou krijgen.
Voor ons onderzoek bezochten we natuurlijk ook San Francisco, de etalage van alles dat alternatief was. De amerikanen waar we te gast waren wilden ons graag meer laten zien, en zo kwamen we terecht op de Lombard Street. Een straat met vele haarspeldbochten.   
Om te begrijpen wat hier aan de hand was moet je weten dat San Francisco, naar Amerikaans model, een stedenbouwkundig plan heeft dat is gebaseerd op een rechthoekig grid. Als je dit toepast in een stad die op heuvels is gebouwd, dan is de consequentie hiervan dat sommige straten steil omhoog/omlaag lopen. Dat betekent in deze tijd, voor automobilisten, dat het soms lastig is om bij het naderen van een kruispunt over de motorkap heen te kijken of het kruispunt vrij is, maar deze consequentie heeft men aanvaard.  
Een andere consequentie is dat straten soms erg steil zijn, wat veel vraagt van de motor en de remmen, terwijl je bij het parkeren niet meer op de handrem kunt vertrouwen. Nu was er een straat die werkelijk te steil werd: de Lombard Street.      


            

Een probleem dat men alleen kon oplossen door het toepassen van vele haarspeldbochten. Een verbazingwekkende manier van ontwerpen. Eerst een dwingende structuur opleggen aan het landschap, de problemen die daardoor ontstaan op de koop toenemen en alleen als het echt te veel gaat wringen, een incidentele noodoplossing inlassen.       

Een structuur die swingt en zingt
Wat mij betreft was dit toch een inspirerende aanpak. Het zou het uitgangspunt van een ontwerpmethode kunnen zijn. Begin met een simpele structuur. Zorg daarbij dat het plooibaar is, zodat het aanleiding kan geven tot  een verdere ontwikkeling. Waarbij noodoplossing plaats kunnen maken voor interessante ontwerpopgaven die vragen om creatieve oplossingen. Wat ik zocht was een structuur die kon swingen en zingen.

  Veld en volume
Omdat ik bezig was met de ruimtelijke structuur van woongemeenschappen zocht ik een structuur om snel een ruimtelijke basisstructuur te kunnen bouwen, op grond van een paar begineisen. Deze basisstructuur zou je dan vervolgens kunnen confronteren met allerlei nadere eisen, die zouden leiden tot evenzovele noodoplossingen. Ziedaar een inspirerend uitgangspunt voor de ontwikkeling van het ontwerp.   Het idee om de ruimtelijke basisstructuur te kunnen bouwen baseerde ik op een boomstructuur. Dit was in overeenstemming met het idee van opeenvolgende sociale niveaus dat voor woongemeenschappen van belang was: een opeenvolging van privevertrek, woonkamer, groepsruimte (cluster of portiek), de hof (of cul de sac) en projectruimte (of straat). 
De opeenvolgende niveaus maakte ik zichtbaar met vlakken of velden van verschillende kleuren. De invulling  van deze door velden gevormde boomstructuur maakte ik zichtbaar door middel van volumes die dezelfde kleur hadden als het veld waar ze op geplaatst werden. 
Zou deze structuur nu ook kunnen swingen en zingen? De ontmoetingspunten van de verschillende velden was flexibel, zodat de ruimtelijke basisstructuur naar alle kanten plooibaar was. Of dat ook swingen zou worden, dat zou afhangen van de architect. En wat het zingen betreft, ook dat zou dat zou afhangen van de uitwerking. Er was speelruimte genoeg, maar een creatieve oplossing, ook dat bleef afhankelijk van de architect.     


Variaties
Met deze aanpak kon je eindeloos varieren: de velden maakten het mogelijk te varieren met het aantal blaadjes per twijg, twijgjes per tak en takken per stam. Hierbij kon je ook beslissen welke velden, of sociale niveaus, naast elkaar of boven elkaar zouden moeten liggen. De volumes maakte vervolgens het mogelijk te varieren met de voorzieningen en daarmee het ruimtegebruik per niveau.
Zo kon ik op eenvoudige wijze talloze basisstructuren produceren. Als je een groep wilde ontwerpen, met drie niveaus: privevertrek, woonkamer en groepsruimte, dan waren er al 56 verschillende mogelijkheden. Zie de illustratie hieronder.


  

  
Typologieenmachine
Door te experimenteren met verschillende basisstructuren bleek dat er zowel bekende als nieuwe typologieen konden ontstaan. Zo was de 'veld en volume' methode een soort typologieenmachine. Een welkom middel bij het ontwerpen van woongemeenschappen, een gebied waar nauwlijks voorbeelden voorhanden zijn. En als er voorbeelden zijn, dan zijn het vaak aangepaste versies van bestaande typologieen.

   
 
Rechts op de voorgrond een voorbeeld van een bestaande typologie: Galerijwoningen, met woonkamer en privevertrekken op dezelfde verdiepingen (flats), op de kop een gemeenschappelijke lifthal (wat schaalniveau betreft overeenkomend met een groepsruimte), op de begane grond een lifthal en een gemeenschappelijk groengebied (wat schaal betreft overeenkomend met een hof).
De hoge toren achter is een voorbeeld van een nieuwe typologie: vier maisonnettes aan weerszijde van gemeenschappelijke (gele) groepsruimten, telkens drie verdiepingen (drie groepen of twaalf maisonnettes) die beschikken over een gemeenschappelijke verdieping, met (groene) hofvoorzieningen, en voor de hele toren een (rood) gebied op de begane grond, de projectvoorzieningen, met binnen en buitenruimte, voor de vijf hoven.


Selectie van alternatieven
Deze manier om een ruimtelijke basisstructuur te maken werkt eenvoudig en zo kun je snel een aantal varianten maken. Op de illustratie hierboven is de voorste, de lage, toren ontstaan uit de achterste door de eis te laten vallen dat privevertrekken, slaapruimten, zich boven de woonkamer zouden moeten bevinden. Door van maisommettes over te gaan op flats. Variaties kunnen ontstaan door begineisen te veranderen. Dit geldt niet alleen voor de vraag wat boven wat moet liggen, zoals in het voorbeeld hierboven, dit geldt ook voor aantallen: maken we grote of kleine groepen. Tevens kan overwogen worden bepaalde niveaus weg te laten. Bijvoorbeeld het niveau van de groepsruimte cq het portiek, of het niveau van de hof cq fde cul de sac. Doordat je snel kan zien waar het heen gaat als je bepaalde eisen stelt kun je ook snel terugkoppelen en eisen aanpassen. Want dat is een probleem met elk ontwerp: je stelt eisen zonder te weten waar ze, samen, toe zullen leiden.   
       

Juinen
Om te zien hoe er met deze ontwerpmethode kon worden gewerkt heb ik een proef opgezet. De opgave was om een woongemeenschap vorm te geven in een fictieve locatie, een leeg gekomen broodfabriek in een buurtje in Juinen.   
Hiervoor heb ik in eerste instantie gevarieerd met de begineisen, waardoor er vier alternatieve basisstructuren ontstonden. Op de illustratie hieronder: links, achter en boven. Op deze structuren heb ik fictieve bewoners laten reageren. Ik verwachtte een keuze, maar het resultaat was dat alle vier de alternatieven hun eigen kwaliteiten hadden. Waardoor de opgave veranderde: in plaats van een alternatief uit te werken moest ik nu een vijfde basisstructuur ontwerpen waarin de voordelen van de andere vier gecombineerd zouden worden. Deze is te zien rechts vooraan op de onderstaande illustratie. 

 

Deze structuur kon ik vervolgens uitwerken tot het hieronder rechts afgebeelde schetsontwerp, geplaatst in de fictieve situatie, hieronder links: de broodfabriek in Juinen.     

 


 
Swingen en zingen
Het zou te ver voeren om het ontwerp in het kader van deze blog verder te bespreken, ik wil me beperken tot m'n conclusie, namelijk dat ik over een inspirerende 'ontwerptool' beschikte. Dit zou ook uit latere experimenten en toepassingen blijken. Het was en is nog steeds een avontuur om ermee te werken, wat verrassend is omdat de 'productie'  van basisstructuren op een eenvoudig idee is gebaseerd: het bouwen van een boomstructuur. Maar hoe eenvoudig dit idee ook is, het genereert steeds typologieen, nieuwe en bekende, die swingen en die bij nadere uitwerking mogelijk ook tot zingen te bewegen zijn.  


     
Januari 16th, 2013
Jongerenhuisvesting met gemeenschappelijke voorzieningen
In 1980 werd door de gemeente Rotterdam een prijsvraag uitgeschreven voor een project voor jongerenhuisvesting met gemeenschappelijke voorzieningen op een locatie aan het kruisplein.
Een groot project met gemeenschappelijke voorzieningen, te realiseren in de sociale woningbouw, dit was een idee dat in de zeventiger jaren op verschillende plaatsen door Centraal Wonen was nagestreefd. Nu kwam er een vergelijkbaar idee 'van boven', van de gemeente. Erkenning, maar vanuit Centraal Wonen gezien ook een gevaar, want wat bleef er zo over van de participatie van toekomstige bewoners. Een andere bedenking vanuit het perspectief van Centraal Wonen: een groep die alleen uit jongeren bestond, dat  was te veel een monocultuur. Maar evengoed was dit een doorbraak: ideeen over gemeenschappelijkheid in het wonen waren opgenomen in het beleid! Arie van Wijngaarden, een voormalige studiegenoot, stelde voor samen aan deze prijsvraag deel te nemen.



          
Motto: Voorheen Frietplace
Het project zou moeten komen op de hoek van de Singel en het Kruisplein. Op de plaats waar een frietkraam stond genaamd 'Frietplace', wat ons tot het motto 'voorheen frietplace' deed besluiten.   

Het programma 
Er werd gevraagd om de volgende algemene voorzieningen: een goedkoop restaurant, een postkantoortje en winkels. Strikt voor de bewoners werd gevraagd om een ruimte om te sleutelen, een fietsenstalling, bergingen, ruimten voor centrale verwarming en voor huisvuil.

In de directe woonsfeer zouden verschillende vormen van gemeenschappelijkheid mogelijk moeten zijn.
-Woning type X zou geschikt moeten zijn voor alleenstaanden die geheel alleen wilden wonen.   
-Woningtype Y was bedoeld voor bewoners die bewoners die alleen een keuken en het sanitair wilden delen
-In woningtype Z zouden de bewoners ook gebruik willen maken van een gemeenschappelijke woonkamer.
Types Y en Z moesten varianten worden ontworpen voor 2, 3, 4 en 5 personen.

Moeilijkheidsgraad
Dit zou allemaal wel te ontwerpen zijn, maar er was een moeilijkheidsgraad ingebouwd die een echte uitdaging genoemd kon worden: er werd gevraagd om een eenvoudige draagstructuur en alle woningtypes moesten op eenvoudige wijze in elkaar te veranderen zijn!   

Oplossing
Om te beginnen hebben we gekozen voor horizontale groepen. Deze zouden beter dan verticale groepen kunnen worden uitgebreid, omdat bij een verticale groep voor samenvoegen een extra trap nodig is, terwijl bij uitbreiding van een horizontale groep een doorbrtaak in een scheidingswand volstaat. 
De gemeenschappelijke voorzieningen vonden hun plaats in een zone aan de kant van de ontsluiting, zodat je er, thuiskomend of uitgaand, langs zou komen. Wat een spontane keuze mogelijk maakt om al of niet aan een groepsactiviteit deel te nemen.
Deze zone zou smal of breed moeten kunnen zijn, al naar gelang type Y of Z verlangd werd. De binnengang zou met het breder worden van de zone, en het kleiner worden van de privevertrekken, moeten kunnen opschuiven. Daarom moesten de doorbraakmogelijkheden, de fontanellen, in de bouwmuren breed zijn. Zo was een eenvoudige draagstructuur ontstaan waar alle gevraagde typen een plaats konden vinden en waar veranderingen steeds mogeljk zouden blijven. Op de onderstaande illustratie zijn de drie types X, Y en Z te onderscheiden. Na enig bestuderen zijn ook de brede fontanellen te onderscheiden, bijvoorbeeld in het midden van het diagonale deel van het blok, tussen de twee types Y 4 en op de ronde hoek bij type Y 3.    



Ook het lange blok is een uitvloeisel van de gevraagde flexibiliteit: bij een lang blok kan namelijk het meeste gevarieerd worden met de groepsgrootte. Op de tekening hieronder is een meer gedetaillerde uitwerking van de verschillende types Y en Z te zien.  









De begane grond was bestemd voor de algemene voorzieningen: de fietsenberging, ruimte om te sleutelen en technische ruimten. Verder het goedkope restaurant, een winkel en een overdekte galerij die kon dienen als informele ontmoetingsplaats. Aan de achterzijde de bevoorrading van winkel en horeca en de gevraagde parkeerplaatsen. 


 

Solid avant la lettre  
Voor het uitelijk konden we ons niet baseren op bewonerswensen, terwijl de gegeven groepsindeling flexibel was, dus ook hier konden we geen aanknopingspunten vinden voor variatie in de gevel. Het is daarom dat het geheel een beetje lijkt op wat we tegenwoordig een 'solid' noemen. (Waarmee meteen een zwak punt van de solid is blootgelegd.) Dit alles resulteerde in een uiterlijk dat misschien wat weinig plasticiteit vertoont.  




Eervolle vermelding
Er werden 196 plannen ingezonden. Hiervan kregen er 5 een prijs. Daarnaast waren er 6 eervolle vermeldingen, waaronder ons plan.
De jury was niet zo erg gecharmeerd van de architectuur, maar de veranderbaarheid en de opzet van de woningen beoordeelde zij als 'bijzonder goed'.  





 

 
Januari 16th, 2013
Voor een documentaire over het project, zie het einde van deze post.
Bouwen aan een groot project
Terwijl het Centraal Wonen project in Delft in aanbouw was kreeg ik de opdracht om het ontwerp te maken voor een grote woongemeenschap in Nieuwegein. De naam was 'Gemeenschappelijk Wonen' en het ging om een project van ca 225 bewoners, in Nederland het grootste project. Met Centraal Wonen Delft in gedachten ben ik ook hier begonnen om met de toekomstige bewoners een bouwspel te spelen.  




Het doel was niet om bewoners een ontwerp te laten maken, het idee was dat bewoners door met het ontwerpen bezig te zijn nadachten over hun woonwensen. Uit de plannen die zij maakten en uit hun toelichtingen kon ik dan opmaken of zij het project wilden onderverdelen, wat voor algemene ruimten zij wensten en waar zij die dachten te plaatsen, en wat zij met de auto wilden doen: voor de deur parkeren of aan de buitenkant van het project.

           
  

Een nieuwe opzet
Er werden 5 plannen gemaakt en daaruit viel af te leiden dat men overal het plan wilde onderverdelen. Over de plaatsing van de algemene ruimten was men verdeeld, maar wat parkeren betreft waren zij duidelijk: aan de randen van het project.
Uit deze vijf schetsplannen heb ik vervolgens een voorstel gedaan waarin men zich zou kunnen vinden. Dat betekende, niet alleen de bewoners, of de opdrachtgever, woningbouwvereniging 'Jutphaas', maar niet in de laatste plaats de gemeentelijke dienst 'Stedebouw'. Ik had het bestemmingsplan namelijk heel vrij geinterpreteerd. Dit bestemmingsplan zag er als volgt uit: 

 


Het project voor 'Gemeenschappelijk Wonen'  zou in het kwadrant rechts boven moeten komen. In mijn voorstel was ik uitgekomen op andere bouwvolumes. Verder had ik het plein veranderd. In het bestemmingsplan was dit naar alle kanten open, en ik had het aan een kant dichtgezet, om het plein beschutting en ook een richting te geven. Nu was men aan een kant 'in de rug gedekt' terwijl men aan de andere kant uitzicht had op een groenstrook en op de kant vanwaar de buurt ontsloten werd, links op de tekening. Het voorstel, in het kwadrant rechts boven, zag er als volgt uit:
 
 
    

Er waren drie binnengebieden ontstaan, drie zogenaamde 'hoven', die de verbindende schakel vormen tussen de groepen. In de rugdekking van het plein zijn de projectvoorzieningen ondergebracht: een cafe, een kinderopvangruimte en een winkeltje. Achter de projectvoorzieningen bevindt zich een open plek, een groene speelweide, bij wijze van achtertuin van de projectvoorzieningen. De parkeerplaatsen bevinden zich op een parkeerterreintje onder de bomen en aan de randen van het project. 
De gemeente ging accoord, de opdrachtgever en de bewoners ook.  

Traveemaat
Er waren heel wat toekomstige bewoners en de woningbouwvereniging had een bewonersbegeleider ingehuurd, Co Doesburg, voor het groepsproces. De eerste keuze die gemaakt moest worden was de keuze van de traveebreedte. 4,50, 5,40 of 6.60 meter. Deze verschillende breedten boden namelijk verschillende mogelijkheden. Om de keuze te vergemakkelijken had ik een reeks schetsen gemaakt, maar een toekomstige bewoner had op eigen initiatief iets illustratiefs gedaan, hij had een model gemaakt, schaal 1 a 50, van de drie traveebreedten die we wilden overwegen. Door dat model werd heel duidelijk wat de verschillen waren. De grootste maat was favoriet, en dit zou verstrekkende gevolgen hebben. 





Ontwerpen voor de groepen
Toen er eenmaal groepen gevormd waren, konden we beginnen aan de groepsbehuizing. Er volgde weer een aantal bijeenkomsten waarbij bewoners zich met het ontwerp, nu van hun eigen groep, konden bezighouden. Weer met het doel woonwensen te genereren.
Voor deze ontwerpsessies had ik woonattributen getekend, schaal 1 a 20, tafels, stoelen, bedden, badcellen, keukens enz. Door deze te combineren konden de groepen een idee krijgen van wat ze konden verlangen. De ingeleverde plannen, compleet met toelichting kon ikgebruiken om het ontwerp voor de betreffende groep te maken. Naast het plan kon de groep ook een toegelichting inleveren en men kon aangeven wat de bedoeling was, maar wat er niet helemaal uit gekomen was.  


     

Dagboeken
Behalve ontwerpschetsen en toelichtingen had ik ook gevraagd om gefingeerde dagboeken te schrijven. Hoe stelde men zich het wonen voor, in het week-end en op een doordeweekse dag. Hoe zou het toekomstige leven er uit moeten zien. Met de plannen van de groepen, de toelichtingen en de dagboeken in de hand ging ik aan de slag om voor alle groepen een passende behuizing te ontwerpen.    




Zo maakte ik voor de 18 gevormde groepen een ontwerp, in een aantal sessies. Maar hiermee waren we er nog niet. In het gropesproces werd van beneden naar boven gewerkt, dat weil zeggen dat de hoven werden gevormd na de groepen. Ik moest dus alle groepsontwerpen inpassen en samenvoegen in de door de groepen uitgekozen hoven. Dit leidde niet altijd tot de mooiste oplossingen. Zo ontstond er een groep met een begand grond en een eerste verdieping over de breedte van een travee, terwijl de tweede verdieping zich in de breedte uitstrekte over, ik geloof, vier traveeen. Deze groep noemde zich danook 'palm'.

Bruynzeel binnenwandenpakket
Toen Ferdinant martens van de woningbouwvereniging alle plannen zag, de variatie, stelde hij voor het Bruynzeel binnenwandenpakket toe te passen. Zo kwamen we in het vaarwater van de SAR, die pleitte voor 'modulaire coordinatie', standarisering van bouw- en woonelementen om variatie mogelijk te maken. Dit betekende dat alle plattegronden opnieuw moesten worden getekend, maar nu op een raster dat toepassing van deze wanden toeliet. 
En zo werd dit project niet alleen een experiment op het gebied van het wonen, maar ook op het gebied van de modulaire coordinatie, naast projecten als Plan Molenvliet in Papendrecht van Frans van der Werf. 

Variatie en ontsluiting
Het grote aantal indelingen is een groot verschil met het project van Centraal Wonen Delft. In Delft kon en kan de variatie aan woonruimte ontstaan door de vele mogelijke kamercombinaties die men kan bewonen, in Nieuwegein ontstond een variatie die werd vastgelegd, maar dan wel in een flexibel systeem... 
Een ander verschil met het project in Delft is het feit dat de onderlinge verbinding van de groepsruimten. Hierdoor zijn deze, per kluster, bereikbaar vanuit alle woonruimten, zodat men gemakkelijk in een andere groepsruimte kan komen, terwijl men ook zonder te verhuizen van groep kan veranderen. In Nieuwegein ontbreekt een corridor. Hier kan men alleen buitenom bij een andere groep komen, hetzij via de 'hof', door de tuindeuren, hetzij via de voordeur.
De corridor die in Delft de groepen met elkaar verbindt is ook de ontsluiting. In Nieuwegein, waar een dergelijke corridor ontbreekt, is de ontsluiting anders geregeld. De groepen zijn verbonden met de 'hoven', vanwaaruit de projectvoorzieningen en de buitenwereld kunnen worden bereikt. Men hoeft deze boomstructuur echter niet te volgen, de groepen zijn namelijk ook direct, zonder tussenkomst van de 'hoven', met de projectruimte en de buitenwereld verbonden doordat elke groep een voordeur heeft die uitkomt op openbaar gebied, de diagonale wandelroute of de eveneens wegen cq voetpaden aan de buitenkant van het project.
        
Om een idee te geven van het totale project hieronder een axonometrie. De diagonale looproute werkt als een soort satehprikker die het project aan de ene kant met de buurt verbindt, en aan de andere kant, via een poort, met het centrale plein van de vier kwadranten. Op dit plein bevinden zich, naast het cafe en het winkeltje van het project ook buurtvoorzieningen: een supermarkt, een buurthuis en een verzorgingstehuis. Rechts de plattegronden van een van de 'hoven' waaruit blijkt hoeveel variatie de indelingen vertonen.        
 




Anton Heyboer configuratie
De plannen moesten ook door de brandweer worden goedgekeurd. Hier keek men met vragende blik naar de ontwerpen. Hoe zou hier gewoond worden. Er was een paln bij met een gemeenschappelijke badkamer, met 3 douches en twee wastafels. Woonde men in zo'n groep nu als een hechte gemeenschap, of relatief zelfstandig? Om hier achter te komen vroeg de man van de brandweer of er hier sprake was van een hechte 'Anton Heyboer configuratie'. Nee, dat was niet de bedoeling. Dan moesten de trappenhuizen als brandvrije kokers worden ontworpen. Jammer voor de groepen, die hierdoor enigszins werden opgeknipt, in subgroepjes per verdieping.
    
Gevels
Na het ontwerpen van de plattegronden had ik de bewoners ook gevraagd hoe zij dachten over de gevels. Wilden zij hout of steen in de gevel, wilden zij een breed of een smal raam, een hoge of lage borstwering, een Frans of een echt balkon... Sommige groepen maakten veel werk van hun reactie, anderen waren niet meer zo geinteresseerd in meedenken, zoals op onderstaande illustraties te zien is.

.        

Om alle wensen in een overzichtelijk en betaalbaar systeem te vatten had ik gedacht het buitenblad van de spouwmuur uit te voeren in metselwerk, of in hout. Voor de kozijnen ontwierp ik een aantal standaardtypen. Met breedten van 90 of 120 cm, met een deur of met borstweringen op verschillende hoogten.   




Nieuwe gevels
Nu er een flexibel binnenwandenpakket zou worden toegepast, was het ook zaak de gevel daarop te ontwerpen. Aan mij de eervolle taak  een standaardgevel te ontwerpen voor de grote variatie aan plattegronden die inmiddels ontworpen was. Dit lukte met een ontwerp voor alle verdiepingen en een ontwerp voor alle beganegrondgevels, waarin kozijnen waren opgenomen die hier en daar, geheel of gedeeltelijk, waren dichtgezet. Dit was het geval als er een ondiepe ruimte achter de gevel lag (energiebesparing). Bij de beganegrondgevels kon een deel van het glas worden dichtgezet als er een keukenaanrecht tegen de gevel moest worden geplaatst. In de iluustratie hieronder zijn de dichtgezette kozijnen met grijs aangegeven.  





De bouw
De onderstaande illustratie laat de montage van het Bruynzeel zien. Op de grond wordt eerst de plattegrond uitgezet, Dan worden er houten staanders geplaatst, hart op hart 60 of 90 cm. Deze worden met een sterke veer tegen het plafond vastgezet. Later zullen deze staanders aan beide zijden worden bekleed met een behangklare beplating. In deze wanden wordt geen elktra ingebouwd, deze wordt later aangelgd in een plint langs het plafond (niet onderbroken door deuropeningen).       
 

  

Op de achtergrond is nog te zien dat de kozijnen, bij ondiepe ruimten, gedeeltelijk zijn dichtgezet. Als de achterliggende ruimte later wordt veranderd en dieper wordt, dan kunnen de panelen alsnog worden vervangen door glas. Een dergelijke flexibiliteit is ook onder het dakvlak toegepast. Naast alle dakkapellen is een dakraam wel voorzien, maar niet steeds geplaatst.

                    


Bewoning
Om een idee te geven van hoe het project eruit zag na de bouw en in het begin van de bewoning laat ik hier wat illustraties zien. Om te beginnen twee priveruimten. Links op de begane grond, rechts onder het dak in het hoge deel van het project, dat gelegen is aan het centrale plein van de vier kwadranten.   

           


Op groepsniveau zijn de keukenblokken het vermelden waard: deze zijn namelijk gebouwd volgens het principe van Bruynzeel, waar voor elke wand, ook een halfhoge wand, wordt begonnen met houten staanders:


 


Op het niveau van de hoven bevinden zich bergingen en een fietsenstalling, maar het belangrijkste is toch het grasveld, de beplanting, de mogelijkheden om er te spelen en de terrassen van de omringende groepsruimten .


    

Het hoogste deel van het project bevindt zich aan het centrale plein van de vier kwadranten. Hieronder een blik op dit hoge deel, gezien vanaf het centrale plein.

 

De projectvoorzieningen hebben zich in de loop van de tijd wat gewijzigd. Het cafe en de kinderopvang, rechts van de poort, zijn constanten, het winkeltje, links van de poort, is wel eens van bestemming veranderd, van een verdeelpunt van een biologische inkoopcooperatie tot een winkeltje voor tweedehands spullen. Verder is er enige tijd een door bewoners gedreven restaurantje geweest, met de voordeur in de poort.    
Links de biologische groenteboer die er ooit was, rechts het cafe.  

    

Bevindingen
In de begintijd ben ik vaak in het project op bezoek geweest, van de periode na 2000 weet ik echter weinig. Het cafe was jaren achtereen drie avonden in de week geopend, dat liep dus goed.

Over de flexibele Bruynzeelwanden heb ik gehoord dat deze bij veranderingen wel netjes werden gedemonteerd en opgeslagen, maar niet opnieuw gebruikt. Het bleek makkelijker te zijn om de nieuwe wanden gewoon van gipsblokken te maken.
Er is overigens nauwelijks iets aan de indelingen veranderd in de loop der tijd en het is de vraag of er in de woningbouw wel behoefte is aan een flexibel wandensysteem. En als men weinig gebruik maakt van de voordelen, dan wegen vooral de nadelen:
-doordat de elektriciteitsleidingen langs het plafond lopen, zitten daar ook de stopcontacten, terwijl vaste lichtschakelaars bediend moeten worden met een trekkoord (dat opzij waait als je de deur open of dicht doet).
-de wanden zijn licht en trillen gemakkelijk mee bij het sluiten van een deur.
-het ophangen van zware objecten is moeilijk omdat de beplating van de wanden bestaat uit spaanplaat dat kan afbrokkelen.
-en last but not least: de hier toegepaste spaanplaten gaven in het begin formaldehyde gas af, waardoor sommige bewoners last kregen van ogen en luchtwegen.  

Het feit dat er nauwlijks gebruik is gemaakt van de mogelijkheden van de flexibele binnenwanden maakt ook het ontwerp van de gevel nodeloos ingewikkeld. Voorzover ik weet is er geen enkel dichtgezet kozijn ooit van glas voorzien. 

Renovatie
In de afgelopen jaren is het project gerenoveerd; Martine de Wit en Hans Vermeulen van DUS architects hebben de indelingen en de gevels aangepast. Beide waren in de loop van de tijd slecht geworden, en er was ook vraag naar meer eigen voorzieningen.    
 
Documentaire
Beate Lendt maakte een documentaire over de totstandkoming en de renovatie van dit project.
Zie: http://youtu.be/SEnkugDHLoo

 
Januari 14th, 2013

Privacy ter discussie
In de tijd dat ik studeerde stond het gezin hevig ter discussie. Door de nadruk op de privacy was dit een te geisoleerde eenheid die alle plezier en inspiratie te niet kon doen doordat de grenzen zo vast lagen. Spontane invallen, de vrijheid om je te ontplooien werden gesmoord binnen de enge grenzen van de gezinswoning, door de ruimtelijke grenzen, en door het feit dat het gezinsleven totaan de dood was uitgestippeld. Ook voor kinderen werd de beperkte speelruimte binnen het gezin zelfs gezien als een gevaar gezien. Kinderen waren te veel overgeleverd aan hun ouders. Als het daar mis ging, dan waren er geen getuigen en de kinderen hadden geen enkele plek om heen te gaan. Hier werd dan gerefereerd aan het Engelse gezegde 'you need a village to raise a child'.  



Foto Rees Diepen, 1964

Het zou voor gezinnen dus aan te bevelen zijn om in een grotere groep te wonen, en dit gold ook voor alleenstaanden, mensen waarvan de kinderen het huis uit waren, kinderloze echtparen. Ook zij 'genoten' in de normale woningbouw te veel privacy, waardoor zij zich geisoleerd en eenzaam konden gaan voelen. Hetzelfde gold voor ouderen. Als zij werden opgenomen in een groep zouden zij in aanraking kunnen komen met elkaar, en ook met kinderen. Dit zou ook voor de kinderen van belang zijn. Met andere woorden: voor alle soorten huishoudens en leeftijden zou het contact met anderen het leven kunnen verrijken. Daarom werd gestreefd naar een gevarieerde samenstelling van de groep.

'Wij wonen eigenlijk ook in een groep'
Door middel van de vormgeving van de gebouwde omgeving zou je hier iets aan kunnen doen. Je zou woningen voor meerdere personen kunnen bouwen, voor sterk geintegreerde communes of voor minder geintegreerde woongroepen. Je kon gezinswoningen ook opnemen in een grotere geheel, in een woongemeenschap, zodat bewoners in de direkte woonomgeving meer contacten konden leggen en zich beter konden ontplooien. Voor kinderen had je dan je 'village'. Het idee leefde sterk dat het leven in een groep de voorkeur had: mensen die in een gezin woonden spiegelde zich daar vaak aan en zij beweerden dan dat zij eigenlijk ook een groep vormden: 'We laten elkaar geheel vrij en we nemen samen alle beslissingen, op voet van gelijkheid'.   
Als je voor communes, woongroepen of woongemeenschappen zou willen ontwerpen, wat zouden dan de eisen zijn? In Nederland waren er toen ik studeerde nog geen concrete voorbeelden gebouwd.

Centraal Wonen
Er was wel een initiartief dat zich Centraal Wonen noemde. Een groep die zich een woonvorm probeerde te ontwikkelen waarin het isolement van het gezin doorbroken zou worden. Astrid Wiebenga, medestudent bouwkunde, en ik sloten ons hierbij aan, niet alleen omdat we een ontwerp wilden maken voor communes of een woongemeenschap, maar ook omdat we zelf op zo'n soort manier wilden wonen.     
Daar maakten we kennis met Cor Langedijk, socioloog, en met hem samen maakten we een enquette over woonwensen.
Wat wil je met anderen delen en met hoeveel? Moesten we denken aan groepjes van drie of vier wonigen die een woonkamer deelden? Of deelden zij liever de keuken? En zou in deze groepjes de gezinsstructuur moeten verdwijnen, zodat je communes kreeg, of zou de gezinsstructuur nog herkenbaar moeten blijven in het ontwerp? Deze communes of woongroepen zouden in een groter verband moeten worden opgenomen, anders zou het isolement van het gezin alleen maar verplaatst worden naar het niveau van de commune of de woongroep. Maar wat zouden er voor dat grotere verband voor voorzieningen kunnen worden bedacht?   

Denemarken
Om te zien hoe het wonen in groepen in de praktijk werkte ondernamen we vanuit de initiatiefgroep een paar excursies naar Denemarken. Een project dat we een paar keer bezochten was de woongemeenschap Saettedammen in Hillerod. Een woongemeenschap die was opgezet vanuit het idee dat voor de opvoeding van kinderen een dorp de beste kansen bood.


               

Links de plattegrond, 27 woningen rond een autovrij speelgebied. Rechts het 'faelleshus', de algemene ruimte die oorspronkelijk bedoeld was voor de opvang van kinderen, maar die al gauw werd gebruikt door zowel kinderen als volwassenen. De woningen waren ontworpen voor gezinnen, maar ze waren zo ontworpen dat ze gemakkelijk wijzigingen konden ondergaan. Zo kon er een aparte opgang voor opgroeiende kinderen worden gemaakt. Een interessant en goedlopend project, maar wij hadden toch iets anders in gedachten. In de eerste plaats wilden we aan een onderverdeling, zodat er ook kleinere groepen ontstonden, communes of woongroepen. Verder streefden we naar een project in de huursector, omdat deze manier van wonen voor iedereen bereikbaar zou moeten zijn, en niet alleen voor kopers, zoals in Seattedammen.  
  
Uitkomsten enquette
Uit de enquette kwam naar voren dat het eerste niveau van gemeenschappelijkheid een eetkeuken zou moeten zijn voor groepen van 8 tot 12 personen. Deze groepen zouden moeten worden opgenomen in overzichtelijke klusters van ca 30 personen, zodat onderlinge kontakten en het wisselen van groep mogelijk zou blijven. Bij een groter aanbod zouden groepen zich misschien voor 'de rest' gaan afsluiten. Het bindend element van deze klusters zou een tuin zijn, een klussenhok en een wasmachineruimte. Deze laatste zou aanleiding kunnen geven tot ongedwongen contacten. Voor het hele project, van 100 tot 150 personen, werd er een caferuimte gevraagd, waar bewoners uit de verschillende klusters elkaar konden ontmoeten. Het niveau van openbaarheid van dit cafe zou groot genoeg zijn om er ook bewoners uit de buurt uit te nodigen, waardoor het isolement van het project als geheel vermeden kon worden. Deze uitkomsten van dit onderzoek verwerkten we in ons afstudeerplan. 

Ontwerpgroep
Na ons afstuderen, bij Aldo van Eyck en Carel Weeber, op een project voor Centraal Wonen, ging Astrid buiten Delft werken. Zelf bleef ik bij de Delftse Centraal Wonen groep. Hier vormden we een zogenaamde ontwerpgroep die zich met het ruimtelijk ontwerp bezig hield.
Met deze groep organiseerden we ontwerpweekeinden, waarin alle leden van de centraal wonen groep waren uitgenodigd om mee te doen. De uitkomsten werden dan weer gebruikt voor meer definitieve plannen. Twee van de drie resultaten van het eerste ontwerpweekeinde zijn hieronder te zien. 


           
   
Links het plan van de 'anarchisten' die eigenlijk niets wilden vastleggen. Behalve dan een groot middengebied. Rechts een plan dat ongeveer was opgebouwd volgens de uitkomsten van de enquette. Twee groepen vormen een kluster en drie klusters vormen het project.       
Wat op beide illustraties te zien is, is een concrete situatie! Een resultaat van onze veelvuldige bezoeken aan gemeentelijke diensten en wethouders, aan het toenmalige Ministerie van VROM, en aan de plaatselijke koepel van woningbouwverenigingen. Bij dit resultaat hadden de stukjes over ons initiatief van de hand van medelid en journalist Lex Veldhoen, die maandelijks in de Delftese Post verschenen, een belangrijke rol gespeeld. Op basis van wat op het eerste ontwerpweekeinde naar voren was gekomen heb ik een schetsplan en een makette gemaakt. Compleet met zonnecollectoren.


  
    
Het schetsplan was opgebouwd uit een nog onuitgewerkte zone voor prive-units en een zone voor groepsruimten, de eetkeukens voor 8 tot 12 personen. Hiervan vormden er telkens drie een kluster, met een gemeenschappelijke tuin, een klusruimten en een wasmachineruimte. Het geheel was gegroepeerd rond een centraal plein waaraan het gemeenschappelijke cafe zou liggen, zo geplaatst dat het ook buurtgenoten zich uitgenodigd zouden voelen. Voor het contact met de buurt was ook gedacht aan een creche. 

Ware grootte
Bij de uitwerking van de woon- en de groepsruimten wilden we een idee krijgen van de grootte van die verschilldende ruimten. Hiertoe bouwden we een deel van een kluster na op ware grootte, in de blokkenhal van de Afdeling Bouwkunde van de toenmalifge Technische Hogeschool, nu Universiteit, van Delft. In het gebouw dat een paar jaar geleden afbrandde door kortsluiting in een koffieautomaat.    


   

De toekomstige bewoners konden nu een idee krijgen van het verschil tussen een enkele groepsruimte (alleen komen en eten) of een dubbele (met zitruimte), een standaard binnengang langs de klustertuin of een verbrede, en standaardwoonruimten of uitgebouwde.
Later zouden zij dit gebruiken bij de uitwerking van het concrete plan. 


   
 
Uitwerking
Het was het bovenstaande zoneringsplan dat nu kon worden uitgewerkt. De groene zone was bedoeld voor priveruimten. Hierbij wilden we aparte ruimten voor gezinnen vermijden. Gezinsleden konden, net als andere groepsleden, kamers of 'vlakjes' huren naar behoefte. Dit gaf een grote flexibiliteit en het was een middel om althans het ruimtelijke isolement van het gezin te doorbreken.
Vanuit deze groene zone konden bewoners, via het oranje gebied van de kluster, in meerdere gele ruimten komen, in de groepskeukens.  
De klusters waren bedoeld voor 2 tot 4 groepskeukens, wat neer kwam op 20 tot 40 bewoners.
De rode zone was voor voorzieningen die bedoeld waren voor het gehele project. Hier kwam naast de het cafe ook een ruimte voor zogenaamde 'grove' hobby (met groot gereedschap) en een ruimte voor 'zachte' hobby (voor Yoga). Deze ruimten lagen aan het middenplein, om integratie met buurtgenoten mogelijk te maken.

Het feit dat we het plan zelf mochten uitwerken was overigens het gevolg van een sympathieke geste van architect Henk Klunder die officieel de opdracht had gekregen om ons project te ontwerpen. Hij liet ons praktisch geheel onze eigen gang gaan en ons eigen plan maken.

Dit ging als volgt: nadat de gehele centraal wonengroep in vieren was gedeeld, en nadat elk deel een kluster had gekozen, werd er per klustergrtoep gepraat over de nadere uitwerking. Kleine of grote keukens, wel of geen brede gangen, wel of geen uitgebouwde woonoppervlakken, wel of geen zolders, dit soort vragen werden per kluster besloten en dan door een contactpersoon per cluster doorgegeven op een geregeld overleg. Hier konden de verschillende contactpersonen ideeen van elkaar overnemen en terugbrengen in hun eigen kluster. Zo kreeg het plan langzamerhand gestalte.

De gevel
Omdat de persoonlijke ontplooiing hoog in ons vaandel stond hebben we gezocht naar een gevel die ten alle tijden 2,5 meter uitgebouwd zou kunnen worden. Ook zonder uit te bouwen kon de gevel worden aangepast aan de persoonlijke wensen van de bewoners. Hiervoor had ik een pui ontworpen met een vlakverdeling, waar per vlak besloten kon worden over de invulling. Dat zou na een aantal jaren een mooi beeld kunnen opleveren, door verschillende kleuren, materialen, erkers en balcons. Voormalig studiegenoot Willem Klein maakte hiervoor een voorbeeld. Zo zou het kunnen worden:


     

Motie
Tot het laatst toe bleef het de vraag of het wel door zou gaan. Het ministerie drong erop aan dat er fors bezuinigd werd op de stichtingskosten. Het was per slot van rekening sociale woningbouw. Maar dat was onmogelijk zonder het dak of de gevels weg te laten... En intussen was de groep al zo'n 10 jaar bezig geweest met het maken van plannen. Nu had de gemeente had een paar jaar eerder een motie aangenomen van Loudi Stolker (PvdA) waarin stond dat er een Centraal Wonen project zou komen in de nieuw te bouwen wijk Tanthof. Daar konden we ons op beroepen en met een groot deel van de groep gingen we naar de wethouder van Volkshuisvesting, Rijnen, om hem daaraan te herinneren. Of het daardoor kwam is niet bewezen, maar die dag kreeg het project groen licht!

Overgeschilderd
Toen het project was opgeleverd zag het er wat treurig uit doordat de keuze van de kleuren beperkt was. Uit kostenoverwegingen moest voor alle kleuren dezelfde grondverf worden toegepast. Gelukkig moets het project na een paar jaar al opnieuw worden geschilderd. Een kans om het geheel er wat vrolijker uit te laten zien. Corien Snijders, een bewoonster, maakte een mooi ontwerp, dat de tijd overleefd heeft. Hierdoor ziet de gevel er nog steeds redelijk levendig uit. Gelukkig, want van aanpassingen door bewoners is nauwelijks iets terecht gekomen. Hier en daar zijn houten panelen vervangen door glas, maar daar is het bij gebleven. 
               

      



De winter in de blauwe kluster en de zomer in de rode kluster. 

Bevindingen
Nadat het project zo'n 30 jaar bewoond is kan er natuurlijk heel veel over gezegd worden. In deze blog wil ik er kort over zijn.

Hierboven heb ik al vermeld dat er nauwlijks sprake is geweest van aanpassingen aan de gevel. We hebben ons bij de planning niet gerealiseerd dat zoiets bij een huurproject niet erg voor de hand ligt. 

De groepskeukens functioneren over het algemeen goed. Vaak wordt hier dagelijks gegeten. Er zijn wel eens problemen tussen bewoners, maar die komen voor op alle plaatsen waar mensen iets samen doen. Ik heb hierover een keer tegen een journalist gezegd: 'Het is hier niet erger dan in een gewoon gezin'.     

Een ander belangrijk uitgangspunt was het kunnen wisselen van groepskeuken. Van deze mogelijkheid is regelmatig gebruik gemaakt, al met al dus een goed programmapunt.

De wasmachineruimte als neutrale gespreksaanleiding voor contacten op klusterniveau en ook dat werkt nog steeds goed.

De mogelijkheid om verschillende kamercombinaties te huren, waarbij het gezin (althans ruimtelijk) onzichtbaar wordt, zorgt aan de ene kant voor een grote flexibiliteit, maar tegelijkertijd wordt het hierdoor moeilijk om de samenstelling van de bewonersgroep een beetje te sturen naar het oorspronkelijke ideaal: een gevarieerde opbouw van de groep. De kans dat er een combinatie vrij komt die geschikt is voor gezinnen met kinderen is klein. Waardoor er slechts weinig kinderen in het project wonen. In het begin waren het er veel, toen was het een echte 'village' voor de kinderen, maar na verloop van tijd groeiden deze er uit. Daar komt bij dat gezinnen met kinderen tegenwoordig toch liever naar een woonruimte zoeken waarin hun sociale eenheid ook ruimtelijk te herkennen is.

Ook ouderen voelen zich in deze open setting wat minder thuis, waardoor de huidige bewonersgroep vooral bestaat uit een- en tweepersoon huishoudens in de leeftijd van 20 tot 45 jaar. Een mobiele doelgroep waardoor de doorstroming aan de hoge kant is. 

De contacten tussen de verschillende klusters verloopt via de caferuimte aan het projectplein. Hier lijken geen problemen op te treden, in deze ruimte worden regelmatig avonden georganiseerd waar bewoners van alle klusters op af komen.

De caferuimte was ook bedoeld om het project als geheel uit het isolement te houden. Maar buurtbewoners ziet men hier niet tot nauwelijks. Misschien is het straatleven in een buitenwijk als de Tanthof hier niet levendig genoeg voor... als de straat niet bewoond wordt, dan is de kans dat buurtbewoners in het cafe binnenlopen nu eenmaal klein. En vanuit de bewoners worden er evenmin initiatieven ontplooid om 'de buurt' binnen te halen... men heeft het isolement kennelijk geaccepteerd. Dat wil niet zeggen dat er geen buitenstaanders komen, zoals LAT relaties, vrienden, familieleden, kennissen en collega's en de ouders, vriendjes en vriendinnetjes die de kindern mee naar huis nemen.        
         
 

 

Dit is een Herman Boots uit 2012