Beschouwelijkheden

Een vreemde plek
December 1st, 2020
Bewaar als PDF

Hoe kunnen wij ons bewust zijn van de wereld? Het heeft een tijd geduurd voordat ik hier grip op kreeg: ons bewustzijn van de wereld is onverklaarbaar omdat alles wat we ter verklaring aan kunnen voeren, bestaat dankzij het nog te verklaren bewustzijn… Om niet in een tautologie terecht te komen moeten we wel concluderen: het bewustzijn is niet te verklaren. Uit niets!
Maar ‘ik’ ben degene die de wereld ervaart, dus nu kunnen we zeggen: ‘Ik’ ben me bewust van de wereld doordat ik ‘niets’ ben. Of anders gezegd: we onderscheiden de wereld van onszelf doordat en voorzover we ‘niet’ de wereld zijn.   
Wat onze creativiteit begrijpelijk maakt, want je kunt op zoveel manieren ‘niet’ de wereld zijn, lees: je kunt je op zoveel manieren bewust zijn van de dingen.
Dat we de wereld ‘niet’ zijn maakt ook onze vrijheid begrijpelijk, want hierdoor gaan we niet op in de wereld. We vallen niet samen met onze eigenschappen, zoals een bergbeek die zich onwetend van de rotsen stort. Wij kunnen ook andere wegen inslaan.  
Kom ik nu bij de vraag: hoe kunnen we nu als ‘niets’ invloed uitoefenen op de wereld om ons heen?  
 
Door de deurknop heen grijpen
Grijp je dan niet, als een spook, door de deurknop heen van de deur die je open wil doen. (Als je dat zou willen, want je kan gewoon door de deur heen lopen. Hoe spoken kans zien om op verlaten zolders voetstappen te produceren, of met deuren te piepen is me danook een raadsel)    
Hoe kunnen we een spier in beweging zetten als we als ‘niets’ geen grip hebben op de ‘schakelaars’ in onze hersenen?
Een vraag die niet eerder in me is opgekomen, hoe is het mogelijk, zo’n essentiële vraag! Want hoe kun je van het ‘niets’ uitgaan, en van het verwerkelijken van mogelijkheden, als je niet begrijpt hoe dat werkt. Heeft iemand daar ooit over gedacht en geschreven?    
 
Reflexen als gevolg van de situatie
Laten we eerst kijken naar hoe het bij dieren werkt, die niet over de vrijheid van het ‘niets’ beschikken. (Daar wordt overigens verschillend over gedacht) Stel dat een hond honger heeft, dan zal deze zich automatisch, als reflex, aangetrokken voelen tot wat eetbaar is en z’n neus achterna lopen. Een eekhoorn die door het bos loopt zal automatisch, als reflex, schrikken en er vandoor gaan als hij achter zich een geluid hoort. 
De situatie bepaalt de reflexen, wat dieren doen, eten, rennen of wat dan ook.
 
Reflexen door een ontworpen perspectief
Nu kunnen wij als bewuste wezens een perspectief ontwerpen, en daarmee de betekenis van een situatie. Hiermee kunnen we onze dierlijke reflexen in banen leiden. Als we voor een etentje zijn uitgenodigd, dan beschikken we over een situatie met een perspectief waarin de patattent langs de weg nauwelijks nog betekenis heeft. Onze reflexen staan nu afgesteld op het adres waar we uitgenodigd zijn. Nou vooruit, soms laten we ons tot een frietje verleiden, de reflexen die we van de dieren hebben geërfd zijn niet zomaar weg door een perspectief dat wij eroverheen hebben gelegd… 
Het idee dat we onze reflexen leiden door perspectieven zou dan ook moeten gelden als we bijvoorbeeld iets timmeren of een boterham smeren. Dat is even wennen... Maar misschien is het feit dat we, als we iets willen bereiken, het hebben over ‘focussen’ en ‘visualiseren’ een aanwijzing dat dit toch wel eens kan kloppen.    
  
Wie bestuurt wie?
Maar hoe kunnen we nu een perspectief ontwerpen? Kunnen wij als ‘niets’ het perspectief bepalen in een situatie waar we als ‘niets’ tegenover zijn gesteld? Kunnen we onszelf besturen?
Nu gaat het hier om de instrumentele houding waar ik opeens het probleem zie, maar eerder heb ik al aangenomen, bij de situationele houding, dat we onszelf als ‘niets’ kunnen besturen.
Dat we ons open kunnen stellen, of teveel af kunnen sluiten, dat dubbelzinnigheid kan helpen, of een grap. Allemaal manipulaties van onszelf als ‘niets’. Maar hoe kan dat eigenlijk?
 
Wat we doen en dat we dat doen
Kunnen we dit begrijpen als mogelijkheid die de ‘reflexiviteit’ ons biedt? Als we niet kijken naar ‘wat we doen’, maar naar ‘dat we dat doen’, dan komen we als ‘niets’ in beeld.
Maar op welk moment besluiten we dan over te gaan van het praktische irreflexieve, ‘wat we doen’ naar het beschouwelijke reflexieve ‘dat we dat doen’? Want als invloed op onszelf als ‘niets’ de reflexieve houding veronderstelt, het kijken naar ‘dat we dat doen’, hoe komen we daar dan, hoe komen we uit de irreflexieve houding van ‘wat we doen’?
 
Vastlopen
Om dit probleem op te lossen moeten we uitgaan van een automatisme, dat bijvoorbeeld optreedt als we vastlopen. In zo’n geval zijn we in staat om het perspectief van onze irreflexieve wereld, van ‘wat we doen’, kritisch te bekijken vanuit het hoger geleden ‘dat we dat doen’. Dan kunnen we onze middelen of werkwijze zo nodig aanpassen, door er als onbevangen ‘niets’ van alle kanten omheen te cirkelen, tot er iets opdoemt, uit het ‘niets’ dus, wat ons beter bevalt. Of misschien zien we dan, onverwacht, een ander doel verschijnen, dat ons beter bevalt, of dat bereikbaarder is. Mogelijk willen we het zoekproces wat helpen door te zoeken naar een geschikte metafoor, die dan opeens, weer uit het ‘niets’, kan verschijnen. En als dat allemaal niks wordt, dan besluiten dat we gewoon moeten doorzetten, hoewel, als we bij die gedachte opeens erg moe worden, dan is het misschien toch tijd om op te geven.
Dit geldt voor de instrumentele houding, waarin we iets proberen te realiseren, maar hoe kunnen we ons dat voorstellen bij de situationele houding, waar we ons receptief opstellen?
 
Verveeld raken
Ook hier kunnen we vanuit de ‘dat we dat doen’ houding het ‘wat we doen’ beoordelen en ook hier weer te proberen als onbevangen ‘niets’ te zien wat er nog meer mogelijk is, om onszelf in ‘wat we doen’ te instrueren waar op te letten, of om ons eenvoudigweg meer open te stellen. En hoe kunnen we hier dan op deze reflexieve houding terecht komen? Misschien door verveling, als we uitgekeken raken, of als we in verwarring raken en niet meer weten hoe te kijken of te luisteren. Dat is toch ook een soort vastlopen.    
 
Terug naar wat we doen
Maar hoe komen we dan weer terug in de ‘wat we doen’ modus? In het geval van de instrumentele houding misschien door de aantrekkingskracht van een nieuwe werkwijze of een nieuw doel dat we willen bereiken. Stel dat je, na je verveeld te hebben bij het ontwerpen van rijtjeswoningen, opeens een andere leefstijl ontdekt om vorm te geven.        
En hoe kom je terug in de situationele houding? Misschien uit pure nieuwsgierigheid, naar het effect van je bijgestelde ontvankelijkheid. Stel dat je je hebt voorgenomen belang te hechten aan dissonanten of verwijzingen naar het verleden. Wie weet welke ervaringen daar uit voort kunnen komen.
 
Opgetild tegen wil en dank
Bovenbeschreven overgangen kunnen makkelijk verstoord worden.
Wie druk aan het werk is, op het niveau van ‘wat we doen’ kan daaruit gehaald worden en opgetild naar ‘dat we dat doen’ als iemand hem of haar op de vingers gaat kijken. Of alles beter weet.
Dit opgetild worden kan een dwangmatig karakter krijgen als iemand onzeker is. Doe ik het wel goed? Wie dan toch doorgaat met ‘wat we doen’ zal een houterige indruk maken, ook op zichzelf. 
Ook bij situationele houding kun je uit je ‘wat we doen’ gehaald worden door stoorzenders, bijvoorbeeld als zij gaan voorzeggen hoe iets ervaren ‘moet’ worden. En ook hier kun je dan ongewild opstijgen naar ‘dat je dat doet’.
 
Onoptilbaar
Het omgekeerde is ook lastig, maar dan vooral voor anderen. Stel je voor iemand is bezig met iets te doen, instrumenteel, geheel in de sfeer van ‘wat we doen’, en het gaat niet goed. Sommige mensen zijn dan niet uit hun modus te krijgen, die hebben zich zo afgesloten voor commentaar en ‘op de vingers kijken’ dat ze van geen ophouden weten. Ze laten zich niet optillen tot het niveau van ‘dat we dat doen’ voor enige reflectie. Tot het mis gaat.
Ook in situationele houding kunnen mensen zich opsluiten in de sfeer van ‘wat we doen’, bijvoorbeeld als ze iets afkeuren of spannend vinden, waarbij ze niet zover te krijgen zijn daarop te reflecteren.        
 
Een vreemde plek
Toen ik eindelijk zover was, na veel onbegrip en verwarring, dat ik het ‘niets’ kon omarmen, moest ik dat wel voorzichtig brengen. Als ik het anderen hierover vertelde zag je ze al gauw vaag beginnen te kijken.
Nu heb ik dat nog erger gemaakt. Reflexen die worden getriggerd door perspectieven die door het ‘niets’ worden geschetst… Ik heb mezelf nu naar een wel hele vreemde plek gedacht, een plek waar ik schijn te wonen.
Geen reacties
Laat een reactie achter
* Naam
* Email (niet openbaar)
*
* Typ code over van afbeelding
* - Verplichte velden
 

Dit is een Herman Boots uit 2012