Beschouwelijkheden

Hersenscans vrijheid en de onvrije wil
Juli 21st, 2018
Bewaar als PDF
Hersenonderzoek in een existentialistisch perspectief
 
Flip Krabbendam
 
 
Met enige regelmaat verschijnen er publicaties met wetenschappelijke bewijzen dat de vrije wil niet bestaat. Hersenonderzoekers beschrijven proeven waaruit blijkt dat het menselijk handelen geheel gedetermineerd is door onbewuste impulsen. Dat ons bewustzijn ons in staat zou stellen om beslissingen te nemen, zou slechts een illusie zijn. Als dit waar is, dan heeft dat verregaande consequenties… Kunnen we dit ook anders zien?    
 
 
          Betekenisverlies

Verantwoordelijkheid, zelfverwerkelijking, liefde en een zinvol leven
Als het gaat over hoe onbewuste impulsen ons leven bepalen, waarbij het idee dat wij zelf keuzes maken een illusie is, wordt meestal het eerst gedacht aan wat dit betekent voor de rechtsspraak. Want hoe kun je dan iemand nog aansprakelijk stellen voor zijn of haar daden?            
Interessante vragen, maar de consequenties gaan veel verder!
Zo wordt het onmogelijk om jezelf te verwerkelijken, dat wil zeggen om keuzen te maken en aan de verwezenlijking daarvan te werken. Een studie volgen, een kamer inrichten, een muziekinstrument bespelen, leren autorijden of programmeren… als dit alles niet meer is dan het gevolg van elektrische stroompjes en chemische omzettingen in de hersenen, wat zou je je dan nog druk maken?  
Wat ook sneuvelt is het voldane gevoel dat je krijgt als je moeilijkheden hebt overwonnen, ontdekkingen gedaan en iets bereikt hebt. Dat de keuzen die je hebt gemaakt vruchtbaar zijn geweest, en misschien belangrijk voor anderen. Ook dit betekent niets meer wanneer er geen ‘ik’ is, die de creatief is geweest, keuzen heeft gemaakt en heeft doorgezet.
Een ander aspect van het leven dat door de uitkomsten van het neurologisch onderzoek lijkt te ‘verdampen’ is het vermogen lief te hebben of sociaal te zijn. Want hoe kunnen wij elkaar liefhebben, steunen of erkennen, als wij eigenlijk ‘zelf’ niet bestaan, als we niet meer zijn dan biologische mechanismen, bepaald door het DNA dat de hersenen heeft voorgezegd welke kwaliteiten wij in een partner aantrekkelijk vinden en in hoeverre wij sociaal zijn.  
Wat hier in het geding is, is het idee van een zinvol leven, want daarvan kan alleen sprake zijn als je een bewust wezen bent, waardoor je tot kiezen in staat bent, en waardoor je tot je recht kan komen door de kansen die je hebt gezien, door wat je verwerkelijkt hebt, door de vruchtbaarheid van je aanpak, door wat je voor anderen betekent, en door wat je hiervan begrepen hebt. Als dit alles wegvalt dan blijft er, als we kijken naar ons leven, niet meer over dan de constatering dat we door de tijd heen nu eens zus en dan weer zo hebben gefunctioneerd, soms voldaan, soms ook niet…
 

          Wetenschap en filosofie
 
Descartes
Als gedegen wetenschappelijk onderzoek ons laat zien dat wij worden geleefd door de diverse hersenfuncties die onder onze schedel actief zijn, wat zouden we ertegenin kunnen brengen? Misschien moeten we proberen te wennen aan deze uitkomsten en niet alleen de rechtspraak omgooien, maar ons hele leven. Meegaan met onze tijd en afzien van het idee van verantwoordelijkheid, zelfverwerkelijking, de mogelijkheid van liefde, sociale betrokkenheid en een zinvol leven.
Maar laten we niet overhaast te werk gaan. Want waarom zouden wij wetenschappelijk onderzoek het laatste woord geven? Velen zullen hier misschien toe geneigd zijn, in de veronderstelling dat juist de wetenschap in staat is om de waarheid over ons en onze omgeving te ontdekken.
Deze veronderstelling is terug te voeren op de filosofie van René Descartes (‘Discours de la methode’ 1637) die stelde dat we alleen op onze ervaring kunnen vertrouwen als de verschijnselen die we waarnemen meetbaar en weegbaar zijn. Alleen deze zouden tot de werkelijkheid gerekend kunnen worden. Andere ervaringen zouden illusies zijn, producten zijn van de menselijke geest. Deze filosofie is het fundament geweest voor de ontwikkeling van de wetenschappen, en is heel vruchtbaar geweest, te meer daar je meetbare en weegbare verschijnselen in wiskundige formules kon vangen, waardoor processen voorspelbaar werden en hanteerbaar.
Echter, als we de op meten en wegen gefundeerde wetenschappen het alleenrecht op de waarheid te geven, wat we scientisme noemen, is er geen ruimte voor vrijheid of een vrije keuze. (W. Luijpen, Nieuwe inleiding in de existentiële fenomenologie’ 1973, p 133)
Voor een scientist hoeft dit geen probleem zijn; hij zal het gemis van vrijheid kunnen zien als een irreëel verlangen, als het verlangen naar een illusie.


           
          René Descartes geschilderd door Frans Hals in 1648

Maar hoe betrouwbaar is deze visie op de wetenschappen? De uitspraak van Descartes dat alleen meetbare en weegbare verschijnselen werkelijkheidswaarde bezitten is een filosofische uitspraak. Als we ons realiseren, dat wetenschappelijke uitspraken over de mens samenhangen met een bepaalde filosofie, kunnen we ons voorstellen dat wij deze uitspraken ook in de context van een andere filosofie zouden kunnen plaatsen.
 
Existentialisme
Omdat de menselijke vrijheid hier in het geding is ligt het voor de hand te kijken naar een filosofie waarin de vrijheid een grote rol speelt, zo niet de hoofdrol: namelijk het existentialisme.
In deze filosofie wordt ervan uitgegaan dat de mens door zijn bewustzijn niet opgaat in de wereld die hem omringt en dat hij daardoor ‘vrij’ is. Dit filosofische uitgangspunt wil ik aannemelijk maken door nog eens goed te kijken naar de aard van wetenschappelijk  hersenonderzoek.
Dit aan de hand van een praktisch voorbeeld. Bij de waarneming van kleuren is wetenschappelijk aangetoond dat elektromagnetische golven met een golflengte van rond de 700 nm hersenactiviteiten veroorzaken die door ons worden ervaren als de kleur ‘rood’. Een uitspraak die waar is, maar er zit een gat in. Want de gemeten activiteiten in de hersenen zijn weliswaar het ‘neurale correlaat‘ van deze kleurervaring, maar daarmee is het ontstaan van kleuren uit golflengten nog niet verklaard. (Jaap van Heerden ‘Schrikbewind der verzinsels’ 1996 p 73)

 
          
         Hoe kleuren, door tussenkomst van hersenactiviteiten, ontstaan uit de elektromagnetische golven blijft onverklaard.   
 
Duidelijk is alleen dat deze ervaring samen optreedt met de registratie van een elektromagnetische golf van een bepaalde golflengte. Is het een kwestie van tijd, is er meer onderzoek nodig om alsnog een verklaring hiervoor te vinden?
Maar elektrische impulsen, chemische omzettingen, synapsen en dendrieten zijn van een geheel andere orde dan de kleuren die we zien.    
Voor wie dit niet overtuigend vindt nog een gedachtenexperiment: als we voor een verklaring van onze ervaringen te rade gaan bij de neurowetenschappen, en we zouden elektrische impulsen, chemische omzettingen, synapsen en dendrieten, opvoeren als veroorzakers van de ervaring, dan zijn we op de verkeerde weg. Want als we ‘de ervaring’ willen verklaren, kunnen we van geen enkele ervaring gebruik maken, immers: een verklaring die steunt op datgene dat nog verklaard moet worden is een tautologie! Conclusie, het feit dat we ervaren is niet te verklaren. En hiermee zijn we uitgekomen bij het existentialisme dat zegt dat ervaringen ontstaan uit het ‘niets’.
 
Uit het ‘niets’?
De conclusie dat kleuren, of meer in het algemeen, ervaringen, niet te verklaren zijn, of uit ‘niets’ te verklaren zijn, zou wetenschappers kunnen aanmoedigen te rade te gaan bij de filosofie van het existentialisme. Maar aan de andere kant, deze filosofie is voor wetenschappers misschien ook wel te ver van hun bed… Zij zijn gewend en getraind om te werken met concrete, meetbare en weegbare, verschijnselen. Dat kan er gemakkelijk toe leiden dat zij, vaak impliciet, het scientistische standpunt huldigen dat alleen dit soort verschijnselen tot de realiteit behoren. In dit perspectief is het ‘niets’ een volkomen vreemd, onbestaanbaar verschijnsel.   
Toch zou geen enkele wetenschap kunnen worden beoefend zonder de ervaring, dat wil zeggen, zonder dit ‘onbestaanbare’ en misschien ‘onuitstaanbare’ ‘niets’…
Misschien is het een kwestie van wennen of omdenken. Toen de nul werd geïntroduceerd in de late Middeleeuwen dachten velen dat dit getal, dat ‘niets’ voorstelde, van de duivel afkomstig was. In 1299 werd het in Florence zelfs verboden ermee te rekenen! Het duurde nog tot het eind van de 15de eeuw voordat men eraan gewend was en ermee kon werken. Met de natuurkundige variant van de nul, het vacuüm, heeft men ook grote moeite gehad. Lang heeft men gedacht dat het in de natuur vervatte ‘horror vacuüm’ (angst voor het vacuüm) ervoor zorgde dat er in de natuur geen plaats was voor leegte, voor ‘niets’. Totdat Torricelli halverwege de 17de eeuw met zijn kwikbuis aantoonde dat er boven het kwik alleen maar vacuüm kon zijn, ‘niets’! (Alex Bellos, ‘Getallen ontrafeld’ 2010, p 123)   
 
Vrijheid
Het ‘niets’ lijkt een zinloos en misschien ergerniswekkend begrip en veel mensen hebben er misschien een blinde vlek voor, maar intussen is het juist dit ‘niets’ dat de vrijheid in ons leven brengt. Om dit begrijpelijk te maken kunnen we zeggen ‘ervaren’ betekent dat wij de wereld van onszelf onderscheiden voor zover wij de wereld ‘niet’ zijn.  
Deze herformulering maakt duidelijk dat wij een zekere afstand tot de wereld hebben, dat we er niet in opgaan. Voor de existentialist Jean-Paul Sartre betekent dit, dat wij door deze afstand vrij zijn om in die wereld onze eigen weg te gaan, vrij om onze eigen keuzen te maken. (W. Luijpen, Nieuwe inleiding in de existentiële fenomenologie’, 1973 p 267)
Met deze existentialistische zienswijze kunnen we de resultaten van de (hersen)wetenschappen in een ander daglicht te stellen. Waarbij het er niet om gaat deze resultaten te bestrijden: wetenschappelijke methoden en resultaten verliezen in deze filosofie niet hun waarde, maar alleen hun alleenrecht op de waarheid.
 
 
          Vrije keuze door onvrije wil
 
Bereidheidspotentiaal
Nu de nieuwe filosofische context in grote lijnen geschetst is, kunnen we kijken op grond van welke onderzoeken neurowetenschappers tot de conclusie kwamen, en komen, dat ons leven gedetermineerd wordt door processen in de hersenen en dat het idee dat wij zelf, in vrijheid, kiezen een illusie is.
Hans Kornhuber en Lüder Deecke, publiceerden in 1965 over hun onderzoek waarin zij hadden gezocht naar het verband tussen de vrije keuze en neurologische processen. Wat zij ontdekten was dat er elektrische veranderingen in de hersenen die optraden na de beslissing en voorafgaand aan de handeling. Zij registreerden de opbouw van een zogenaamd ‘bereidheidspotentiaal’ dat lag tussen de beslissing en het begin van de handeling. De opbouw van dit potentiaal zou, als men bijvoorbeeld een glas wilde oppakken, gemiddeld 0,55 seconden duren. (Retu Schneider ‘Bizarre wetenschap’ 2009 p. 249) Hiermee bleef het idee van de vrije keuze nog overeind.        
    
   
 
         
          Proefopstelling Kornhuber en Deecke in 1964
 
Maar een andere onderzoeker, Benjamin Libet, vond dat de opbouw van het bereidheidspotentiaal, de periode tussen de beslissing en de actie, dat Kornhuber en Deecke opgaven, te lang. Dit strookte niet met de dagelijkse ervaring. Hoe kon nu het moment van de beslissing nauwkeuriger bepaald worden?
 
De bereidheid gaat vooraf aan de beslissing…
In het experiment dat Libet ontwierp werd proefpersonen werd gevraagd op een knop te drukken op het moment dat zij zelf mochten kiezen, at will. Voor de proefpersonen was een soort klok geplaatst met een ronddraaiend rood stipje. Door te onthouden waar het stipje was op het moment dat de beslissing werd genomen, kon de tijdstip van de beslissing nauwkeurig bepaald worden.   
Wat bleek nu: de actie, de druk op de knop, vond plaats 0,2 seconde (200 ms) nadat de proefpersonen aangaven dat zij de beslissing hadden genomen. Dat lijkt geen probleem, ware het niet dat de hersenscan ook de opbouw van het bereidheidspotentiaal had gemeten. Net als bij Kornhuber en Deecke duurde dit 0,55 sec. (550 ms). Dit betekende dat met de opbouw hiervan was begonnen vóórdat de beslissing viel!   
  
 
         
        Libet: De voorbereiding (paars) begint voor de beslissing (blauw)
 
In de publicatie van zijn onderzoek in 1977 concludeerde Libet dat de beslissing van de proefpersoon als mosterd na de maaltijd kwam, omdat de hersenen kennelijk al eerder bezig waren de actie voor te bereiden. Werden wij dus geleefd door onze hersenen, en was het idee dat wij zelf, als vrije individuen, beslissing namen, een illusie? (Retu Schneider ‘Bizarre wetenschap’ 2009 p. 251)
 
De beslissing en het ‘ja nu’ moment
Hoe kunnen we aankijken tegen deze conclusie als we deze plaatsen in de context van het existentialisme, de filosofie van het ‘niets’ en de vrije keuze? Is er niet ergens een verwijzing naar een vrije keuze?    
Wat opvalt is dat Libet uitgaat van een reeds opgebouwd bereidheidspotentiaal… Maar op grond waarvan zou zich dan een bereidheidspotentiaal hebben opgebouwd? Kornhuber en Deecke hebben laten zien dat een bereidheidspotentiaal ontstaat na een beslissing. Als we even uitzoomen en deze eerste beslissing opnemen in het perspectief van de proefneming van Libet, dan kunnen we zeggen dat er sprake is van twee momenten: het moment van de beslissing aan om aan het experiment mee te doen en het moment van de uitvoering daarvan. Kennelijk had Libet de beslissing van de proefpersonen om mee te doen niet tot zijn experiment gerekend… Als we dit wel doen dan kan de proef als volgt beschreven worden: 1) de beslissing mee te doen, 2) de opbouw van het bereidheidspotentiaal, 3) de beslissing om tot actie over te gaan, dat je het ‘ja nu’ moment zou kunnen noemen, en 4) de druk op de knop, het moment van de daadwerkelijke actie.
Door uit te zoomen hebben we het experiment van Libet niet alleen geplaatst in het filosofisch perspectief van de vrije keuze, we zijn nu ook in staat onderscheid te maken tussen de keuze en het ‘ja nu’ moment waarop tot uitvoering wordt overgegaan. 
 
Zin maken, moed vatten en deadlines
Als we naar onze dagelijkse ervaring kijken weten we ook dat de beslissing om iets te doen en het ‘ja nu’ om tot actie over te gaan twee verschillende dingen zijn. Waarbij we kunnen opmerken dat de opbouw van het bereidheidspotentiaal veel langer kan duren dan de gemeten 0,55 sec. Bijvoorbeeld: als we het besluit nemen om ’s ochtends op te staan kan het veel langer duren voordat het bereidheidspotentiaal sterk genoeg is voor het ‘ja nu’ moment, waarop we daadwerkelijk opstaan. Soms moeten we eerst ‘zin maken’ of ‘moed vatten’. Het zou interessant zijn om proefondervindelijk vast te stellen hoe het bereidheidspotentiaal zich ontwikkelt na het afgaan van de wekker, na het ‘zin maken’ en hoe lang het kan duren voordat het ‘ja nu’ moment aanbreekt.   
Misschien kan ook gemeten worden hoe, bij moeilijke klusjes, het bereidheidspotentiaal zelfs wekenlang een kwakkelend bestaan kan leiden, waarbij het pas hoog genoeg is voor een ‘ja nu’ vlak voor een deadline, als de voorgenomen actie echt moet plaatsvinden.
 
 
            
           Benjamin Libet: veto redt vrije keuze

Veto
Overigens verzette Libet zich tegen de uitkomst van z’n eigen onderzoek, tegen de conclusie dat de vrije keuze niet zou bestaan, dat wij ‘kiezen voor wat we doen’ in plaats van andersom. En hij bedacht een soort noodrem: we konden altijd nog een veto uitspreken over de keuzen die de hersenen voor ons maakten. Zo zou onze vrijheid, althans voor een deel, behouden kunnen blijven. Het idee was dat we in de 0,2 seconde, tussen onze beslissing om tot actie over te gaan en de actie, een veto konden uitspreken. Maar dan zou het neutraliserende bereidheidspotentiaal van het veto dan opeens wel in 0,2 seconde kunnen worden opgebouwd? Zou hij dat  onderzocht hebben?     
 
De onvrije wil
Toch is Libet hier iets belangrijks op het spoor gekomen. Want, als we nog even uitgezoomd blijven, dan kunnen we ons voorstellen dat een vrije keuze, een voornemen om een bepaalde richting in te slaan, vergezeld gaat van een eveneens voorgenomen veto dat ons in staat stelt om trouw te blijven aan deze beslissing en niet van het spoor te raken. Stel dat iemand ervoor gekozen heeft om te gaan lijnen, dan kan deze persoon zich, hoe overtuigend de beslissing om te lijnen ook was, op een onbewaakt moment, toch laten verleiden door het aanbod van een frietje of een snack.
We zien hier dat vrijheid niet betekent dat we zomaar kunnen doen wat ons invalt. Als we de wereld onderscheiden van onszelf voor zover we de wereld ‘niet’ zijn, dan wordt duidelijk dat onze afstand tot de wereld, onze vrijheid, gesitueerd is. We zouden de wereld niet kunnen onderscheiden van onszelf als deze afwezig was. Onze vrijheid bestaat bij de gratie dat zij is gesitueerd! In een wereld waarin het vriest of stortregent, waarin de zon verzengend kan schijnen, en waarin we buiten adem kunnen raken als we rennen. In deze wereld kunnen we ons ook aangetrokken voelen tot voedsel waarvan we te weten zijn gekomen dat het ongezond is. Als we er nu voor kiezen dit voedsel niet meer te eten, dan is daarmee de aantrekkingskracht niet verdwenen. We kunnen niet zomaar alles wat we kiezen, onze vrijheid is gesitueerd in een concrete wereld, met alle mogelijkheden en beperkingen die daarin vervat liggen. Wij zijn als vrijheid verwikkeld in een weerspannige wereld. (W Luijpen, ‘Nieuwe inleiding in de existentiële fenomenologie’1973, p 267-277)      


            
 
Als we besloten hebben om gezond te eten kan de aantrekkingskracht van ongezond voedsel aanblijven. Op zo’n moment zeggen we dat iemand ‘wilskracht’ moet tonen om de verleiding te weerstaan. Zo kunnen we, met het veto van Libet in gedachten, de wil opvoeren als de ‘bewaker’ die het veto uitspreekt. Hier komt de wil naar voren als een bewaker, of als een ondersteuner, die ons op de koers houdt die we in vrijheid hebben bepaald.
Als wij beweren dat wij vrij zijn in de zin van dat we niet opgaan in de wereld, dat we niet meedraaien in de wetten die de wereld beheersen maar vrij zijn, dan is het misschien wel deze wil die dat mogelijk maakt.
In dit perspectief is de wil niet vrij, zoals over het algemeen gedacht wordt, zij is in dienst van de vrije keuze en zorgt ervoor we ons kunnen houden aan een eerder genomen beslissing, ook bij tegenspoed of als de omstandigheden ons tot iets anders proberen te verleiden. De wil is dus zèlf niet vrij, maar een kracht, een bewaker en ondersteuner, die ervoor kan zorgen dat we ons vrij gekozen doel bereiken. Waarbij kan worden opgemerkt dat niet ieders wil even goed tegen zijn taak is opgewassen.
 
De vrije wil, een verwarrend begrip
In de filosofie en in discussies over de betekenis van hersenonderzoek wordt de menselijke vrijheid vaak in een adem genoemd met de ‘vrije wil’. Maar de wil kan zowel onze vrije keuzen vertegenwoordigen, waarbij de wil eigenlijk niet vrij is, maar in dienst van onze keuze, en de wil kan onze drijfveren vertegenwoordigen, waarbij de vrijheid van de wil erop neerkomt dat we onbelemmerd onze impulsen kunnen volgen. In het laatste geval komt men dan terecht tot de conclusie dat dit ten koste gaat van onze eigen vrijheid. Om deze verwarring te voorkomen kan dus beter worden uitgegaan van de onvrije wil, die ’werkt in dienst’ van onze vrije keuze. Met dit in gedachten zou het misschien interessant zijn om de filosofie van Arthur Schopenhauer of van Friedrich Nietzsche opnieuw te interpreteren. De eerste bedoelt met de wil eigenlijk de natuur die ons stuurt, wat neerkomt op het volgen van onze drijfveren, terwijl we dat niet beseffen omdat wij van de wereld een voorstelling maken waarin wij menen dat onze eigen keuzen maken en onze eigen wil volgen. Misschien kunnen we zeggen dat Schopenhauer in zijn filosofie gebruik maakt van beide interpretaties, waarbij hij wil laten zien dat de eerste wil onzichtbaar is, omdat wij van de wereld een voorstelling maken, terwijl hij de tweede diskwalificeert als een illusie, omdat deze deel uitmaakt van de voorstelling.    
En wat betekent het voor de ‘wil tot macht’ van Nietzsche als wij de wil opvatten als bewaker en ondersteuner van de vrije keuze. De ‘wil tot macht’ betekent dan dat deze bewaker op eigen initiatief naar macht gaat streven. Als een bewakingsdienst die voor zichzelf begint. Maar waaraan?                 
 
 
          Onbewuste processen
 
De kwebbeldoos
Sinds de zestiger en zeventiger jaren zijn hersenscans veel nauwkeuriger geworden. We kunnen nu verband leggen tussen wat proefpersonen denken en doen en de hersengebieden die hierbij oplichten, de zogenaamde stimulus-responsreacties.    
Hieraan kunnen we zien dat bij het maken van keuzes hersengebieden actief zijn, die wijzen op associaties, zonder dat we daar weet van hebben. Volgens hersenonderzoeker Victor Lamme hebben we er geen idee van hoe groot de rol is van deze onbewuste associaties. Als deze op vooroordelen berusten, kunnen zij onze bewuste gevoelens beïnvloeden. Als we bewuste keuzes maken dan weten we dit niet, wat ertoe leidt dat we andere redenen bedenken om uit te leggen waarom we deze keuzes hebben gemaakt. Lamme concludeert dat dergelijke onderbouwingen niet meer zijn dan rationalisaties. Hij noemt ons bewustzijn daarom een ‘kwebbeldoos’. (Arthur Olof ‘Idee’ jaargang 32 nr 1 (2011) p. 43-44)
 
       
       Victor Lamme

Gesprek en therapie
Dat onze beslissingen kunnen worden beheerst door een onbewuste laag van het denken is een algemeen verbreid idee. Echter, de bewering van Lamme dat we hier aan zijn overgeleverd, is aanvechtbaar. Al in het dagelijks leven kunnen we ons, in een goed gesprek, bevrijden van oneigenlijke motieven en vooroordelen, door deze aan het licht te laten komen.    
Maar dat is niet altijd genoeg. Het kan zijn dat we zo geplaagd worden door onbewuste associaties en mechanismen dat er niet meer tegenop te rationaliseren valt. Dan kunnen we in therapie gaan. Er zijn veel therapieën die tot doel hebben ons te laten inzien welke onbewuste krachten ons hinderen, en hoe deze onze beslissingen contraproductief maken. Zodat we ons ervan kunnen bevrijden.
Hierbij denken we misschien het eerst aan Sigmund Freud, maar misschien had hij te veel de neiging om, wat er in de therapie ‘boven water’ kwam, te interpreteren in termen van sexualiteit en doodsdrift.  
In de ‘gestalttherapie’ laat men de interpretatie over aan de patiënt. De therapeut richt zich hier op de directe ervaring, en probeert daarin verwijzingen te vinden naar onbewuste gevoelens of mechanismen, om vervolgens te proberen deze ter sprake te brengen. (Fritz Perls ‘Gestaltbenadering’ 1973) Zo kan het de therapeut opvallen dat de patiënt zijn vuist balt als hij over zijn vader vertelt. Dan kan de therapeut de patiënt hiervan bewust maken en vragen om wat meer over zijn vader te vertellen. Als er dan een oud, verdrongen, probleem uit de opvoeding naar boven komt, kan de therapeut de patiënt vragen de situatie alsnog zelf in de hand te nemen. ‘Als je vader nu tegenover je zou zitten, wat zou je dan tegen hem willen zeggen?’ Dan zou de patiënt bijvoorbeeld kunnen zeggen ‘Ik heb er genoeg van je knechtje te zijn, ik durf niet meer op te staan om iets voor mezelf te gaan doen omdat jij dan altijd zegt “je staat toch, zet meteen even de vuilniszak buiten. En als je dan toch je jas aan hebt, kun je dan ook een kratje pils uit de schuur halen”, en daar heb ik schoon genoeg van, ik trap er niet meer in. Ga zelf je pilsjes halen en de vuilniszak buiten zetten!’.
Door zich bewust te worden van de oorzaak van de onlustgevoelens die ontstaan op momenten dat hem gevraagd wordt om ‘iets mee te nemen uit een winkel waar hij toch naartoe gaat’, of om ‘iets op te halen op een adres waar hij toch langs komt’, kan de patiënt zich bevrijden van de weerstand die hij daarbij ervaart, van het schuldgevoel omdat hij anderen teleurstelt en van de hekel die hij hierdoor aan zichzelf heeft gekregen. Dan hoeft hij ook zijn weerstand niet meer te rationaliseren: ‘Ik hoop dat ik het niet vergeet, ik heb de laatste tijd zoveel aan m’n hoofd’ of ‘Ik weet niet of ik tijd heb, ik heb veel werk te doen’. Eenmaal bevrijd van zijn onbewuste associatie kan hij situaties waarin een beroep op hem wordt gedaan beter hanteren, wat zijn zelfvertrouwen en zijn sociale leven ten goede kan komen!   
        
Prestige van de rede
Als we de gevoelens waarop we onze keuzen hebben gevrijwaard van onbewuste en ongewenste associaties, zouden we daarmee kunnen ontsnappen uit de ‘kwebbeldoos’ van Lamme? Niet automatisch… niet als we onze ‘opgeschoonde’ gevoelens bedelven onder redelijke argumenten die bedoeld zijn om onze keuzen te onderbouwen.     
Dat we dat doen is misschien niet verwonderlijk, als we ons realiseren dat het prestige van de rede terug gaat tot Griekse filosofen als Socrates, Plato en Aristoteles. Ook in de middeleeuwen blijft de rede een grote rol spelen, waarbij men probeert het geloof en de rede met elkaar in overeenstemming te brengen. In de Renaissance maakt de rede zich los van het geloof om zich te verbinden met het opkomende humanisme. De rede is door de eeuwen heen belangrijk geweest en zij heeft ons ook veel gebracht! Zo stelde zij stelde ons in staat de causaliteit van de ‘meetbare en weegbare realiteit’ van Descartes te begrijpen en in wiskundige formules onder te brengen. Waarmee zij een essentieel deel van de wetenschap werd. Het prestige dat de ratio hierdoor heeft verworven zou kunnen verklaren dat we onze beslissingen graag rationeel willen verklaren.   
 
Gevoel voor het doel, rede voor de route
Binnen het perspectief van het existentialisme kunnen wij twee houdingen aannemen.
Bij de ene houding kunnen wij, op basis van het feit dat wij vrij zijn en niet opgaan in de wereld, daarop inwerken. Dit is een actieve houding die je ‘instrumenteel’ zou kunnen noemen. Bij deze houding steunen wij op de rede om de causaliteit van de ons omringende wereld te kunnen begrijpen. 
Bij de andere houding laten we, omgekeerd, de wereld op onszelf inwerken. Hier betekent onze vrijheid dat we openstaan voor wat er om ons heen gebeurt. Deze receptieve houding, waarbij we ons inlaten met de situatie, zou je ‘situationeel’ kunnen noemen. Bij deze houding gaat het om wat de omringende wereld, een landschap, een ruimte, een muziekstuk, met ons doet. Hier is juist het gevoel van groot belang.  
Beide houdingen, respectievelijk actief en receptief, veronderstellen elkaar, zij vormen een eenheid van wederzijdse implicatie en de ervaringen die zij met zich mee brengen zijn beide even ‘waar’. Er is geen grond waarop men zou kunnen beslissen dat de ene houding meer waarheid biedt dan de andere. (Philip Krabbendam ‘Betrokkenheid’ 2011)
Als we nu een beslissing nemen dan gaat het ons steeds om een situatie, waarbij we de situationele houding aannemen om te beoordelen welk gevoel of welke emoties mogelijke situaties bij ons teweegbrengen. Zo kunnen we bepalen ‘waar we heen willen’. Met andere woorden: ‘het doel is een gevoel’. Om dit doel te bereiken zullen we instrumenteel in actie moeten komen. Met andere woorden, ‘de rede is voor de route’.   
 
Verzekering
Bij de keuze van een verzekering speelt de rede een grote rol. Wat bieden verschillende maatschappijen voor diensten, en tegen welke kosten. Bekeken moet worden op welke diensten men mogelijk een beroep zal willen doen en welke diensten misschien gemist kunnen worden. Dat hangt dan weer af van de kans dat men er gebruik van zal moeten maken. En wat scheelt dat in de premie. Allemaal lusten en lasten, die samen de situatie uitmaken waarin men met een gerust hart kan leven zonder te hoeven vrezen dat diefstal of brand of ziekte onoverkomelijk zullen zijn, terwijl de opoffering voor deze rust, de premie, binnen de perken blijft.
Om deze situatie te bereiken moeten verzekeraars worden opgespoord, teksten gelezen, aanbiedingen gerubriceerd, kansen dat er iets mis gaat moeten worden geschat en er moet worden gekeken of de premie, ook voor eventuele aanvullende verzekeringen, daarmee in evenwicht zijn. Een tijdrovende en ingewikkelde procedure, met grote nadruk op de ratio.    
Men is geneigd bij het afsluiten van verzekeringen te denken aan rationele beslissingen (van de calculerende ‘homo economicus’), misschien vanwege de grote rol die de rede hier speelt en misschien ook vanwege het prestige dat de rede nog steeds geniet. Maar intussen heeft het gevoel hier het doel bepaald: een situatie waarin men gerust kan leven zonder dat daar teveel afbreuk aan wordt gedaan door een hoge premie.                 
 
Etentje
Er zijn ook beslissingen waarvoor geen uitgebreid beroep op de rede hoeft te worden gedaan. Wie gesteld is op een feestelijk etentje, en daarvoor wordt uitgenodigd, hoeft niet te plussen en te minnen, de route naar deze situatie is niet erg ingewikkeld. Men hoeft alleen te zien of de agenda het toelaat (rede), of de plaats bereikbaar is (rede) en of eventuele andere genodigden het etentje de moeite waard maken (gevoel). We zijn geneigd te denken dat we bij een dergelijke keuze alleen op het gevoel afgaan, maar ook hier speelt de rede een rol, al is het niet zo’n grote rol als bij het beoordelen van verzekeringen.    
 
           

Kiezen uit zich ontplooiende alternatieven
Meestal denken we bij het idee van de vrije keuze dat het gaat om keuzen uit een paar alternatieven. Uit mogelijkheid A, B of C. Maar het feit dat wij onszelf als ‘vrijheid’ kunnen definiëren houdt ook in dat we nieuwe kwaliteiten en nieuwe mogelijkheden in de wereld om ons heen kunnen ontdekken. Creativiteit is meegegeven in onze vrijheid. Dat betekent dat we als vrijheid niet alleen in staat zijn te kiezen uit vastgestelde alternatieven. Dat we vrij zijn betekent ook dat we nieuwe perspectieven kunnen ontdekken, waardoor we verschillende alternatieven op creatieve wijze kunnen bekijken en er nieuwe kwaliteiten in kunnen ontdekken, nieuwe mogelijkheden of nieuwe mogelijkheden voor de route er naartoe.
Zo kunnen alternatieven en hun bereikbaarheid, doel en route, zich door onze verbeeldingskracht ontplooien. Dit wordt vaak over het hoofd gezien, terwijl deze verbeeldingskracht misschien wel net zo belangrijk is als het vermogen om uit alternatieven te kiezen. Al moet gezegd worden dat we het wel tegenkomen in het spraakgebruik. Zo kunnen we van een alternatief zeggen: ‘Ik zie er wel wat in’, dan wel: ‘ik zie er geen gat in’ (geen opening, geen mogelijkheden). Het zou misschien interessant zijn om door hersenonderzoek te weten te komen welke delen van onze hersenen hierbij actief zijn en of deze gestimuleerd kunnen worden.
 
Neurofeedback
Door hersenonderzoekers als Lamme, die de menselijke vrijheid wat badinerend afdoen door te spreken over een ‘kwebbeldoos’, of diskwalificeren door deze voor te stellen als een ‘prettige illusie’ (Dick Swaab, ‘wij zijn ons brein’, 2010, p. 379 ) zouden wij ons kunnen laten verleiden tot een negatieve houding ten aanzien van hun vakgebied.

Maar dit vakgebied kan toch een grote bijdrage leveren aan het herstel, in geval van stress, depressie, geheugenverlies, gebrek aan motivatie, schizofrenie, chronische twijfel, of een gebrek aan empathie. 
(René Kahn, ‘Onze hersenen’, 2006) Waarmee de wereld weer meer toegankelijk wordt en minder bedreigend voor de menselijke vrijheid.   
In eerste instantie zijn we hierbij geneigd te denken aan de ontwikkeling van medicijnen en aan chirurgische ingrepen, maar het is gebleken dat wij ons ook op een andere manier op onze hersenen kunnen betrekken. Hier betreden we het terrein van de neurofeedback.

          
         Denk het vierkantje rood!
 
Hierbij kan gebruik worden gemaakt van een EEG of een MRI scan, waarbij de gemeten hersenactiviteit zichtbaar wordt gemaakt op een scherm. Bijvoorbeeld door een gekleurd vlakje dat blauw kleurt bij een lage activiteit en rood bij een hoge activiteit. Het blijkt nu dat wij door ons te concentreren de kleur kunnen veranderen, en zo kunnen we de hersenactiviteit verhogen of verlagen. Zo kan men de sterkte opvoeren van theta golven, die het werkgeheugen, remmingen en flexibiliteit stimuleren. (André Aleman, ‘Je brein de baas’, 2017, p. 105-107)    
Deze werkwijze kan bijvoorbeeld worden toegepast om depressies te bestrijden of het werkgeheugen te verbeteren. Het is echter nog te vroeg om te kunnen zeggen of deze verbeteringen blijvend zijn. (idem p. 116-117) Hoe ver zijn we hier af van het idee dat hersenprocessen onze keuzen bepalen… hier zijn de rollen omgedraaid!   
Misschien kan deze techniek ook worden toegepast om het creatieve proces bij het afwegen van ontplooiende alternatieven te bevorderen. Als de hersengebieden bekend zijn die hierbij een rol spelen.


            Conclusies

Concluderend kunnen we zeggen dat het perspectief van de existentiefilosofie de mogelijkheden biedt om de boodschappen van scientistische neurowetenschappers zo te begrijpen dat de vrije keuze niet uit het zicht verdwijnt.
 
Zo kan dit perspectief ons aansporen om de alarmerende uitkomst van het experiment van Benjamin Libet opnieuw te bekijken. Dan blijkt dat het aannemelijk is dat een gemeten bereidheidspotentiaal het gevolg moet zijn van een keuzemoment dat vooraf ging aan het experiment, het moment waarop de proefpersonen besloten eraan mee te doen. En dan is het moment van de keuze dat Libet heeft gevonden eigenlijk het moment dat de keuze tot uitvoering wordt gebracht: het ‘ja nu‘ moment.  
 
Voortredenerend op het idee van ‘veto’ dat Libet introduceerde, om de mogelijkheid van de vrije keuze te redden, kunnen we tot de conclusie komen dat de wil, als bewaker en ondersteuner, ervoor zorgt dat wij ons, ondanks tegenspoed of afleidingen, kunnen houden aan eenmaal gemaakte keuzen. Waarmee duidelijk is dat de wil zelf niet vrij is, zoals vaak wordt gedacht, maar in dienst van de vrije keuze.     
 
Ook de observatie van Victor Lamme, dat onbewuste associaties en processen in het brein ervoor zorgen dat we (bedenkelijke) besluiten nemen, die we vervolgens sanctioneren door middel van rationalisaties, kunnen we in een existentialistisch perspectief plaatsen. Namelijk door erop te wijzen dat wij de vrijheid hebben om ons te bevrijden van onbewuste associaties en processen door deze bewust te maken, door een gesprek of een therapie. Daarmee kunnen wij voorkomen dat wij onze keuzen rechtvaardigen door middel van rationalisaties, terwijl deze in werkelijkheid op hele andere gronden berusten dan we denken.
 
Uitgaande van het ‘niets’ en de vrijheid heb ik geprobeerd aannemelijk te maken dat bij een keuze het gevoel en de rede elk hun hun eigen rol spelen. Op grond hiervan kunnen we concluderen dat er nog steeds sprake kan zijn van rationalisaties, ook als we onze keuzen baseren op heldere en weloverwogen gevoelens, namelijk als we deze verantwoorden door alleen van de ratio gebruik te maken. Als we ‘redelijk’ proberen te zijn en daarbij uit het oog verliezen dat het gevoel het doel bepaalt, terwijl de rede het middel is om de route naar dit doel te bepalen.
 
Op basis van het ‘niets’ en de vrijheid kunnen wij ons ook realiseren dat de rol van onze vrijheid niet beperkt hoeft te blijven tot het beoordelen van alternatieven. Want onze vrijheid is niet alleen ‘aan het werk’ als we kiezen uit alternatieven, onze vrijheid maakt ook dat we creatief kunnen zijn bij het ontdekken of ontwikkelen, van mogelijkheden die in deze alternatieven vervat liggen, en van nieuwe wegen die ons daarheen kunnen leiden. Alternatieven kunnen zich ontplooien!     
 
Het scientisme van sommige hersenonderzoekers zou ons ertoe kunnen verleiden dit onderzoek te zien als een bedreiging van de menselijke vrijheid.
Maar er is ook ander hersenonderzoek dat de menselijke vrijheid juist wil bevorderen: door te onderzoeken hoe hersenfuncties gerepareerd kunnen worden of gestimuleerd, om daarmee de wereld waarin wij ons bewegen te ontdoen van valkuilen, mist, tegenwind, fata morgana’s of wilde bergstromen.  
Met als nieuwste variant de neurofeedback, waarbij hersenfuncties verbeterd kunnen worden door manipulatie van een afbeelding van deze functies op een scherm.  
 
Als we de uitkomsten van neurologisch onderzoek in het perspectief plaatsen van de existentiefilosofie, dan kunnen we het idee van de vrije keuze onversneden handhaven.  
Waarbij wij onderweg, bij wijze van bonus, nog het ‘ja nu’ moment, de ‘onvrije wil’, de samenhang tussen ‘doel en gevoel’ en ‘rede en route’, alsmede het idee van ‘zich ontplooiende alternatieven’ tegenkomen.  
Zo blijft de verantwoordelijkheid voor onze keuzen en daden bestaan, en daarmee het idee van aansprakelijkheid, terwijl we ook niet hoeven te vrezen dat zelfverwerkelijking, creativiteit, liefde, sociaal gedrag en een zinvol leven slechts effecten zijn van een illusie.




 

 
Geen reacties
Laat een reactie achter
* Naam
* Email (niet openbaar)
*
* Typ code over van afbeelding
* - Verplichte velden
 

Dit is een Herman Boots uit 2012