Beschouwelijkheden

December 1st, 2020

Hoe kunnen wij ons bewust zijn van de wereld? Het heeft een tijd geduurd voordat ik hier grip op kreeg: ons bewustzijn van de wereld is onverklaarbaar omdat alles wat we ter verklaring aan kunnen voeren, bestaat dankzij het nog te verklaren bewustzijn… Om niet in een tautologie terecht te komen moeten we wel concluderen: het bewustzijn is niet te verklaren. Uit niets!
Maar ‘ik’ ben degene die de wereld ervaart, dus nu kunnen we zeggen: ‘Ik’ ben me bewust van de wereld doordat ik ‘niets’ ben. Of anders gezegd: we onderscheiden de wereld van onszelf doordat en voorzover we ‘niet’ de wereld zijn.   
Wat onze creativiteit begrijpelijk maakt, want je kunt op zoveel manieren ‘niet’ de wereld zijn, lees: je kunt je op zoveel manieren bewust zijn van de dingen.
Dat we de wereld ‘niet’ zijn maakt ook onze vrijheid begrijpelijk, want hierdoor gaan we niet op in de wereld. We vallen niet samen met onze eigenschappen, zoals een bergbeek die zich onwetend van de rotsen stort. Wij kunnen ook andere wegen inslaan.  
Kom ik nu bij de vraag: hoe kunnen we nu als ‘niets’ invloed uitoefenen op de wereld om ons heen?  
 
Door de deurknop heen grijpen
Grijp je dan niet, als een spook, door de deurknop heen van de deur die je open wil doen. (Als je dat zou willen, want je kan gewoon door de deur heen lopen. Hoe spoken kans zien om op verlaten zolders voetstappen te produceren, of met deuren te piepen is me danook een raadsel)    
Hoe kunnen we een spier in beweging zetten als we als ‘niets’ geen grip hebben op de ‘schakelaars’ in onze hersenen?
Een vraag die niet eerder in me is opgekomen, hoe is het mogelijk, zo’n essentiële vraag! Want hoe kun je van het ‘niets’ uitgaan, en van het verwerkelijken van mogelijkheden, als je niet begrijpt hoe dat werkt. Heeft iemand daar ooit over gedacht en geschreven?    
 
Reflexen als gevolg van de situatie
Laten we eerst kijken naar hoe het bij dieren werkt, die niet over de vrijheid van het ‘niets’ beschikken. (Daar wordt overigens verschillend over gedacht) Stel dat een hond honger heeft, dan zal deze zich automatisch, als reflex, aangetrokken voelen tot wat eetbaar is en z’n neus achterna lopen. Een eekhoorn die door het bos loopt zal automatisch, als reflex, schrikken en er vandoor gaan als hij achter zich een geluid hoort. 
De situatie bepaalt de reflexen, wat dieren doen, eten, rennen of wat dan ook.
 
Reflexen door een ontworpen perspectief
Nu kunnen wij als bewuste wezens een perspectief ontwerpen, en daarmee de betekenis van een situatie. Hiermee kunnen we onze dierlijke reflexen in banen leiden. Als we voor een etentje zijn uitgenodigd, dan beschikken we over een situatie met een perspectief waarin de patattent langs de weg nauwelijks nog betekenis heeft. Onze reflexen staan nu afgesteld op het adres waar we uitgenodigd zijn. Nou vooruit, soms laten we ons tot een frietje verleiden, de reflexen die we van de dieren hebben geërfd zijn niet zomaar weg door een perspectief dat wij eroverheen hebben gelegd… 
Het idee dat we onze reflexen leiden door perspectieven zou dan ook moeten gelden als we bijvoorbeeld iets timmeren of een boterham smeren. Dat is even wennen... Maar misschien is het feit dat we, als we iets willen bereiken, het hebben over ‘focussen’ en ‘visualiseren’ een aanwijzing dat dit toch wel eens kan kloppen.    
  
Wie bestuurt wie?
Maar hoe kunnen we nu een perspectief ontwerpen? Kunnen wij als ‘niets’ het perspectief bepalen in een situatie waar we als ‘niets’ tegenover zijn gesteld? Kunnen we onszelf besturen?
Nu gaat het hier om de instrumentele houding waar ik opeens het probleem zie, maar eerder heb ik al aangenomen, bij de situationele houding, dat we onszelf als ‘niets’ kunnen besturen.
Dat we ons open kunnen stellen, of teveel af kunnen sluiten, dat dubbelzinnigheid kan helpen, of een grap. Allemaal manipulaties van onszelf als ‘niets’. Maar hoe kan dat eigenlijk?
 
Wat we doen en dat we dat doen
Kunnen we dit begrijpen als mogelijkheid die de ‘reflexiviteit’ ons biedt? Als we niet kijken naar ‘wat we doen’, maar naar ‘dat we dat doen’, dan komen we als ‘niets’ in beeld.
Maar op welk moment besluiten we dan over te gaan van het praktische irreflexieve, ‘wat we doen’ naar het beschouwelijke reflexieve ‘dat we dat doen’? Want als invloed op onszelf als ‘niets’ de reflexieve houding veronderstelt, het kijken naar ‘dat we dat doen’, hoe komen we daar dan, hoe komen we uit de irreflexieve houding van ‘wat we doen’?
 
Vastlopen
Om dit probleem op te lossen moeten we uitgaan van een automatisme, dat bijvoorbeeld optreedt als we vastlopen. In zo’n geval zijn we in staat om het perspectief van onze irreflexieve wereld, van ‘wat we doen’, kritisch te bekijken vanuit het hoger geleden ‘dat we dat doen’. Dan kunnen we onze middelen of werkwijze zo nodig aanpassen, door er als onbevangen ‘niets’ van alle kanten omheen te cirkelen, tot er iets opdoemt, uit het ‘niets’ dus, wat ons beter bevalt. Of misschien zien we dan, onverwacht, een ander doel verschijnen, dat ons beter bevalt, of dat bereikbaarder is. Mogelijk willen we het zoekproces wat helpen door te zoeken naar een geschikte metafoor, die dan opeens, weer uit het ‘niets’, kan verschijnen. En als dat allemaal niks wordt, dan besluiten dat we gewoon moeten doorzetten, hoewel, als we bij die gedachte opeens erg moe worden, dan is het misschien toch tijd om op te geven.
Dit geldt voor de instrumentele houding, waarin we iets proberen te realiseren, maar hoe kunnen we ons dat voorstellen bij de situationele houding, waar we ons receptief opstellen?
 
Verveeld raken
Ook hier kunnen we vanuit de ‘dat we dat doen’ houding het ‘wat we doen’ beoordelen en ook hier weer te proberen als onbevangen ‘niets’ te zien wat er nog meer mogelijk is, om onszelf in ‘wat we doen’ te instrueren waar op te letten, of om ons eenvoudigweg meer open te stellen. En hoe kunnen we hier dan op deze reflexieve houding terecht komen? Misschien door verveling, als we uitgekeken raken, of als we in verwarring raken en niet meer weten hoe te kijken of te luisteren. Dat is toch ook een soort vastlopen.    
 
Terug naar wat we doen
Maar hoe komen we dan weer terug in de ‘wat we doen’ modus? In het geval van de instrumentele houding misschien door de aantrekkingskracht van een nieuwe werkwijze of een nieuw doel dat we willen bereiken. Stel dat je, na je verveeld te hebben bij het ontwerpen van rijtjeswoningen, opeens een andere leefstijl ontdekt om vorm te geven.        
En hoe kom je terug in de situationele houding? Misschien uit pure nieuwsgierigheid, naar het effect van je bijgestelde ontvankelijkheid. Stel dat je je hebt voorgenomen belang te hechten aan dissonanten of verwijzingen naar het verleden. Wie weet welke ervaringen daar uit voort kunnen komen.
 
Opgetild tegen wil en dank
Bovenbeschreven overgangen kunnen makkelijk verstoord worden.
Wie druk aan het werk is, op het niveau van ‘wat we doen’ kan daaruit gehaald worden en opgetild naar ‘dat we dat doen’ als iemand hem of haar op de vingers gaat kijken. Of alles beter weet.
Dit opgetild worden kan een dwangmatig karakter krijgen als iemand onzeker is. Doe ik het wel goed? Wie dan toch doorgaat met ‘wat we doen’ zal een houterige indruk maken, ook op zichzelf. 
Ook bij situationele houding kun je uit je ‘wat we doen’ gehaald worden door stoorzenders, bijvoorbeeld als zij gaan voorzeggen hoe iets ervaren ‘moet’ worden. En ook hier kun je dan ongewild opstijgen naar ‘dat je dat doet’.
 
Onoptilbaar
Het omgekeerde is ook lastig, maar dan vooral voor anderen. Stel je voor iemand is bezig met iets te doen, instrumenteel, geheel in de sfeer van ‘wat we doen’, en het gaat niet goed. Sommige mensen zijn dan niet uit hun modus te krijgen, die hebben zich zo afgesloten voor commentaar en ‘op de vingers kijken’ dat ze van geen ophouden weten. Ze laten zich niet optillen tot het niveau van ‘dat we dat doen’ voor enige reflectie. Tot het mis gaat.
Ook in situationele houding kunnen mensen zich opsluiten in de sfeer van ‘wat we doen’, bijvoorbeeld als ze iets afkeuren of spannend vinden, waarbij ze niet zover te krijgen zijn daarop te reflecteren.        
 
Een vreemde plek
Toen ik eindelijk zover was, na veel onbegrip en verwarring, dat ik het ‘niets’ kon omarmen, moest ik dat wel voorzichtig brengen. Als ik het anderen hierover vertelde zag je ze al gauw vaag beginnen te kijken.
Nu heb ik dat nog erger gemaakt. Reflexen die worden getriggerd door perspectieven die door het ‘niets’ worden geschetst… Ik heb mezelf nu naar een wel hele vreemde plek gedacht, een plek waar ik schijn te wonen.
 
September 9th, 2020
Essay
 
 
 
Rara wie ben ik
 
A: Wat is het toch wonderlijk dat we gedachteloos zeggen ‘ik doe dit’ of ‘ik vind dat’. Probleemloos ook, tot je je afvraagt wat die ‘ik’ nu eigenlijk voor iets is. Daar heb ik een gedachtenexperiment voor: Stel je zegt ‘ik woon in een huis’ of ‘ik ben in Frankrijk geweest’, dan is het duidelijk dat je ‘ik’ iets anders is dan je huis of Frankrijk.         
Ben je dan je lichaam? Stel dan nu dat je zegt ‘dit is mijn arm’… ook dan is het meteen duidelijk dat de ‘ik’ die dat zegt niet hetzelfde is als je arm. Je weet dus ‘dit is mijn arm, maar ik ben niet m’n arm’. Zo ben je ook niet je maag, of je hoofd, of welk lichaamsdeel dan ook.
 
 

Dit is mijn arm, dat ben ‘ik’ niet
 
B: Je kunt dus zeggen dat wat je ook ervaart, of het nu de wereld om je heen is, of je eigen lichaam, wat je ook voelt, ruikt, proeft, hoort of ziet, je bént het niet.
 
A: Dat wou ik maar zeggen. Om het mooi te zeggen: We ervaren de wereld om ons heen,   anders gezegd, we onderscheiden de wereld van onszelf, omdat en voor zover wij die wereld ‘niet’ zijn.     
 
B: Wacht even, is dat wetenschappelijk bewezen? Dit klinkt toch wel een beetje tricky…
 
A: Klopt: we zijn gewend om dingen in positieve termen te definiëren. Aan de hand van afmetingen, gewicht en tijdsintervallen. Wetenschap. En dan zouden we ons ‘ik’, die essentiële factor in ons bestaan, die je niet weg kunt denken, zonder alles weg te denken, dan zouden we die ‘ík’ opeens definiëren als ‘niet dit en niet dat’, als ‘niets’…   
 
Niets
A: (vervolgt) Ik ben het met je eens, een ongemakkelijk begrip, zeker omdat we in de afgelopen eeuwen zo veel met de wetenschap in de weer zijn geweest en er zoveel aan te danken hebben. Maar het ‘niets’ is toch geen onbekende. Al eeuwen speelt het een grote rol in de oosterse filosofie en sinds de vorige eeuw ook meer en meer in het westen. Denk aan Heidegger, die sprak van het ‘Nichts’ en van Sartre, die sprak van het ‘néant’.    
 

Het ‘niets’, kijk, dat zit zo…
 
B: Wacht even, maar het is geen wetenschap.
 
A: Nou… pas op! Wil je je baseren op de wetenschap omdat dat deze benadering van de wereld betrouwbare kennis zou opleveren? Dan doe je een uitspraak die wetenschappelijk niet te bewijzen is. Ga maar na: een wetenschappelijk bewijs dat wetenschap betrouwbare kennis oplevert… dat is hetzelfde als ‘Wij van WC-eend adviseren WC-eend’! Wat je deed was een filosofische uitspraak, al was je dat niet van plan. Je was aan het filosoferen. Dan zeg ik, als je dan toch aan het filosoferen bent, waarom dan niet toch eens kijken naar wat het ‘niets’ kan betekenen?
 
De wereld
B: Goed, ik zal proberen mee te denken. Als het inderdaad zo is dat we de wereld onderscheiden van onszelf omdat en voor zover wij de wereld ‘niet’ zijn, kunnen we dan concluderen dat we zonder ‘wereld’ nergens zouden zijn?
A: Goed gezien. Er is sprake van een afhankelijkheid tussen onszelf als ‘niets’ en de wereld.
 
B: Ga verder. Wat kunnen we ons daarbij voorstellen?
 
A: Stel dat de wereld er elke dag geheel anders uitzag. Dat er geen lijn in te ontdekken viel. Hoe zouden we deze wereld dan kunnen onderscheiden van onszelf? Misschien als een kakofonie zonder aanknopingspunten. Of als een soort ‘white noise’. We zouden misschien niet verder komen dan deze leeg te ondergaan. 
Maar nu toont de wereld ons gelukkig vele herhalingen. Zo kunnen we patronen herkennen. En omdat die herhalingen niet steeds identiek zijn kunnen we ook veranderingen herkennen. Bijvoorbeeld: elke dag is het langer licht.    
 
Blind staren of dichten
B: Zo krijgen wij als ‘niets’ steeds de kans nieuwe dingen te ontdekken. Maar wat nou als de wereld uit pure herhalingen zou bestaan?     
 
A: Het lijkt me aannemelijk dat we dan ook niets meer zien. Want als de wereld een vast gegeven wordt, dan is daarmee indirect de manier waarop we de wereld ‘niet’ zijn, ons eigen ‘niets’, ook vast gezet. Dan zouden we kunnen spreken van een geestdodende wereld. Dan verliest de wereld zijn betekenis.  
 
  
Geestdodend en levendig
 
B: Wat betekent dat we een wereld die uitnodigt tot meerdere gezichtspunten ons als ‘niets’ activeert en tot leven wekt: zodat we kunnen spreken van een levendige wereld? 
 
A: Ik had het niet beter kunnen zeggen.
 
B: Maar wat nu als je je bewust afsluit voor veranderingen, voor andere mogelijkheden?  
 
A: Ook dan zul je je blind staren, maar dan ben je geestdodend door eigen toedoen. Wil je de wereld van jezelf kunnen onderscheiden, dan zul je jezelf als ‘niets’ de kans moeten geven. En dan komt je wereld tot leven. Dit kun je een dichterlijke houding noemen.    
  
Vrijheid    
A: (vervolgt) Dat we de wereld onderscheiden van onszelf, omdat en voor zover wij de wereld ‘niet’ zijn kun je ook anders zeggen: we vallen niet samen met de wereld, we gaan er niet in op zoals een bergstroom die met geweld tussen de rotsen door stroomt. Machtig, maar niet in staat om eens een andere loop te kiezen of eens even te stoppen.
 

Zal ik vandaag eens een half uurtje stoppen?
 
Door de afstand die we hebben tot de wereld kun je ook zeggen dat we ‘vrij’ zijn. Vrij om mogelijkheden te verwerkelijken die we als dichterlijk ‘niets’ hebben ontdekt. Zo kunnen we de mens ook als ‘vrijheid’ definiëren. Vrij om verschillende mogelijkheden te realiseren. Vrij om de wereld, en daarmee zichzelf, te ontwikkelen.
 
 
De wereld ontwikkelen
 
Anderen
B: Nu begrijp ik waarom het zo’n rommeltje is in de wereld. Als we allemaal ‘vrij’ zijn, leidt dat voortdurend tot botsingen!
 
A: Hoho, niet te snel! Want wat we denken of wat we doen, onze identiteit, is niet los te zien van anderen. Kan ik goed tekenen? Ben ik slecht in talen? Heb ik een slechtgeheugen? Kan ik goed met mensen omgaan? Probeer een eigenschap te vinden die niet relatief is ten opzichte van anderen.
Dat we dit al intuïtief aanvoelen, moge blijken uit het feit dat we graag iets voor anderen betekenen. Als zij mijn inbreng waarderen, dan ben ik goed bezig, dan heb ik een zeker belang, en wat is er mooier dan erkenning! Als het anderen niks kan schelen dan ga ik twijfelen, dan voel ik me misschien leeg en nutteloos.   
Je identiteit en de betekenis van wat je doet, zijn niet los te zien van anderen. Dus als je je eigen bestaan belangrijk vindt, dan is dat onmogelijk zonder het bestaan van anderen ook belangrijk te vinden.
 
B: Je eigen ‘vrijheid’ gaat hand in hand met de vrijheid van anderen. Wie een ander onder druk zet om zelf te kunnen schitteren, of om gevleid te worden, speelt vals.      
Als je jezelf als ‘vrijheid’ wil verwerkelijken, dan zul je ook de ander als ‘vrijheid’ moeten erkennen.
 
A: Zo zijn we niet allen gedoemd om zelf ‘vrij’ te zijn, zoals Sartre opmerkt, we zijn ook gedoemd de ander de kans te geven zich als ‘vrijheid’ te manifesteren. In theorie.
 
Samen
B: Kom ik toch terug op die voortdurende botsingen in de wereld. Uit de vrijheid van de één kan een plan of een perspectief ontspruiten dat botst op het plan dat ontsproten is uit de vrijheid van een ander.
 
A: Dat kan, maar als beiden ervan doordrongen zijn dat de vrijheid van de ander evengoed telt als de eigen vrijheid, dan zullen zij in gesprek gaan. Hierin zullen zij na elke toelichting en uitwerking van hun idee de ander vragend aankijken, en nieuwsgierig zijn naar wat het perspectief van de ander hier zou kunnen betekenen.
Zo zullen zij dan samen een nieuw perspectief ontwikkelen waar zij zich beiden in kunnen vinden. Een perspectief dat beter doordacht is dan de twee individuele perspectieven waar ze het gesprek mee begonnen.     
 
Nieuwsgierigheid Beleefdheid Eerlijkheid
B: Dat valt niet altijd mee! Serieus nemen wat de ander ‘als vrijheid’ heeft te melden. De ander kan geheel verschillende perspectieven tevoorschijn toveren, andere voorkeuren hebben en andere associaties bij dezelfde dingen of situaties.
 
A: Nou en of! Als je dat vergeet, kun je makkelijk verbaasd, afkeurend of zelfs woedend reageren, waarmee je de ander geen recht doet. Een zekere terughoudendheid en een flinke dosis nieuwsgierigheid kan hier wonderen doen. Als je dat niet op kunt brengen is beleefdheid ook een mogelijkheid, maar dat is toch meer een zacht stootkussen dan interesse.
 
B: Er zijn mensen die dat oneerlijk vinden. Die zeggen dan: ‘Ik zeg het maar eerlijk, maar ….’
 
A: En dan volgt vaak een onversneden afkeuring. Lekker duidelijk, dat wel, en het klinkt misschien nobel, want eerlijkheid is een deugd, maar vaak ontbreekt hier de interesse of nieuwsgierigheid. Zo krijgt de betreffende ‘ander’ een draai om de oren. Pijnlijk, al is het dan recht uit het hart van de eerlijke gever.           
 
Status
B: Nog een probleem: er zijn mensen die meer gewaardeerd worden dan anderen. Al is het maar op een specifiek gebied. Neem een arts, die wordt gewaardeerd om zijn kennis en vaardigheden als het gaat om gezondheid. Als ik nu met een arts in gesprek ben, en het gaat over medicijnen of medische ingrepen, dan legt zijn of haar mening meer gewicht in de schaal dan de mijne.
 
A: Klopt helemaal. Hetzelfde hebben we bij bestuurders, rock stars, wetenschappers, TV persoonlijkheden,  noem maar op, bij iedereen die bekend of beroemd is.  
Tegenover dergelijke glansrijke personen zijn we geneigd onze eigen perspectieven kleiner te maken. Terecht zijn als we ons op het gebied begeven waarop de ander specialist is, maar vaak worden we ook nog eens ‘kleintjes’ als we met mensen die een zekere status hebben over andere zaken spreken.
 
B: Soms wordt gezegd dat ze ‘altijd zo gewoon zijn gebleven’. Dan zou een gewoon gesprek mogelijk moeten zijn. Op basis van gelijkwaardigheid.
 

Altijd gewoon gebleven
 
Wat we doen en dat we dat doen
A: Er is nog een complicerende factor. Want we kunnen wel filosoferen over dat wij eigenlijk ‘niets’ of ‘vrijheid’ zijn, maar wat betekent dit nu voor hoe we ons in het dagelijks leven gedragen? Of voor hoe we de wereld en elkaar dat ervaren. In je dagelijks leven denk je niet aan jezelf als ‘niets’? Dat verschijnt pas als je nadenkt over wat je allemaal doet.
Toch loopt je ‘ik’ met je mee in wat je dagelijks doet. Als je zit te eten of de stoep veegt, weet je dat het niet een ander is die zit te eten of de stoep veegt. Je bent als ‘ik’  aanwezig zonder dat daar de nadruk op ligt. En daar kan iets mis gaan. Misschien doordat je als ‘ik’ impliciet aanwezig bent bij wat je doet, kun je er per ongeluk vanuit gaan dat je ‘ik’ beschreven kan worden in dezelfde concrete termen waarmee we de wereld van ons dagelijks leven proberen te vatten. Maar daarmee leggen we onszelf ongewild vast, en verliezen besef van ‘niets’ te zijn, of ‘vrijheid’. En daarmee is onze dichterlijkheid en de kans op ontwikkeling in het geding.           
 
Confrontaties
B: Dat zie je terug in confrontaties, waar je wel eens vergeet om elkaar als ‘vrijheid’ te erkennen. Om de wrijving te overwinnen kunnen we ons opstellen of onze ideeën en perspectieven vastgelegd zijn en deze als stenen op de tafel te gooien. Zo zit het en zo moet het. Love it or leave it. Maar deze stenen zijn zo dood zijn als een pier. Dit laat zien dat de stenengooier, misschien wel tegen beter weten in, indirect ook zichzelf heeft vastgelegd. Dat hij of zij vervolgens probeert de stenen steeds meer gewicht te geven kan voortkomen uit het betekenisverlies dat door het vastleggen is ontstaan.       
 
A: Sartre heeft ook een variant geïntroduceerd: de filosofie van ‘de blik’. Hierin wil hij aannemelijk maken dat alleen al de blik van ‘de ander’ dodelijk is. Als voorbeeld gebruikt hij iemand die betrapt wordt als hij door een sleutelgat staat te loeren. Logisch dat je dan verlamd raakt en je gereduceerd voelt tot een object in de wereld van de ander. Sartre doet echter net of we altijd worden verlamd onder de blik van een ander.  
 

Pas op dat je niet betrapt wordt!
 
Zo vereenzelvigde Sartre de blik van ‘de ander’ met een bestraffende of ‘hatelijke blik’. En hij had het niet over de mogelijkheid en het stimulerende effect van de liefdevolle blik…    
  
Slinksheden
B: Zo weet ik er nog een geniepige: de ‘ruitenwissermethode’. Hierbij laat je de tegenstander rustig alles uitleggen, en vervolgens spreek je het niet tegen, je zet gewoon je eigen standpunt ervoor in de plaats. Ongemerkt veeg je de ander tafel. Dit werkt het beste als je veel ‘status’ weet te suggereren (Ik ben een autoriteit op dat gebied, wist je dat niet, nou nou, dat valt me toch wel een beetje tegen.) De ander zal terugkomen, en misschien serieus reageren, maar dat hoeft geen gewicht in de schaal te leggen als je volhoudt om je eigen  standpunt als ruitenwisser te gebruiken. Als de ander geïrriteerd raakt, dan verwijt je hem of haar: ‘Hela, je wordt emotioneel’.    
A: weet ik er ook nog een: je kunt het idee of plan van de tegenstander saboteren door het uit te vergroten en vervolgens rustig uit te leggen dat zoiets niet haalbaar is, niet realistisch.  
 
B: Op een film zag ik een hele subtiele manier om je gesprekspartner annex tegenstander ongemerkt te ondergraven. Een directeur werd boos op zijn ondergeschikte omdat deze een opmerking van hem bevestigde met ‘indeed’. ‘Don’t you indeed me’ was zijn woedende reactie. Wat gebeurde hier: zijn ondergeschikte suggereerde met zijn ‘inderdaad’ dat hij al op de hoogte was van wat de baas hem net vertelde en dat de baas dus ‘inderdaad’ gelijk had. Zo had hij de baas geplaatst binnen het eigen perspectief.


Don’t you indeed me!
 
A: Nog een: je kunt het standpunt of de bewering van je gesprekspartner afronden met een slotopmerking. Ook dan heb je hem opgenomen in je eigen perspectief, ingepakt als het ware. Om je actie veilig te stellen verdient het aanbeveling om meteen over iets anders te beginnen, of beter, om het gesprek een wending te geven. Bijvoorbeeld door een nieuw feit te introduceren.
 
B: En wat denk je hiervan: Je kunt het ook idee van de ander ook koloniseren. Je neemt het over en geeft er een eigen draai aan. Misschien door het als onderbouwing te gebruiken voor je eigen perspectief.
 
A: Misschien is dit ook een goeie. Ooit las ik dat iemand steevast antwoordt gaf in de vorm van een verhaaltje. Op de vraag van een architect aan de opdrachtgever wat deze zou willen beschrijft deze een woning in houtbouw, een beschrijving van wat daar allemaal interessant aan is. De architect moet uit deze beschrijving proberen te concluderen wat de opdrachtgever eigenlijk wil. ‘Bedoel je soms dat we op houtbouw moeten overgaan?’ Dan kan de opdrachtgever doorgaan over een woning die hij heeft gezien, waarin op alle verdiepingen badkamers waren aangebracht. ‘Bedoel je soms dat we meerdere badkamers moeten ontwerpen… in hout?’ 
Als je verwarring sticht, ben je zelf de aangewezen persoon om dat recht te zetten. In je eigen perspectief! ‘Nou, dat bedoel ik niet, maar ik was laatst in een huis, en daar hadden ze … ‘   
 
Uitzichtloos leven
B: Dat mensen zichzelf niet als ‘niets’ of als ‘vrijheid’ zien, beperkt hun vermogen om dingen in een ander licht te zien, in een ander perspectief te plaatsen. Dit kan leiden tot problematische contacten met ‘anderen’, het kan ook leiden tot een wat je met enige overdrijving een uitzichtloos leven zou kunnen noemen. Dodelijk saai. Door de heersende manier waarop wij over onszelf denken, namelijk in concrete termen, is dit gevaar vrij algemeen en uit het zich op verschillende manieren.       
 
A: Je bedoelt zoals mensen die uren over hun vakantiebelevenissen praten, of over wat ze allemaal op hun werk doen, of met hun kinderen, allemaal beschrijvend. En zonder dat er ooit een perspectiefwisseling komt, of een vraag die een nieuw licht op de zaak werpt.
 

En het gaat maar door
 
B: Ouders op het schoolplein. Het lijkt wel of ze eerder steun of bevestiging bij elkaar zoeken, dan dat zij op avontuur gaan in hun ervaringen, met de nodige dichterlijkheid.
 
A: En juist door van zichzelf als ‘vrijheid’ weg te lopen veroorzaken ze dat hun ervaringen vervlakken en aan betekenis verliezen. Dat verklaart misschien de steun die zij bij elkaar zoeken.     
 
B: Een andere manier om beschrijvend en concreet te blijven is het opwerpen van logistieke puzzels. Bij alles wat ik vandaag nog moet doen vraag ik me af hoe ik dat vervoertechnisch oplos. Rekening houdend met tijden dat ik ergens moet zijn, ontmoetingen, reistijden en mogelijke wachttijden. Dit lijkt dynamisch, omdat het over bewegingen gaat, maar op het vlak van de vrijheid gebeurt er niets. Dodelijk! Geen dichterlijkheid, geen nieuwe inzichten.   
 
A: Als een ‘dichterlijke’ levens houding betekent dat je nuances kunt aanbrengen door van kijkrichting te veranderen, nieuwe verbanden te leggen, bijvoorbeeld door verschillende associaties te proberen, dan gaat deze levenshouding gepaard met een zekere gevoeligheid voor nuances.   
Maar gevoeligheid kan ook concreet genomen worden, denk aan de prinses op de erwt. Ze is een hoogstaand wezen, een prinses, en waar blijkt dat uit? Uit haar gevoeligheid. Maar pas op, dit is een hele concrete gevoeligheid die niks met dichterlijkheid te maken heeft. Ze is geen dichteres die in hoger sferen verkeert, ze is allergisch voor minimale ongerechtigheden.
 
B: Een sprookje natuurlijk, maar niet een denkbeeldig probleem. Je kent ze wel, mensen die zich erop laten voorstaan dat zij een bakker hebben gevonden ‘die de lekkerste broodjes’ bakt. Of opscheppen over de speciale wijn die ze in Frankrijk halen, bij een speciaal adresje, met net de juiste smaak. Allemaal concreet en kwantitatief. Niet de gevoeligheid die meekomt aan dichterlijkheid.        
 

Van een speciaal adresje in Frankrijk
 
A: Heidegger had ook een mooie: mensen zouden over het algemeen denken zoals ‘men’ denkt. Maar daarmee spreken zij niet uit als ‘vrijheid’ en verliezen zij de dichterlijkheid en de kans op ontwikkeling. Misschien in een poging zich te verbergen in sociaal wenselijk gedrag.
 
B: Als mensen zichzelf proberen te begrijpen in termen van concrete feiten of processen, dan kan er, als zij in gesprek gaan met elkaar, toch wel eens een soort dichterlijkheid of avontuur ontstaan. Maar pas op, niet zelden komt dit neer op een soort gesteggel over feiten. Over hoe het nu precies zat. En over wie wat gezegd heeft. Even lijkt het misschien op levendigheid, net als het oplossen van logistieke puzzels, maar het komt niet verder, er ontstaat geen nieuw perspectief. 
 
A: De tegenstelling tussen dichterlijkheid en concreetheid kom je ook tegen in het verschil tussen welzijn en welvaart, en jezelf ontwikkelen en overleven.    
 
B: Nu moet ik toch zeggen dat ‘dichterlijkheid’ wat theatraal begint te klinken. Zeker na het ‘niets’ en het idee dat we dit ook ‘vrijheid’ kunnen noemen. Misschien dat je ook kunt denken aan verstrooidheid. Of humor. Alle gemoedstoestanden waarin kansen liggen voor het doorbreken van zekerheden en het openen van nieuwe mogelijkheden. Voor het besef dat je nooit weet waar je niet aan gedacht hebt, wat een aanmoediging is tot openheid.
 
Vermoorde onschuld en ventdetta
A: Allemaal problemen die voortkomen uit het feit dat we gewend zijn om te denken in termen van processen. Ik weet nog een probleem, van een iets ander kaliber.
Het was geloof ik Brecht die zei: ‘Erst kommt dass Fressen, und dann kommt die Moral’. Eerder had Maslow een piramide geschetst met onderin lagere behoeften, zoals voedsel en onderdak, en in de top onze hogere, zoals zelfontplooiing en zingeving. De mens zou pas aan de hogere behoeften toe kunnen komen als de lagere veilig gesteld waren. Later heeft hij dat herroepen, en misschien was dat wel terecht, want vaak zie je dat beide niveaus, de top en de basis van de piramide beide actief zijn. En een tegenstelling vormen. Met als gevolg dat iemand die hevig verliefd is, (basis) zich misschien zal laten verleiden tot het goedpraten of niet opmerken van enkele problemen die samenhangen met de zelfontplooiing (top) van zijn of haar beoogde geliefde.    
 
B: Als je daarop let zie je zulke dubbelzinnigheden op veel plaatsen. Zo hebben ook bedrijven een drive: zij willen groeien om te overleven. Maar tegelijkertijd willen zij de consument tevreden stellen. Erkennen als mens, als ‘vrijheid’, en niet als wandelende portemonnee. Hoe kunnen ze die twee invalshoeken verenigen? Niet zelden wordt de consument zogenaamd te vriend gehouden, terwijl deze intussen schaamteloos wordt verleid en gemanipuleerd met reclame, omwille van de groei van het bedrijf, die (achter de coulissen) toch echt voorop staat. Beide invalshoeken worden in schijn verenigd, de dubbelzinnigheid wordt gemaskeerd. Als consument voel je hier misschien nattigheid, maar je weet niet zeker of dat terecht is.
 
A: Een sterke drive kun je verwachten uit de basis van de piramide, waar het over overleving gaat, maar gek genoeg kan zo’n drive ook voortkomen uit de hogere regionen van de piramide, op het moment dat overleving ook daar een rol is gaan spelen. Met de bijbehorende dubbelzinnigheid. Zoals bij een kunstenaar die kunst maakt om beroemd te worden, of bij een zakenman die president wil worden om z’n ego te strelen. Voor beiden een vorm om te overleven. Maar is die kunstenaar nu authentiek kunst aan het maken of is hij bezig z’n publiek te bedienen om maar beroemd te worden. En die president, is hij er nu voor zijn kiezers, of is hij alleen bezig zichzelf als held te profileren. Drives uit de top van de piramide die evengoed verwarrende dubbelzinnigheden kunnen oproepen…   
 
B: Drives, ze kunnen storend optreden, misschien is het daarom dat mensen ze proberen te vermommen, om ze in te passen in een verhaal waarin de vrijheid van de ander niet wordt misbruikt, gemanipuleerd of onderdrukt.
Zo kan een bankdirecteur uit de bancaire graaicultuur beweren dat de beloning die hij of zij krijgt van de bank ‘marktconform’ is, en dat daardoor de beste krachten aan de top komen bij het bankwezen. Wat dan weer in het algemeen belang is.
 
A: Als iemand daar tegenin gaat, zal deze directeur dat als een persoonlijke, onterechte aanval interpreteren. En daarmee zijn de rollen omgekeerd: het is de criticus die nu de vrijheid van de bankdirecteur wil beknotten. Onterecht natuurlijk, althans in de interpretatie van de bankdirecteur, die klaar staat de vermoorde onschuld te spelen. Zijn integriteit wordt aangetast, hij is ‘beschadigd’, en heeft zo’n grote verantwoordelijkheid en hij werkt zo hard!
 
B: Waarbij je ziet dat respect voor elkaars vrijheid het uitgangspunt is. En misschien gelooft zo’n directeur in z’n eigen mystificatie…
 
A: Een gevaar dat een terechte verdediging van de vrijheid van de 99% wordt gezien als een aanval op de vrijheid wordt gezien op de vrijheid van de 1%.
 
B: De vermoorde onschuld… Als zo’n aantasting van de vrijheid van de andere partij werkelijk onbewust is, en de partij die zich benadeeld voelt tot sancties overgaat zal de onbewuste ‘overtreder’ dat natuurlijk onterecht vinden. Ook een partij die weet dat zij de vrijheid van de andere partij aantast, en speelt dat zij van niets weet, kan op dezelfde manier reageren. Sancties van de benadeelde partij zullen dan oprecht of gespeeld als onterecht worden aangemerkt. En misschien als reden om ook tot sancties over te gaan. Waarop partijen elkaar de schuld geven te zijn begonnen en beide menen dat hun sancties terecht zijn. Vendetta tot in de eeuwigheid.                             
 
Nou jij weer… en dan ik weer
A: Als het waar is dat wij als ‘vrijheid’ met elkaar verbonden zijn, en dat wij ons daardoor een idee kunnen vormen van onze identiteit, dan kunnen we wel zeggen dat hier nog wel iets te verbeteren valt…  
Omdat we het vaak al moeilijk vinden onszelf als ‘vrijheid’ te zien. Maar ook omdat de erkenning van elkaar als ‘vrijheid’ vaak spaak loopt op verschil in inzicht, gebrek aan nieuwsgierigheid en beleefdheid, misbruik van status, waarbij we onszelf al of niet door onderlinge strijd, vastzetten en ‘dood’ definiëren.
 
B: En nu dus ook eens door dubbelzinnigheden die ontstaan door gemystificeerde zelfzuchtige drives. Je kunt wel stellen dat de ideeën over onszelf waarschijnlijk behoorlijk gemankeerd zijn, en dat we daardoor voor een groot deel zijn aangewezen op wat we zelf hebben bedacht over onszelf en de anderen... dat we dus grotendeels in een illusie leven. Dus vraag ik me af wat onze hele gedachtewisseling eigenlijk waard is!
Nou jij weer…. En dan ik weer!
 
A: Als ik je goed begrijp, dan is ook jouw vraag over wat onze gedachtewisseling waard is gebaseerd op een illusie. Wat is dan de waarde ervan? Moeten we ons er iets van aantrekken?
 
B: Eh….. eh… goeie! Nog koffie?   
  
Flip Krabbendam okt. 2020


 
Maart 30th, 2020
Een existentialistische benadering met de nadruk op wederkerigheid
 
Flip Krabbendam      Maart 2020

For the English version see:  https://www.academia.edu/43712409/The_return_of_philosophy_as_a_basis_for_social_change_An_attempt_An_existentialist_approach_with_an_emphasis_on_reciprocity  
 
 
Inleiding
Filosofie speelde een belangrijke rol in het Europa van vlak na de Tweede Wereldoorlog. Vooral het thema vrijheid stond hierbij op de voorgrond. Vrijheid, niet alleen op het werk, maar ook in het privéleven. De ideeën van filosofen als Karl Marx en Jean-Paul Sartre konden mensen steunen als zij veranderingen op deze gebieden wilden. Deze ontwikkeling kwam tot bloei in de zestiger en zeventiger jaren, de tijd waarin een tegencultuur ontstond die naast bovengenoemde filosofen ook steun vond bij de negentiende-eeuwse anarchisten en bijvoorbeeld bij Herbert Marcuse.
Eind zeventiger jaren kwam er een ommekeer. Filosofen als Jacques Derrida, de zogenaamde ‘postmodernisten’, begonnen wat zij noemden de ‘grote verhalen’, zoals het socialisme en het communisme, te ‘deconstrueren’, te relativeren. Dit zou goed geweest zijn om het dogmatisme te bestrijden, dat in deze ‘grote verhalen’ was binnen geslopen, maar het ging verder. Zoals Jean Francios Lyotard, ook een exponent van het postmodernisme, het formuleerde, het ging erom de ‘grote verhalen’ te vervangen door een veelheid aan ‘kleine verhalen’. Hiermee werd niet alleen dogmatisme bestreden, zo werd ook de filosofische steun voor maatschappelijke bevrijdingsbewegingen ondergraven.
Deze verandering ging hand in hand met de opkomst van het ‘neoliberalisme’. Een opvatting over economie die niet veel verschilde van het kapitalisme, maar deze term was inmiddels expliciet in verband was gebracht met uitbuiting en consumentisme. Daarom spraken voorstanders van het neoliberalisme liever van een ‘vrije markt economie’, waarin de ‘vrije markt’ ervoor zou zorgen dat ieder het zijne of het hare kreeg. Hiertoe moest de overheid terugtreden, om geen storende factor te zijn.      
Intussen is duidelijk dat deze oude economische ideeën in hun nieuwe jasje nog steeds veel problemen gaven. En de teruggetreden overheid ving dat niet op. Zo kwam er minder geld voor onderwijs, ouderenzorg, de GGZ, de politie, de rechterlijke macht en intussen groeide de kloof tussen arm en rijk, terwijl het aantal daklozen toenam.
In veel oude wijken neemt men nu het lot in eigen hand en zo zijn hier bijvoorbeeld voedselbanken, kringloopwinkels en buurtwerkplaatsen ontstaan.    
Helaas lijkt de filosofie hier niet veel steun te bieden. Filosofen lijken nog niet voldoende hersteld van de postmodernistisch ‘deconstructie’.
In dit essay wil ik een voorstel doen voor een nieuwe filosofische benadering, die inzicht zou kunnen bieden in de problemen van het neoliberalisme en mogelijke oplossingen kan ondersteunen. 
Voor de onderbouwing hiervan, wil ik beginnen met een stukje geschiedenis over het streven naar vrijheid, zoals dat na de tweede wereldoorlog begint.
 
Het streven naar vrijheid na de Tweede Wereldoorlog
In veel landen van Europa waren het de kunstenaars die zich in hun werk wilden bevrijden van conventies en waarbij zij het belang van spontaniteit benadrukte. Zo zien we in Nederland het utopisch project ‘New Babylon’ van Constant Nieuwenhuys. Hij ontwierp een wereld waarin je op avontuur kon gaan en ronddwalen, waar iedereen kon spelen omdat al het werk door robots zou worden gedaan.



Constant Nieuwenhuys en een deel van zijn ‘New Babylon’ in ca 1959
 
Later voegde hij zich bij een groep kunstenaars in Parijs: de ‘Situationisten’. Een groep die was geinspireerd door Guy Debord, die stelde dat de maatschappij eigenlijk een ‘spektakelmaatschappij’ was, waarin de consument werd bestookt met reclames, waarin een wereld geschetst werd, een ‘spektakel’, dat de aandacht afleidde van wat men zelf wilde. Als men uit zou kunnen gaan van de authentieke verlangens van de consument dan zou deze van het leven een kunst kunnen maken. De ‘Situationisten’ zijn ook bekend geworden door hun ‘dérives’, dwaaltochten waarin zij steden opnieuw wilden verkennen en beleven. Voor een dwaaltocht werd het aanbevolen te beginnen met een aantal glazen wijn, en om zich te oriënteren op de kaart van een andere stad.  



Onder het plaveisel: het strand
 
Aan het einde van de zestiger jaren kwamen overal in Europa studenten in opstand. Zij hadden kritiek op het onderwijs, waar te weinig vrijheid was, maar hun kritiek betrok zich ook op de maatschappij: op de uitbuiting van arbeiders in fabrieken en op het beperkende burgerlijke leven in de privésfeer.
Aan de hand van Marx veroordeelde men de uitbuiting van arbeiders, terwijl zij van de negentiende eeuwse anarchisten het idee overnamen om in kleine gemeenschappen te leven en te werken, zonder gezagsverhoudingen.  
De filosofie van Sartre kon helpen, niet alleen om uitbuiting van arbeiders te veroordelen maar ook om zich te bevrijden van de beperktheid van het burgerlijke leven in de privésfeer en ook relaties daarbuiten aan te gaan. Een manier van leven waarvan Sartre en zijn levensgezellin, Simone de Beauvoir het voorbeeld gaven.     
 
Intussen groeide het besef dat een objectieve, aan de wetenschap gerelateerde manier om de wereld, en elkaar, te bekijken eenzijdig was. Namelijk behorend tot de technocratie, waarin de mens gereduceerd werd tot een object. Wie zich daarvan wilde bevrijden, kon andere manieren van ervaren de kans geven, door authentiek te zijn, om te ontdekken dat de menselijke ervaring iets wonderlijks was, mysterieus, onverklaarbaar. Want hoe zou je ooit je ervaring kunnen verklaren… feiten die je ontleende aan de ervaring waren immers uitgesloten.      
Voor dit soort overwegingen kon men te rade gaan bij Martin Heidegger. In zijn filosofie speelde vrijheid ook een belangrijke rol, maar voor hem ging het er niet om actief te zijn, zoals bij Sartre, maar om ontvankelijkheid. Voor een authentieke ervaring was ‘Seinlassen’ essentieel, men moest de wereld ‘laten zijn’ en zich openstellen voor wat zich aandiende, vrij van vooropgezetheden, vrij van de druk van ‘Wissenwollen’. 1) Nu verdiepte niet iedereen zich in het moeilijk leesbare werk van Heidegger. Velen wendden zich tot oosterse filosofieën die een vergelijkbare benadering boden en een vergelijkbare ervaring: hier kon men leren hoe meditatie kon bijdragen aan een open, onbevooroordeelde houding tegenover de wereld.
Zo kon men zich, aan de hand van Heidegger of met behulp van Oosterse filosofie, verwonderen over de geheimzinnigheid van onze ervaring en daarmee van ons bestaan. 
 
Er waren lokale verschillen. In Frankrijk stelde Herbert Marcuse dat onze vrijheid in het consumentisme werd geïnterpreteerd als keuzevrijheid. Door de nadruk hierop te leggen werden uitbuiting in het bedrijfsleven en onvrijheid in onze privélevens gemaskeerd. Hij sprak van ‘Repressieve tolerantie’.
In West-Duitsland gingen sommigen in hun kritiek op de uitbuiting van werknemers zover dat zij geweld gerechtvaardigd achtten. Hier ontstond de Rote Armee Fraction, (RAF) die aanslagen pleegde en zelfs een hooggeplaatste persoon uit de industrie ontvoerde en om het leven bracht.       
 
Heel anders was de sfeer in Engeland, waar de Beatles, de Stones en een hele serie bands meer dan een decennium lang inspirerende, bevrijdende, popmuziek maakten; muziek die hele nieuwe werelden liet zien. Een illustratie van het idee dat nieuwe ervaringen mogelijk waren, en dat die wonderlijk, zo niet betoverend, of in het jargon van de tijd, ‘te gek’ konden zijn.    
Ook op het gebied van comedy was men in Engeland actief, zo was Monty-Python’s Flying Circus’ een programma dat velen inspireerde om hun vrijheid op te eisen en te ervaren.
Intussen gingen jongeren steeds meer hun eigen mode maken, wat leidde tot een crisis in de modewereld en de gevestigde kledingindustrie. Modewinkels gingen failliet en de ‘Evening Standard’ in 1972 meldde dat de redactie besloten had om geen aandacht meer te besteden aan de nieuwe Parijse zomercollecties.
 
            ‘We zullen geen tijd meer spenderen aan de begrafenisriten van een ten dode opgeschreven instituut’. 2)
 
In de Verenigde Staten probeerde de regering, na de Tweede Wereldoorlog, het leven van de Amerikanen in goede banen te leiden. Gewaarschuwd door wat er in Duitsland was gebeurd, richtte men in honderden steden zogenaamde ‘Guidance Centers’ op, in eerste instantie voor de opvang van teruggekeerde militairen die getraumatiseerd waren.
Men trok dit door naar de opvoeding van alle Amerikanen, met als doel dat deze alle duistere emoties, die in het onderbewuste zouden leven, konden controleren, om zich zo te kunnen passen aan de ‘realiteit’ van de Amerikaanse samenleving. Een benadering die was gebaseerd op de ideeën van Anna Freud. 3)



Een Guidance Center, hier in Shawnee
 
Het bedrijfsleven sloot hierbij aan door producten op de markt te brengen die appelleerden aan het gelukkige gezinsleven. Zo hoopten zij hun imago te verbeteren dat ernstig had geleden onder de crash van de dertiger jaren, waar zij door het Amerikaanse volk verantwoordelijk voor werden gehouden. Ook wilden zij hiermee het overheidsingrijpen van de New Deal politiek terugdraaien. Deze politiek was ingezet door Franklin Roosevelt, die grote overheidsprojecten had opgezet ten behoeve van de werkvoorziening, waarbij hij ook het oprichten en lid worden van vakbonden had gefaciliteerd.



Reclame voor bier, met een televisie, een mooie keuken en een lieve vrouw, geluk alom... wat opvalt is dat vrouwen in reclames vaak geportretteerd werden in de traditionele vrouwenrol. Hier: met dienblad en in keuken. En gelukkig glimlachend  
 
Begrijpelijk dat deze door overheid en bedrijfsleven ‘geprefabriceerde’ blijheid niet door iedereen werd gewaardeerd. Ook hier verschenen kunstenaars die op zoek waren naar vrijheid en authenticiteit, die geïnteresseerd waren in Oosterse filosofie en experimenteerden met hun ervaring door middel van drugs. (De zogenaamde ‘beatgeneration’) We zien hier een verschil met Europa, waar men zich afkeerde van een technocratische, aan de wetenschap ontleende manier van kijken naar de wereld en naar elkaar. In de VS keerde men zich af van de kunstmatige positiviteit van de ervaring. En van de ‘plastic people’ (namaak mensen) die hierin leken te geloven.    
Zo ontstond in de VS een tegencultuur van jongeren, hippies, die zich van de kunstmatigheid wilden bevrijden, om te streven naar een meer authentiek leven, waarin popmuziek, oosterse filosofie, meditatie, drugs en vrije relaties een belangrijke rol speelden. Vaak probeerden zij ‘off the grid’ te leven, buiten de steden, waar zij, soms letterlijk, hun eigen wereld bouwden.



Zelfgebouwde groepswoning van het collectief ‘Renaissance’ nabij Turner Falls, Massachusetts VS (1983)
 
Ook in de Europa keerden velen zich af van de maatschappij, op zoek naar vrijheid en authenticiteit, waarbij ook weer popmuziek, meditatie, drugs en vrije relaties een grote rol speelden. Zo had zich een groep van ca 1000 ‘alternatievelingen’ de ‘Vrijstaat Christiania’ uitgeroepen op de verlaten en daarna gekraakte vestingwerken van Kopenhagen.     



‘Woodstock cafe’ in de ‘Vrijstaat Christiania’ in 1975    
 
Twee vormen van vrijheid
In het hiervoor geschetste streven naar vrijheid kunnen we twee richtingen onderscheiden. Enerzijds wil men zich bevrijden van de onderdrukking in de werksituatie en van de beperkingen van een burgerlijk leven in de privésfeer.     
Anderzijds wilde men zich openstellen voor het wonderlijke, onherleidbare, karakter van de ervaring. Reden voor velen om naar muziek te luisteren en cannabis te roken, om de eigen authentieke ervaring te versterken en te verruimen, en het wonderlijke van ons leven nog eens uit te vergroten. ‘Te gek’ was niet voor niks een stopwoord! Opvallend hierbij was dat persoonlijke ervaringen niet leidden tot een individueel, geïsoleerd bestaan. Cannabis roken deed men niet alleen. Een ‘joint’, de naam zegt al genoeg, die deelde men. Vrienden of gelijkgestemden waren essentieel, het ging om een gemeenschappelijk avontuur, waarin de deelnemers elkaar konden inspireren bij het ondergaan van het mysterie van de ervaring.  
Bovengenoemde twee vormen van vrijheid zouden in het tachtiger jaren worden ‘vertaald’ naar een nieuwe opvatting over de maatschappij.   
    
Vertalingen
Deze nieuwe opvatting hangt samen met de terugkeer van het kapitalisme. Het was Ronald Reagan die een terugtredende overheid propageerde en een versterking van de macht van het bedrijfsleven. De VS verkeerde in een economische crisis, en volgens Reagan vormde de overheid hier eerder het probleem dan dat zij voor een oplossing kon zorgen. Daarom zou de overheid terug moeten treden, om het economisch krachtenspel de vrije hand te geven. En alles zou goed komen. En zo kwam het kapitalisme terug, maar onder een andere naam, namelijk als ‘neoliberalisme’. Een naam die niet beladen was met connotaties als ‘uitbuiting’, ‘winststreven’, ‘misère van de werkende klasse’ of ‘extreme rijkdom van de heersende klasse’. In het verhaal zoals het nu verteld werd stond de ‘vrije markt’ centraal. Als iedereen nu maar voor zijn eigen belang zou opkomen, dan zou deze ‘vrije markt’ ervoor zorgen dat ieder ook het zijne of het hare kreeg.
In Engeland was het Margaret Thatcher die na verkozen te zijn tot eerste minister, dezelfde boodschap uitdroeg. Dat het bij het neoliberalisme ging om ‘ieder voor zich’ bracht zij als volgt tot uitdrukking: ‘There’s no such thing as society’.
Het was in deze tijd dat het ‘postmodernisme’ het toneel betrad. Een stroming waarin filosofen begonnen met het ‘deconstrueren’ van wat de ‘grote verhalen’ werden genoemd, het communisme en het socialisme. Een belangrijke exponent van deze stroming was de eerdergenoemde filosoof Jaques Derrida, die zich had laten inspireren door de linguïstiek van Ferdinand de Saussure. Deze laatste had opgemerkt dat elk woord (signe) dat men in de taal of een tekst gebruikt, steeds zijn betekenis ontleent aan het objecten of proces (signifié) waar het naar verwijst. Dit terwijl zij van een totaal andere orde zijn. Het woord ‘boom’ staat los van een echte boom zoals we die in het bos aantreffen. Dit inzicht paste Derrida toe op de ons omringende wereld, waarbij hij stelde dat alle objecten in deze wereld naar andere objecten konden verwijzen als woorden in een tekst. En vervolgens stelde hij dat er niets buiten deze tekst bestond. ‘Il ný a pas de hors-texte’ 4) De wereld zag er nu uit als een groot woordenboek waarin alleen woorden voorkwamen die naar elkaar verwezen, en waaruit de werkelijke wereld verdwenen was. Nu kunnen woorden op vele manieren naar elkaar verwijzen. Een kar op het erf van een boer verwijst naar de boer, naar de oogst, stallen, het paard, naar de dierenarts, de wagenmaker en naar de weg die overal naartoe kan leiden. Doordat steeds vele verwijzingen mogelijk zijn kan men een ‘tekst’ altijd relativeren, of ‘deconstrueren’. En daarmee is elk standpunt ongegrond en arbitrair geworden. (Had een zenmeester dit gehoord dan had hij Derrida misschien een steen naar het hoofd willen gooien…)           
In deze benadering van de filosofie konden initiatieven waarin het om vrijheid ging geen inhoudelijke steun vinden.        
 
En zo was de weg vrij voor de neoliberale opvatting, waarin het bedrijfsleven de leidende rol kreeg toebedeeld en de overheid terugtrad. 
Bij deze transitie, or come back, wilde het bedrijfsleven wel graag weten met welk aanbod zij konden aansluiten bij de recente ontwikkelingen, bij het streven naar vrijheid en de authentieke ervaring.
Om hier achter te komen werd in de VS een uitgebreide enquête gehouden door het Stanford Research Institute, dat eerder onderzoek had gedaan voor het bedrijfsleven en de staat. In dit zogenaamde ‘Psychological Values Research Program’ onderzochten zij de waarden en behoeften van de consument. 5)
 
Hier werden patronen zichtbaar die stonden voor verschillende ‘leefstijlen’ die verrassend genoeg onafhankelijk bleken te zijn van de sociale gelaagdheid van de maatschappij. Een nieuwe invalshoek! Nu kon het bedrijfsleven producten aanbieden die aansloten bij de waarden en behoeften van de verschillende leefstijlen.      
Nu kon het streven naar vrijheid worden gekoppeld aan het kopen van bepaalde producten. Wie authentiek en zichzelf wilde zijn werd gesuggereerd een bepaald merk jeans te kopen. En zo werd de vrijheid om het eigen leven vorm te geven vertaald in keuzevrijheid. Over verzet tegen de onvrijheid en uitbuiting in de werkomgeving werd niet meer gesproken. De nieuwe leus was: ‘Succes is een keuze’. Iedereen kon het maken, en wie in miserabele omstandigheden verkeerde, met drie baantjes om het hoofd boven water te houden, had dat aan zichzelf te danken.  
Ook de interesse in authentieke, nieuwe, ervaringen werd vertaald. De beleveniseconomie deed z’n intrede. Pleitbezorgers, of goeroes van deze nieuwe benadering waren Pine &  Gilmore. Zij schreven een enthousiast boek over de mogelijkheden van deze nieuwe benadering onder de titel: ‘De beleveniseconomie, werk is theater en elke onderneming creëert zijn eigen podium’. 6) Wat eerder in themaparken gebeurde breidde zich nu uit over de rest van de wereld. Het kopen van producten en diensten was ouderwets geworden. Men kon nu ook, door zogenaamde ‘imagineers’ ontworpen, ervaringen kopen. Zoals een ‘outdoor experience’ of een maaltijdbelevenis, compleet met toneelstukjes door het personeel. En een fiets werd verkocht als een fietsbelevenis.   
Ook de architectuur werd in de sfeer van de belevenis getrokken Zo stichtte Disney het stadje ‘Celebration’ in Florida.  
Hier werd de spektakelmaatschappij van Debord een stap verder gebracht. Consumenten werden niet meer geconfronteerd met voorstellingen, in reclames, die zij konden proberen na te spelen, zij waren nu zelf op het toneel gezet, voorzien van de juiste decors en een thema om op te improviseren.



Celebration in Florida, projectontwikkelaar: Disney!
 
Het thema in Celebration sprak voor zich: het gelukkige Amerikaanse leven van weleer. Ter ondersteuning van dit thema had Disney gezorgd voor een dik pak regels waar iedereen zich aan diende te houden. De lengte van het gras, de hoogte van de heg, wat er in het raam stond, hoe lang een auto voor de deur mocht staan, alles was geregeld, zodat het decor zijn uitstraling bleef behouden.
Ook in Europa drong het spel binnen in het dagelijks leven. Filosoof Jean Baudrillard stelde in 1996: ‘The New World Order is in a Disney mode’, waarin de realiteit is omgevormd tot een attractie. Hij voorspelde dat deze ‘mode’ zich zou ontwikkelen tot wat hij de ‘hyperrealiteit’ noemde, een schijnwereld waarin uiteindelijk niets meer betekenis zou hebben, de postmodernistische leegte. 7) Een alarmerende observatie, maar volgens Baudrillard, die zelf een exponent was van het postmodernistische benadering, was dit een onontkoombare ontwikkeling. Waarop hij zich ging wijden aan de fotografie, waarin hij de postmodernistische leegte tot uitdrukking probeerde te brengen.       


Foto: Jean Baudrillard 1990 
 
Lost in translation
De vrijheid om het eigen leven vorm te geven, door onze eigen, authentieke, keuzes te maken ging in de vertaling verloren, we waren weer terug bij af, bij de keuzevrijheid, en de repressieve tolerantie’ waar Marcuse voor had gewaarschuwd.  
Verder leek verzet tegen uitbuiting te zijn gesneuveld. Nu succes een keuze was, was alleen de werknemer verantwoordelijk voor zijn of haar maatschappelijke en financiële situatie. Volgens de Koreaans-Duitse filosoof Byung-Chul-Han betekent dit dat het ‘prestatiesubject’ geen externe autoriteit meer heeft waartegen het in opstand kan komen. Die autoriteit, de werkgever is er nog steeds, maar blijft buiten schot. Hij kan zich in deze situatie zelfs veroorloven om werknemers als flexwerkers in te huren. 8) Inmiddels werkt een derde van de werknemers als flexwerkers. 9)
Waarbij een deel meerdere baantjes nodig heeft om rond te kunnen komen. Een situatie die zorgt voor veel emotionele stoornissen, zoals burn-out, depressie en aandachtstoornissen.
 
Intussen heeft het neoliberale idee over vrijheid zich niet alleen gevestigd in de werksituatie, het heeft ook effect op ons leven in de openbare ruimte. Als vrijheid betekent dat iedereen voor zichzelf opkomt, want ‘there is no such thing as society’, dan kun je verwachten dat  het gevoel van bij elkaar te horen verdwijnt en dat het ‘ieder voor zich’ en de agressie ook hier toenemen. Vooral in het ‘niemandsland’ van de grootschalige anonieme delen van de openbare ruimte.



Agressie in niemandsland
 
Verder hoeft het ons niet te verbazen dat het ‘ieder voor zich’ van het neoliberale wereldbeeld effect heeft gehad op het leven in de privésfeer. Dat word nu eerder ervaren als een veilige plek dan als een beperkende burgerlijke situatie. Hier uit breken en experimenten met relaties buiten deze sfeer liggen niet meer voor de hand.     
Wat ook verdwenen lijkt te zijn is het besef van de geheimzinnigheid en de onverklaarbaarheid van onze ervaring, onze existentiële verwondering, en de neiging dit te zien als een gemeenschappelijk avontuur. Hiervoor in de plaats kwamen door professionals, ‘imagineers’, ontworpen ervaringen die ons door de beleveniseconomie werden aangeboden. 
 
Meer verliezen
Een ander gevolg van de stelling dat er niets zoiets als een samenleving bestaat, en de nadruk op individuele belangen, zijn problemen met sociale voorzieningen. Te weinig middelen voor het onderwijs, de ouderenzorg, de GGZ, de politie en de rechterlijke macht. En door het ‘ieder voor zich’ kon er ook een groeiende de kloof tussen arm en rijk ontstaan, waarbij het aantal daklozen toenam.




Intussen zetten bedrijven in de neoliberale economie elkaar aan tot voortdurende groei, om zo de competitie voor te blijven. Wat het nodig maakt de verkoop te stimuleren door een alomtegenwoordige reclame, waarbij zij zich niet schamen om op slimme wijze gebruik te maken van data die worden ontleend aan ons internetgebruik. Deze voortdurende groei vindt plaats in een omgeving die niet mee kan groeien, de aarde, die intussen wordt beroofd van haar natuurlijke hulpbronnen en meer en meer vervuild raakt. Ook een gevolg van de noodzaak om concurrerend te blijven: beroven en vervuilen is meestal goedkoper dan ‘zorgen voor’.  
Autocoureurs remmen zo laat mogelijk als zij een bocht naderen. Maar in de economie is het niet duidelijk waar de ‘bocht’ zich bevindt, en wie te vroeg remt, verliest. Een moeilijk probleem voor wie ‘in de race’ is, maar wie zegt dat we van onze economie een race moeten maken? Dit is een levensgevaarlijk concept, een ‘accident waiting to happen’!  
Het lijkt erop dat de ernst van deze situatie nog niet overal doordringt. Mogelijk is door de nadruk op de attractie en het spel, onze authentieke ervaring aangetast door de ‘hyperrealiteit’ van Baudrillard, waardoor de gevaren die meekomen aan de neoliberale economie met moeite tot ons doordringen.
 
Einde van de geschiedenis?
Het lijkt hoog tijd om het neoliberalisme ook als ‘groot verhaal’ te deconstrueren. Maar de manier waarop dit grote verhaal gepresenteerd wordt, maakt dat moeilijk. Filosoof Francis Fukuyama heeft deze opvatting over productie en consumptie ooit omschreven als logische einduitkomst van de geschiedenis, nu uiteindelijk behoefte, rede en thymos (‘drive’) met elkaar in evenwicht zijn gekomen. 10) Fukuyama is intussen van zijn standpunt teruggekomen.     
Onafhankelijk daarvan hebben degenen die het eerst de dupe werden van de het neoliberalisme de handen ineen geslagen om het hoofd te bieden aan de ontstane problemen. Door voorzieningen op te zetten als voedselbanken, kringloopwinkels, een kledingbibliotheek, weggeefwinkels en buurtwerkplaatsen, vaak in de vorm van een coöperatie.




Degenen die niet wilden wachten tot de economie van de ‘vrije markt’ zou ‘remmen voor de bocht’ om op grote schaal schone energie aan te gaan bieden, hebben het lot in eigen hand genomen door eigen, kleinschalige en duurzame energievoorzieningen op te zetten. Om lange aanvoerlijnen te bekorten is men op verschillende plaatsen overgegaan tot stadslandbouw. Het idee van de ‘Transition Towns’.
 
Nieuwe filosofie gevraagd 
In welk filosofisch perspectief zouden wij de ontstane alternatieven kunnen plaatsen om te zien of zij bijdragen aan een verbetering van de zorgwekkende toestand waarin het marktdenken ons gebracht heeft?    
Nu het postmodernistische filosofie gekenmerkt wordt door ‘deconstructie’, is hier weinig steun te verwachten. Maar we zouden de draad weer op kunnen pakken en kijken naar de filosofische bagage uit de zestiger en zeventiger jaren, en dan met name naar het existentiefilosofie van Sartre en Heidegger, omdat ‘vrijheid’ en ‘authenticiteit’ hier een prominente rol spelen.
 
Nu zijn er grote verschillen tussen beide filosofen, maar zijn toch karakteriseren zij beiden het bestaan van de mens als ‘existentie’. Dit betekent dat zij ervan uitgaan dat de mens als subject begrepen kan worden als ex-sistit, als ‘buiten de wereld’ geplaatst, als ‘niet de wereld’ 11) of als ‘Niets’. Heidegger spreekt hier van het ‘Nichts’ en Sartre van het ‘néant’. Ik zou dit als volgt willen vertalen: de mens onderscheidt zich van de wereld en de wereld van zichzelf omdat, en voorzover hij de wereld ‘niet’ is. In meer alledaagse termen kan men zeggen dat de mens de wereld ervaart omdat en voorzover hij ‘vrij’ is. Omdat deze term beter aansluit bij het eerste deel van dit essay, en ook bij ons dagelijks spraakgebruik, zal ik naar deze, nu verdiepte, term terugkeren als het gaat over hoe wij de wereld ervaren.                   
Voor een zekere strakheid in m’n betoog zal ik de oosterse filosofieën, die in de periode waar we hier naar kijken ook belangrijk waren voor de het streven naar vrijheid en authenticiteit, hier buiten beschouwing laten. (Waarbij ik wil opmerken dat we niet bang hoeven te zijn dat deze inspiratie geheel verloren gaat, als we ons realiseren dat Heidegger zich door het zen- boeddhisme en het taoïsme heeft laten inspireren.)
      
Terug naar de term ‘vrijheid’. Als wij ons bij het ervaren laten leiden door vooropgezetheden, dan stellen we eigenlijk een herinnering of een verwachting in de plaats van de echte, of authentieke ervaring. Zowel Heidegger als Sartre leggen de nadruk op de authenticiteit van de ervaring. Waar Heidegger, zoals we eerder gezien hebben, zich uitspreekt voor een receptieve houding, waarin men zonder ‘wissenwollen’ de wereld op zich moet laten inwerken, daar benoemt Sartre een aantal vormen van een inauthentieke houding die hij afkeurt. Zo spreekt hij van ‘schoften’ als mensen zich het gewicht geven van een ding, en zich presenteren als noodzakelijkheid. Zij ontkennen hun vrijheid. Daarnaast spreekt Sartre van ‘lafaards’ in het geval dat mensen hun authentieke ervaringen voor zichzelf verbergen en nalaten daar conclusies uit te trekken. Schoften en lafaards miskennen wat ze in essentie zijn: vrij.                  
 
Maar als ‘vrijheid’ essentieel is voor ons bestaan, hoe verhouden wij ons dan tot elkaar, tot andere ‘vrijheden’? Niet zelden gaat de vrijheid van de één ten koste van de vrijheid van de ander. Het is niet altijd gemakkelijk om ervoor te zorgen dat ieders ‘vrijheid’ gerespecteerd wordt.    
Hoe moeilijk het ook kan zijn, het belang van de erkenning van ‘de ander’ als ‘vrijheid’ wordt duidelijk als we ons realiseren dat wat wij zelf zijn, als individu, gebaseerd is op onze relaties met ‘de ander’ of meer in het algemeen met ‘anderen’.
Ben ik groot of klein, slim of dom, gevoelig voor muziek, een smulpaap, beleefd, grappig of saai, kan ik goed koken, ben ik goed in talen…. Ook de betekenis van wat ik doe of nalaat heeft een betekenis die niet los kan worden gezien van wat ‘de ander’ daarvan vindt. Zo speelt ‘de ander’ een essentiële rol in wie wij zelf zijn, als individuele ‘vrijheid’. Er is dus sprake van een wederkerigheid tussen de eigen vrijheid en de vrijheid van ‘de ander’. Essentieel  hierbij is dat wij ‘de ander’ ook echt vrij laten in zijn of haar oordeel, in pogingen je te begrijpen, of te helpen. 12) Afdwingen of manipuleren van de ‘de ander’ komt neer op vals spelen. 
 
Nu kennen we van Sartre de uitspraak ‘de hel dat zijn de anderen’, een uitspraak die voorkomt in zijn eenakter ‘Huis Clos’ en ook zijn ‘filosofie van de blik’ uit ‘L’être et le Néant’ liegt er niet om. We zouden hieruit kunnen concluderen dat hij bij ‘de ander’ als ‘vrijheid’ in de eerste plaats denkt aan het conflict. Aan pogingen elkaars vrijheid te niet te doen.    
Dat hij toch stond voor de vrijheid in algemene zin wordt geïllustreerd door zijn vele openbare protesten als het ging om uitbuiting van werknemers of onderdrukking van bevolkingsgroepen. Simone de Beauvoir heeft ooit verklaard dat het uitgesloten was dat Sartre werkelijk meende dat de mens niets anders was dan een ‘barbaar en een moordenaar’. 13)
Maar het garanderen van de vrijheid van ‘de ander’ kan een moeilijke opgave zijn, met alle complicaties, frustraties en manipulaties van dien. Misschien is dit wat Sartre heeft willen illustreren met zijn ‘filosofie van de blik’ en in ‘Huis Clos’.
 
Ook bij Heidegger kunnen we aanwijzingen vinden die wijzen in de richting van het idee dat ’de ander’ een essentiële rol speelt in het leven van ieder individu. Hij stelde dat het bestaan van het individu ondenkbaar zou zijn zonder het bestaan van ‘de ander’ te vooronderstellen. Zoals ouders, vrienden of leerkrachten, en in het verlengde daarvan de wereld zoals die door eerdere generaties aan ons is doorgegeven. Hij sprak in dit verband over ‘Mitsein’. Daarbij, en daar gaat het hier om, worden wij ook gevormd door dagelijkse onderlinge contacten. Dat deze essentieel zijn, leidde Heidegger af uit het feit dat we ons eenzaam kunnen voelen, een staat van zijn die hij zag dit als een gemankeerde vorm van Mitsein. 14)   
En net als Sartre wees Heidegger erop dat relaties met ‘de ander’ niet zonder problemen zijn. In zijn lezing wordt dit veroorzaakt doordat wij geneigd zijn ons te conformeren aan wat ‘men’ doet en wat ‘men’ denkt. Hiermee miskennen we onszelf en anderen als ‘vrijheid’, waardoor de ontmoeting bemoeilijkt wordt.       

Wederkerigheid  
Er is dus sprake van een wederkerigheid tussen onszelf en ‘de anderen’ waaruit we kunnen begrijpen dat we niet alleen ‘gedoemd’ zijn (om met Sartre te spreken) om zelf ‘vrij’ te zijn, we zijn evengoed gedoemd om ‘de ander’ is als ‘vrijheid’ te erkennen. 
Deze conclusie kunnen we op de volgende manier concreet maken: ieder individu heeft een sociale context nodig. Als we eisen zouden willen stellen aan deze context dan kunnen we zeggen dat deze niet te groot moet zijn. In een groep van 1000 personen komt het individu niet meer tot zijn recht. Het ligt hier voor de hand om voor een kleine groep te kiezen. Voor velen is dit het gezin. Het zou ook een woongroep kunnen zijn van 5 tot 10 personen. Maar dan hebben we een nieuw probleem: ook deze kleine groep heeft een sociale context nodig, die weer niet te groot is… Dit kan een groep medebewoners van een hofje zijn, of van een straat; een sociale eenheid die vervolgens weer is opgenomen in de context van het sociale leven in een buurt, dat weer is opgenomen in het sociale leven van een wijk, enz.
We zien hier een stedenbouwkundige opzet die al lang bestaat, namelijk een reeks van ruimtelijke schaalniveaus die een thuis kan zijn voor een reeks van sociale schaalniveaus. Nu is het van belang dat het sociale leven ook inderdaad vorm krijgt in deze ruimtelijke reeks (wat, zoals we al hebben geconstateerd, niet altijd even goed uit de verf komt). Dit sociale leven kan ontstaan doordat men ruimten deelt en misschien onderhoudt en ook door feestelijke manifestaties of toevallige ontmoetingen op de verschillende niveaus.       
Het belang van ‘de ander’ en het respect voor ‘de ander’ als ‘vrijheid’ wijst dus in de richting van een reeks van ruimtelijke schaalniveaus, die volgens beproefd recept, onderdak biedt aan een reeks van sociale schaalniveaus.

Nog een wederkerigheid
Wat in het bovenstaande nog niet aan de orde is geweest, is het onderscheid dat kan worden gemaakt tussen de receptieve houding  en de actieve houding. Onderscheid tussen ‘hoe ervaar ik m’n situatie’ en ‘wat doe ik daarmee’. In het eerste geval laat men de omgeving op zich inwerken, in het tweede geval werkt men zelf op de omgeving in. Het gaat hier dus weer om een wederkerigheid, maar nu niet tussen het individu en ‘anderen’ maar tussen twee houdingen. Deze wederkerigheid maakt een wisselwerking mogelijk. Wie zich op basis van de receptieve houding open stelt voor de omgeving, ziet daarin misschien mogelijkheden, misschien verbeterpunten. Vervolgens kan men, actief, aan de slag gaan deze verbeteringen door te voeren. Nadat op deze manier een nieuwe situatie is ontwikkeld kan men weer de receptieve houding aannemen om te zien hoe deze bevalt. Waarop zich weer nieuwe mogelijkheden aandienen die vervolgens weer verwerkelijkt kunnen worden.
In deze wisselwerking worden steeds de wensen (ten aanzien van de situatie) geconfronteerd met de mogelijkheden (als het gaat om realisatie). Een confrontatie waar niet zelden iets onverwachts, iets nieuws uit tevoorschijn komt. Een creatief proces dat iets van onze gedeelde existentiële verwondering terug zou kunnen brengen. 15)  
 
We hebben gezien hoe in de zestiger en zeventiger jaren gestreefd werd naar twee vormen van vrijheid. Bij de eerste vorm, waar het ging om acties, in de werksituatie of in de privésituatie, was men bij Sartre aan het juiste adres.
Voor de tweede vorm, waar het ging om het ondergaan, het ‘Seinlassen’ van de ervaring, op de verwondering over de geheimzinnige en onverklaarbare manier waarop wij onze wereld ervaren, kon men terecht bij Heidegger.     
Nu werd er wel gediscussieerd welke vorm van vrijheid belangrijker was, maar nu kunnen we beide verenigen in een wederkerigheid.
Door de wisselwerking die hieruit kan ontstaan zouden gebruikers meer kunnen worden gehoord, in plaats van gemanipuleerd te worden door reclames, terwijl aan de andere kant de betrokkenheid van producenten kan worden vergroot, omdat zij hun motivatie niet meer alleen aan de winst en groei van het bedrijf hoeven te ontlenen, maar vooral aan dat zij weten voor wie ze het doen.
 
Toegepast
Op grond van bovenstaande overwegingen beschikken we nu over twee invalshoeken waarmee we de verschillende initiatieven kunnen beoordelen, die bewoners van buurten en wijken hebben genomen, om de problemen van het neoliberalisme het hoofd te bieden (of om het hoofd boven water te houden). Te weten:  
  1) de reeks van ruimtelijke en sociale schaalniveaus  
2) de wisselwerking tussen makers en gebruikers      
Kijken we nu naar initiatieven als een voedselbank, een buurtwerkplaats, een weggeefwinkel, een kringloopwinkel, een kledingbibliotheek, stadslandbouw en kleinschalige duurzame energievoorzieningen, dan kunnen we, met de maatschappijkritische filosofen waar we in de zestiger en zeventiger jaren aan refereerden, al iets zeggen over de vrijheid van de deelnemers om hun eigen weg uit te stippelen, over gelijkwaardigheid in de samenwerking en over het vermijden van de uitbuiting die we kennen uit het ‘officiële’ productieproces.
Maar voor een verder gaande analyse kunnen we gebruik maken van de hierboven ontwikkelde invalshoeken.    
 
  1. De reeks van ruimtelijke en sociale schaalniveaus.
In een neoliberale maatschappij, waar het ‘ieder voor zich’ geldt, lijkt een sociale context overbodig. Daarmee lijkt het ontbreken van sociale structuren in stedelijke gebieden geen probleem te zijn. Maar als we beseffen dat een sociale context essentieel is voor wie we zijn, voor onze identiteit, dan begrijpen we dat mensen in een anonieme buitenwijk houvast missen, onzeker worden en zich onveilig voelen. Een gevoel dat misschien versterkt wordt door het betekenisverlies dat het effect is van de belevingseconomie. En dat zij zich dan misschien, om te overleven, agressief gedragen.      
Kijken we naar buurten en wijken waar bewoners diverse voorzieningen hebben opgezet, dan kunnen we aannemen dat hier ook sprake is van een sociaal leven. En daarmee een sociale context. Daarom verdienen deze initiatieven het te worden ondersteund, waarbij het belangrijk is om de samenhang in de reeks te bewaren, en te streven naar een verdeling van initiatieven over de verschillende ruimtelijke niveaus zoals de straat, de buurt, de wijk en de stad.
Hiermee kan men ook de beperktheid van de privésfeer doorbreken, er zijn nu immers mogelijkheden voor sociale contacten, direct al buiten de voordeur, op het niveau van de straat. 
De laatste tijd zien we een opleving in het ontstaan van woongemeenschappen, waarin de sociale context nog iets dichter naar het leven in de privésfeer wordt gebracht. Nu denkt men bij deze vorm van wonen vaak aan vrije relaties, maar de praktijk leert dat men de beperkingen van het wonen in de privésfeer ook kan doorbreken zonder vrije relaties (en de complicaties die daar gewoonlijk aan mee komen).
       
Bij het ontwerpen of uitwerken van een reeks van schaalniveaus zal moeten worden gekeken naar de mogelijkheden die besloten liggen in de ruimtelijke niveaus Zijn deze herkenbaar? De volgende vraag is welke activiteiten en voorzieningen zijn hier geschikt of gewenst. En waar kunnen deze een plaats vinden? Mogelijk zullen ontwerpers nodig zijn om hier een bijdrage te leveren, in samenwerking met de nodige specialisten.



Het niveau van de straat
 
  1. De wisselwerking tussen makers en gebruikers.
Nu we het belang inzien van de wisselwerking tussen makers en gebruikers, producenten en consumenten, kunnen we opmerken dat er van deze wisselwerking in de neoliberale maatschappij geen sprake is. Voor producenten zijn consumenten een onzekere factor, doordat zij vrij zijn om, geheel volgens het concept van de vrije markt, overal te gaan kijken, bij verschillende producenten en om te gaan voor de beste deal.
Daardoor zijn producenten op zichzelf aangewezen, waardoor het niet meer dan logisch is dat zij erop uit zijn hun positie te verstevigen, en dat kan door ‘groot en sterk’ te worden, door te groeien en de concurrentie voor te blijven. Dit is waarom de economie een race is geworden. En een dure race, vanwege het streven naar de laagste prijs, dat wijst in de richting van het uitputten en vervuilen van de aarde. En zo is het duidelijk dat het concept van het neoliberalisme en de vrije markt levensgevaarlijk is, en een ‘accident waiting to happen’.
Niet alleen voor de aarde, maar ook voor de consument, die hier middel is geworden in de overlevingsstrategie van producenten en geen doel. In hun gevecht om te overleven bombarderen producenten de consument voortdurend met reclame. Maar daardoor worden de werkelijke behoeften van consumenten overschaduwd. Zeker als de identiteit van de consument al zwak staat, door een geïsoleerde positie in een anonieme woonomgeving, en mogelijk ook door de invloed van ‘hyperrealiteit’ waarin dingen hun betekenis dreigen te verliezen.
 
Als in de wisselwerking tussen makers en gebruikers wordt stilgestaan bij wat gebruikers werkelijk wensen, waarbij ze niet worden opgejaagd door reclameboodschappen, en niet worden ondermijnd door een gevoel van leegte door identiteitsverlies en betekenisverlies, dan vinden zij mogelijk minder aanleiding om zich over zich er te geven aan het consumeren van steeds meer goederen, diensten en belevenissen. Zo kan ook de betrokkenheid van de gebruiker ertoe leiden dat er minder geproduceerd wordt.
De wisselwerking tussen makers en gebruikers kan dus leiden tot motivatie bij de makers en tevredenheid bij de gebruikers, terwijl tegelijkertijd de druk op de natuurlijke hulpbronnen en de vervuiling kan afnemen. Enerzijds omdat producenten elkaar niet meer aanzetten tot groei, om de concurrentie te overleven, en anderzijds omdat consumenten minder de noodzaak voelen om de consumptie op te voeren, op het moment dat zij niet meer worden opgejaagd door commercials of geplaagd door een gevoel van leegte.
Als bewoners op alle ruimtelijke en sociale schaalniveaus op de omgeving en op elkaar betrokken zijn, hoeft de openbare ruimte geen niemandsland meer te zijn, en op het moment dat de dreiging van het ‘ieder voor zich’ hier is verlaten hoeft men zich hier ook minder zorgen te maken over mogelijke agressie.   
 
Bij de initiatieven van bewoners in verschillende wijken en buurten, denk aan de genoemde voedselbanken, kringloopwinkels, een kledingbibliotheek, weggeefwinkels,  buurtwerkplaatsen en stadslandbouw, zal er in de meeste gevallen sprake zijn van een wisselwerking, van overleg tussen makers en gebruikers, tussen de werkgroepjes en de bewoners waar zij zich voor inzetten. Daarom verdient het aanbeveling om deze initiatieven te steunen. Ook hier kunnen ontwerpers en diverse specialisten een bijdrage leveren. Met hen kunnen bewoners beslissen wat er op lagere niveaus kan worden geproduceerd, en welke oude dan wel nieuwe productiewijzen hier een rol kunnen spelen, van metselen tot 3D printen.
Bijkomend voordeel van de samenwerking tussen makers en gebruikers is dat hierdoor ook het sociale leven op de verschillende niveaus kan worden verrijkt en bevorderd.   
Voor de juridische vormgeving kan hier de zogenaamde ‘gemengde coöperatie’ uitkomst bieden, omdat hierin zowel de werkgroepjes, de makers, zijn vertegenwoordigd, als de bewoners in hun rol als gebruiker. Waarbij beide partijen evenveel zetels in het bestuur hebben, zodat de noch de makers, noch de gebruikers kunnen overheersen.


Steun hoeft niet beperkt te blijven tot de lagere niveaus van straten, buurten of wijken. Ook het niveau van de stad kan serieus in overweging worden genomen, gezien de ervaringen van de talloze zogenaamde ‘Transformative Cities’ waar diensten aan burgers die de stad eerder had uitbesteed aan de ‘vrije markt’ weer ter hand worden genomen door de gemeente, waardoor de burger, via de democratie, weer meer zeggenschap krijgt over de kwaliteit en uitvoering van deze diensten. 16)
En misschien dat het mogelijk is om op steeds hogere niveaus, nationaal en internationaal, een vorm van wisselwerking tussen producent en consument te introduceren. Het ligt voor de hand dat meningsvorming en besluitvorming over wat nodig is van meer algemene aard zal zijn. Het antwoord van producenten zou kunnen zijn dat zij halfproducten leveren die op de lagere niveaus kunnen worden afgemaakt op basis van de verschillende wensen en behoeften die daar leven. 
  
Conclusie
Zo kunnen we zien dat het belangrijk is om de reeks van ruimtelijke en sociale schaalniveaus, en de initiatieven van bewoners daarin, te verstevigen, omwille van de identiteit van bewoners, en ter bevordering van de wisselwerking tussen makers en gebruikers. Dit voor de korte termijn, om de problemen in de oude wijken te helpen oplossen. Hiermee kan ook duidelijk worden hoe zinvol het is om naar een maatschappij toe te werken waarin voor iedereen is voorzien in een sociale context, en waarin producenten niet meer alleen op zichzelf zijn aangewezen, maar deel zijn van een structuur waarin ook de gebruiker is opgenomen. Hiermee kan de openbare ruimte veiliger worden, terwijl de noodzaak van een race tussen, en ongelimiteerde groei van bedrijven, met de daaraan verbonden uitputting en vervuiling van de aarde vervalt. In plaats daarvan kan de productie zo worden opgezet dat mensen vrij zijn om hun omgeving te ontwikkelen op basis van eigen wensen en inzichten. Een avontuur waarin creativiteit en existentiële verwondering alle kans krijgen.
Op deze manier kan het streven naar werk zonder uitbuiting, naar het doorbreken van beperkingen van het leven in de privésfeer en naar vrijheid en (gedeelde) verwondering, dat de zestiger en zeventiger jaren kenmerkte, worden voortgezet en opgenomen in de stedelijke structuur en daarmee in de samenleving. Waarbij we kunnen profiteren van de lessen geleerd in de vele experimenten, die ‘off the grid’ zijn begonnen, zoals het eerdergenoemde ‘Renaissance’ collectief op het platteland van Massachusetts of de ‘Vrijstad Christiania’ op de oude verdedigingswerken van Kopenhagen.          
 
Collateral benefits
Ook is te verwachten dat betrokkenheid leidt tot het zoeken naar duurzame energiebronnen en naar andere manieren om het milieu te sparen. Zoals stadslandbouw waardoor het vervoer van groente en fruit over grote afstanden kan verminderen, en de daarmee samenhangende luchtvervuiling. 



En met de decentralisatie van de productie zal ook het woon-werkverkeer afnemen, en daarmee ook weer de belasting van het milieu, terwijl tegelijkertijd reistijd kan worden verruild voor vrije tijd. Tijd om in de gebouwde omgeving te wonen.
 
Disclaimer
Al moet natuurlijk wel worden opgemerkt dat we bij dit alles geen utopische verwachtingen moeten koesteren. Mensen zullen, ook in die gebieden van de samenleving die veranderd zijn, last hebben van wrijvingen en het botsen van verschillende perspectieven en belangen. En misschien nog belangrijker: de grote, internationale, bedrijven die belang hebben bij de neoliberale economie hebben een machtige positie die zij niet zomaar zullen opgeven...   
 
 
Noten
 
  1. Heidegger, Martin, ‘Die Technik und die Kehre’, (1962), Pfullingen, Verlag Günter Neske, 1991  pag. 41
  2. Maso, Benjo, ‘Van kakkers tot punkers’ (1976) Stichting ‘Jeugd en samenleving’ 1976   
  3. Curtis, Adam ‘The century of the self - part 2’ RDF television, BBC, 2002, 14.00 min ev
  4. Historiek: https://historiek.net/jacques-derrida-filosoof-deconstructivisme/69325/
  5. Curtis, Adam ‘The century of the Self’ – part 3 RDF television, BBC, 2002 40.00 ev
  6. Pine, B. Joseph and James H. Gilmore, ‘De beleveniseconomie, werk is theater en elke onderneming creëert zijn eigen podium’, Schoonhoven, Academic service, 2000  
  7. Baudrillard, Jean, ‘Disneyworld Company’, Libération, March 4, 1996
  8. Byung-Chun-Han: https://www.filosofie.nl/Byung-Chul-Han.html
  9. Standing, Guy in: ‘Abschied von der Mittelschicht’ Documentaire van Karin de Miguel Wessendorf en Valentin Thurn
  10. Weyemberg, Maurice en Marc van den Bossche (redactie), ‘Het einde van de geschiedenis’, Nijmegen, SUN 1995
  11. Luijpen, W., ‘Nieuwe inleiding in de existentiële fenomenologie’, Utrecht/Antwerpen, Het Spectrum, 1973, pag. 59-60
 
Oktober 22nd, 2019
Dat mensen het recht hebben om zich in vrijheid te ontplooien, dat is een weinig omstreden standpunt. Maar voor leden van andere culturen, die ‘niet van hier’ zijn, is dat niet altijd een uitgemaakte zaak… wat de integratie van deze mensen in de weg kan staan. Hoe brengen wij dit probleem op een hoger plan. Zodat de betrokkenen die nu tegenover elkaar staan, er allemaal beter van worden.  
 
Instemmingen in de woongroep
Als er woonruimte vrij is gekomen in een woongroep wordt deze niet zonder meer aangeboden aan degene die bovenaan de wachtlijst staat, een procedure die wel door woningbouwverenigingen wordt toegepast, en die gebaseerd is op het idee dat niemand mag worden voorgetrokken en dat iedereen gelijke kansen moet hebben.
In een woongroep wordt er een instemming geregeld, waarin gekeken wordt of de aspirant bewoner ook past in de woongroep. ‘Passen’ is een vaag criterium, en het is in strijd met het idee van gelijke kansen, maar het is niettemin essentieel. ‘Oh, ballotage’ wordt er wel eens smalend opgemerkt, en niet zelden zijn dat personen die samenwonen met een partner. Die hebben zij ook geselecteerd op ‘passendheid’ (althans dat is het idee). Een proces dat jaren in beslag kan nemen.
 
         
          Instemming
 
De buren zijn fout
Op hogere schaalniveaus kunnen vergelijkbare processen spelen. Bijvoorbeeld in de straat. Ook daar zou je medebewoners op ‘passendheid’ kunnen selecteren, wat in sommige flats ook gebeurt. Al luistert het hier niet zo nauw. Bij twee mensen die samen gaan wonen is het van levensbelang, in een groep kun je er al wat makkelijker mee omgaan en op hogere niveaus kun je steeds wat zorgelozer zijn. Zo kan het zijn dat je met plezier omgaat met straatgenoten, terwijl je ze nooit hebt ingestemd op basis van een veronderstelde passendheid. Maar soms ontstaat er toch een probleem! Bijvoorbeeld bij buren uit hele andere culturen, buren ‘die niet van hier’ zijn. Hier wordt het ‘niet passen’ wel eens te snel verbonden met een waardeoordeel: met het idee dat zij niet deugen, het idee dat zij in ethische zin ‘fout’ zouden zijn. 
 
De buren deugen juist
Nu weet ik ook wel dat het ‘niet passen’ van mijn buren niet automatisch betekent dat zij ook ‘fout’ zijn omdat zij er een bedenkelijke ethiek op na houden. Dus houd ik mezelf voor dat mijn vreemde buren, of beter: mijn buren uit den vreemde, net zo goed deugen als alle anderen in de straat. Sterker nog, juist doordat zij ‘van buiten’ komen, kunnen zij ons losmaken uit ingesleten gewoonten, wakker schudden, inspireren.


Verkeren met straatgenoten

Of toch niet altijd…
Toch is het ook niet uitgesloten dat er op het vlak van de ethiek een probleem ligt. Veel van mijn buren uit den vreemde belijden namelijk een geloof, waarin gehoorzaamheid een grote rol speelt. Dat kan tot verschillende problemen leiden.
Zo is twijfelen aan het geloof, wat je misschien een recht zou kunnen noemen, in dit geloof heel gevaarlijk. Zeker voor iemand ‘van z’n geloof valt’. Familieleden, vrienden of kennissen kunnen grote problemen hebben met deze ultieme vorm van ongehoorzaamheid. In sommige gevallen voelen zij zich zelfs gerechtigd om afvalligen, soms zelfs hun eigen kinderen, om te brengen. In het ergste geval richten zij zich ook op ongelovigen buiten de eigen kring. Nu zijn dit dingen van vroeger, en de overgrote meerderheid van deze gelovigen heeft hier inmiddels afstand van genomen, maar toch zijn er vissen in deze vijver die nog steeds zo ver willen gaan.
Nog wel gangbaar is dat de gehoorzaamheid voor vrouwen betekent dat zij dienstbaar moeten zijn in de privésfeer, en het liefst niet al te zichtbaar. Waarbij de naleving door de man mag worden afgedwongen.  
Dit kan er de oorzaak van zijn dat de ‘passendheid’ in dit geval toch verbonden wordt met een waardeoordeel. Het gaat hier immers om een ethiek die ongeveer het tegendeel is van de ethiek die wij hier huldigen.    

Sociale context
De ethiek die wij huldigen is gebaseerd op het idee van 'vrijheid'. Ieder moet in staat zijn om zich naar eigen inzichten te ontplooien. Een idee dat ingewikkelder is dan het lijkt. Het houdt namelijk ook in dat je anderen in hun ontplooiing respecteert, of misschien zelfs faciliteert. Als vrijheid iets voor je betekent, dan impliceert dat, dat ook de vrijheid van anderen iets voor je betekent. Hoe dat zo? Je eigen ontplooiing, wat je bent en wat je wilt worden, is in hoge mate afhankelijk van anderen, van je sociale context. Kijk naar de sport: de winnaar van de wedstrijd kan dat alleen zijn als hij sneller, behendiger of slimmer is dan de anderen. De winnaars krijgen alle aandacht, maar zonder de andere deelnemers hadden zij nooit hun felbegeerde podiumplaats kunnen veroveren. Zij staan op de schouders van hun concurrenten, die allemaal hun uiterste best hebben gedaan!  
 

Zij staan op de schouders van…
 
En wat te denken van de volgende vragen. Ben ik goed in wiskunde? Kan ik goed tekenen? Kan ik goed met mensen omgaan? Ben ik een goede opvoeder? Kan ik lekker koken? Het zijn anderen die hier, gevraagd of ongevraagd, mede bepalen wie of wat je bent. Maar daar moeten ze dan wel toe in staat zijn, dat wil zeggen, dit kunnen zij alleen doen als zij vrij zijn.
 
Dit terwijl de ethiek van mijn godsdienstige buren is gebaseerd op gehoorzaamheid aan hun Opperwezen. Daar hebben we op basis van onze eigen ethiek dus grote moeite mee. Al moeten we erkennen dat ook bij ons gehoorzaamheid een rol speelt. Net als de daarbij behorende bekeuringen of andere sancties. Maar die zijn, als het goed is, altijd terug te brengen op afspraken, op regels die neerkomen op respect voor de vrijheid van anderen en niet alleen op gehoorzaamheid.
 

Bekeuringen en sancties
 
Vrijheid?
Maar laten we nog eens kijken naar de ethiek van de vrijheid en de ontplooiing die hierdoor mogelijk zou moeten worden. Wat komt hiervan terecht? Voor velen is vrijheid een soort vrijbrief om uit egoïsme te handelen. Of laten we het wat neutraler formuleren: uit eigenbelang. Daar is de hele economie op gebaseerd: als ieder zijn of haar eigenbelang nastreeft, dan komt het vanzelf goed in de wereld, dan krijgt ieder zijn deel. Dat blijkt niet waar te zijn, er ontstaat een steeds groter verschil tussen arm en rijk. Daarbij vormt deze economie, die alsmaar schijnt te moeten groeien, een toenemend gevaar voor het milieu.
Intussen worden we in de eerste plaats als klanten gezien, met geld en behoeften, en niet als burgers, met rechten en plichten. Waardoor we voortdurend worden lastiggevallen met reclameboodschappen en pogingen van de wereld een pretpark te maken, terwijl onze rechten worden ondergraven doordat sociale voorzieningen worden uitgekleed, evenals het onderwijs, de zorg, de pensioenen en de politie.
 

Reclame all over the place
 
Ook plichten zijn niet erg populair meer: hulpdiensten worden afgetuigd, troep wordt op straat gegooid en gehuurde fietsen worden, als ze niet meer nodig zijn in het plantsoen of ergens in een hoek gegooid. Wat heeft dit nog met vrijheid en ontplooiing te maken? Dit is eerder het werk van egoïsten en uitwoners.    

    
 
De paraplu
Nu zien we een tegenstelling tussen een ethiek van vrijheid die grotendeels neerkomt op het najagen van eigenbelang en vermaak aan de ene kant en een ethiek van gehoorzaamheid met gewelddadige uitwassen aan de andere kant. Kunnen we deze tegenstelling niet overstijgen?
Nu wordt wel gedacht dat de democratie hier de paraplu zou kunnen zijn om beide standpunten op een hoger niveau te verenigen. Maar het is te verwachten dat de ethiek van de gehoorzaamheid niet altijd zal sporen met de uitkomsten een democratische besluitvorming, zeker niet als deze in strijd zijn met de leefregels van hun Opperwezen, die voor hun, begrijpelijkerwijs, meer gezag hebben dan door mensen gemaakte wetten.    
Omgekeerd zal een democratische besluit de aanhangers van de ethiek van de vrijheid frustreren als, bijvoorbeeld, wordt besloten dat geweld tegen afvalligen of andersdenkenden wordt toegestaan. Want de westerse vrijheid mag dan gecorrumpeerd zijn door het denken in termen van eigenbelang, het idee van vrijheid en ontplooiing voor iedereen, als ethisch beginsel, is niet helemaal verdwenen. Dit overleeft in elk geval in de grondwet.     
 
Dan maar graven
Vrijheid en gehoorzaamheid kunnen dus eigenlijk niet onder één paraplu worden samengebracht. Maar is het dan niet mogelijk dat zij in eenzelfde perspectief worden ondergebracht? Hiervoor moeten we dieper graven en ons realiseren waar we ons begrip van vrijheid op gebaseerd hebben. Het heeft te maken met het feit dat we bewuste wezens zijn. Wij zijn ons bewust van de wereld om ons heen. Dat betekent in de eerste plaats dat we beschikken over een geheimzinnige bron die de wereld voor ons laat bestaan. In geuren en kleuren, in maten en gewichten, in geluid gevoel. Een geheimzinnige bron? Dat kun je je realiseren als je deze bron logisch probeert te verklaren. Bijvoorbeeld door deze te herleiden tot wetenschappelijke feiten. Maar voordat je begint te denken aan neuronen, elektrische ladingen en chemische omzettingen, realiseer je dan dat dit alles alleen maar bestaat dankzijn het bewustzijn. Waarmee de verklaring van het bewustzijn zou berusten op zaken die bestaan, juist dankzij het bewustzijn. Kortom, deze bron van onze ervaringen, bestaat onmiskenbaar maar is tevens    onverklaarbaar, geheimzinnig, mysterieus. Geen logische verklaring dus, maar wel een logische onverklaarbaarheid.     
 

Zomaar een ervaring… logisch onverklaarbaar
 
Dat we bewuste wezens zijn betekent nog iets: hierdoor gaan we niet op in de wereld die we op vele manieren ervaren, ons bewustzijn maakt ons vrij om keuzes te maken, ons ontplooien en de wereld ontwikkelen. Dit is wat alle mensen verbindt en de basis van eerdergenoemde ethiek van de vrijheid.
 
Plato en voorstellingen
Nu kan het mis gaan als kun je hierover in abstracte termen gaat spreken, als je onze  geheimzinnige bron apart neemt en vergeet je dat deze binnenin ons huist. Een zijstapje ter verduidelijking: een object, laten we zeggen een paard, kun je herkennen als ‘paard’ omdat er iets in verzonken ligt dat alle paarden met elkaar delen: het abstracte idee ‘paard’. Maar deze abstractie bestaat niet los van het concrete paard, deze verblijft niet, los van onze aardse paarden, in de hemel van de ideeën, zoals Plato beweerde.
 

Een paard in de hemel van de ideeën?
 
Buikspreekpop en marionet
Zo is het ook met de geheimzinnige bron van onze ervaring en de vrijheid. Je kunt zeggen dat deze essentieel is voor ons bestaan en onze ethiek. Maar als je die nu in gedachten buiten ons plaatst, dan hebben we het opeens over een essentiële, scheppende en ethische instantie buiten ons, een externe macht. En in het verlengde daarvan ligt dan de personificatie, in de vorm van een Opperwezen dat alles geschapen heeft en ons vertelt wat we wel en niet mogen doen. Maar daarmee zijn we marionetten geworden van onze eigen buikspreekpop, waarbij onze vrijheid veranderd is in gehoorzaamheid.
 
Geen voorstelling 
Toch komt er in de godsdienst van onze buren, die ‘niet van hier’ zijn, een gebod voor dat deze personificatie probeert tegen te gaan. Dit gebod zegt dat we ons geen voorstelling mogen maken van het bedoelde Opperwezen. Misschien houdt dit in dat we de geheimzinnige bron niet apart moeten nemen, het houdt in elk geval in dat we er geen afbeeldingen van mogen maken. Iets dat in andere godsdiensten wel gebeurde.
 
      
Voorstelling van het Christelijk Opperwezen
 
Nu voelde niet iedereen zich altijd even gemakkelijk bij levensechte afbeeldingen, maar het werd wel gedaan en gedoogd. 
Hier is het geloof van onze buren dus strenger, maar wat dit geloof uniek maakt, is dat het ook verboden is om mensen af te beelden. De ‘woonplaats’ van de geheimzinnige bron. Uit dit alles kunnen we misschien opmaken dat men oorspronkelijk in deze godsdienst de geheimzinnigheid van de ervaring en de vrijheid als basis van de ethiek, probeerde te beschermen. Niet alleen door een ‘voorstelling’ hiervan, los van de mens, ‘in de hemel van de ideeën’ te verbieden, maar ook door afbeeldingen te verbieden van de ‘woonplaats’ van deze geheimzinnige bron kan. Kom daar maar eens om in een andere godsdiensten!
Nemen we dit serieus, dan komen we misschien wel heel dicht bij elkaar! Wij ‘van hier’ en zij ‘niet van hier’!
Dat wil zeggen: als wij ons bevrijden van ons egoïsme en als zij zich bevrijden van hun gehoorzaamheid. 
Dan kunnen we elkaar herkennen, als een soort collega’s die voorzien zijn van eenzelfde  geheimzinnige bron, en ook als de passendheid tekort schiet, zouden we misschien nog een heel eind kunnen komen.      


 
 
 
  
                
 
 
December 4th, 2018
Neurologisch onderzoek in een existentialistisch perspectief
 
Flip Krabbendam
 
 
Met enige regelmaat verschijnen er publicaties met wetenschappelijke bewijzen dat de vrije wil niet zou bestaan. Hersenonderzoekers beschrijven proeven waaruit blijkt dat het menselijk handelen geheel gedetermineerd is door onbewuste neurologische processen. Dat wij als bewuste wezens vrij zouden zijn om onze eigen beslissingen te nemen, zou slechts een illusie zijn. Als dit waar is, dan heeft dat verregaande consequenties… Kunnen we dit ook anders zien?    
 
 
         Betekenisverlies
 
Verantwoordelijkheid, zelfverwerkelijking, liefde, ethiek en een zinvol leven
In beschouwingen over hoe onbewuste impulsen in de hersenen ons leven bepalen, waarbij het idee dat wij zelf keuzes maken een illusie zou zijn, wordt meestal het eerst gedacht aan wat dit betekent voor de rechtsspraak. Want kun je iemand nog aansprakelijk stellen voor zijn of haar daden als wij geleefd worden door processen in de hersenen? Maar de consequenties gaan veel verder!
Zo wordt het onmogelijk om jezelf te verwerkelijken, dat wil zeggen om keuzen te maken en aan de verwerkelijking daarvan te werken. Een studie volgen, een kamer inrichten, een muziekinstrument bespelen, leren autorijden of programmeren… als dit alles niet meer is dan het gevolg van elektrische stroompjes en chemische omzettingen in de hersenen, waar blijf je dan zelf nog?  
Wat ook sneuvelt is het voldane gevoel dat optreedt als je moeilijkheden hebt overwonnen, een ontdekking hebt gedaan of iets bereikt hebt. Het idee dat de mogelijkheden die je gezien hebt en de keuzen die je hebt gemaakt vruchtbaar zijn geweest, en misschien ook belangrijk voor anderen. Wat zou dit nog betekenen wanneer er geen bewuste ‘ik’ is, die creatief is geweest, keuzen heeft gemaakt en heeft doorgezet.
Een ander aspect van het leven dat door de uitkomsten van het neurologisch onderzoek lijkt te ‘verdampen’ is het vermogen lief te hebben of sociaal te zijn. Want hoe zouden wij daartoe in staat zijn, als wij eigenlijk ‘zelf’ niet bestaan, als we niet meer zijn dan biologische mechanismen, gevormd door ons DNA dat de hersenen heeft gedicteerd welke kwaliteiten wij in een partner aantrekkelijk vinden en in hoeverre wij met soortgenoten samenwerken.
Dan kan liefde niet meer betekenen dat mensen elkaar stimuleren om hun eigen keuzen te maken, deze te verwerkelijken en zich te ontwikkelen.
Door alleen naar biochemische processen te kijken verliest ook de ethiek, die we hebben ontworpen om elkaars vrijheid en ontwikkeling te respecteren, aan betekenis. Dit kan tot uitdrukking komen in de psychiatrie, op het moment dat slachtoffers van omstandigheden die hun vrijheid belemmeren, in het gezin of in de maatschappij, met medicijnen worden opgelapt en gesust, terwijl er aan de oorzaak van hun problemen niets gedaan wordt.     
Wat hier in het geding is, is het idee van een zinvol leven, want daarvan kan alleen sprake zijn als je een bewust wezen bent, dat als vrijheid tot z’n recht kan komen. Door de kansen die je hebt gezien, door wat je verwerkelijkt hebt, door wat dit voor anderen betekent, door hoe je hebt samengewerkt en tenslotte door wat je van dit alles begrepen hebt.
Als het idee dat we hier zèlf aan het werk zijn tot een illusie wordt verklaard en daarmee gediskwalificeerd, wat blijft er dan van ons over? Dan voltrekt het leven zich aan ons, waarbij we nu eens zus en dan weer zo functioneren, nu eens voldaan, en dan weer niet…
 
 
         Wetenschap en filosofie
 
Descartes
Maar als gedegen wetenschappelijk onderzoek ons nu laat zien dat wij worden geleefd door de diverse hersenfuncties die onder onze schedel actief zijn, wat zouden we er dan tegenin kunnen brengen? Moeten we dan niet ophouden met zeuren, de rechtspraak ‘updaten’ en ons gewoon proberen te verheugen in een zinloos leven? 
Laten we niet overhaast te werk gaan. Want waarom zouden wij wetenschappelijk onderzoek het laatste woord geven? Velen zullen hier misschien toe geneigd zijn, in de veronderstelling dat juist de wetenschap in staat is om de waarheid over ons te ontdekken.
Deze veronderstelling is terug te voeren op de filosofie van René Descartes (‘Discours de la methode’ 1637) die stelde dat we alleen met de werkelijkheid te maken hebben, als de verschijnselen die we ervaren, meetbaar en weegbaar zijn. Deze filosofie is het fundament geweest voor de ontwikkeling van de wetenschappen, en heel vruchtbaar dankzij het feit dat meetbare en weegbare verschijnselen in wiskundige formules kunnen worden gevangen, waardoor processen voorspelbaar werden en hanteerbaar.  




René Descartes geschilderd door Frans Hals in 1648.
Alleen wat meetbaar en weegbaar is bestaat echt

Als we deze filosofie in ons denken opnemen en menen dat alleen de op meten en wegen gefundeerde wetenschappen zich met de werkelijkheid bezighouden, dan kunnen we spreken van sciëntisme. (W. Luijpen, Nieuwe inleiding in de existentiële fenomenologie’ 1973, p 133) Het probleem is hier dat In deze opvatting vrijheid en de vrije keuze niet tot de werkelijkheid behoren omdat zij niet meetbaar of weegbaar zijn.  
Het zou kunnen zijn dat bovenbedoelde hersenonderzoekers hun bevindingen interpreteren in een sciëntistisch perspectief. Dan is het niet verwonderlijk dat de menselijke vrijheid er niet in voorkomt, behalve als afwezigheid. Dit roept de vraag op of dezelfde onderzoeksresultaten niet ook in het perspectief van een andere filosofie kunnen worden geïnterpreteerd, in een filosofie waar wel ruimte is ingericht voor de menselijke vrijheid…
 
Een gat en het niets  
Een filosofie waarin de vrijheid een grote rol speelt, zo niet de hoofdrol, is het existentialisme.
In deze filosofie wordt ervan uitgegaan dat het bewustzijn van de mens betekent dat hij ‘vrij’ is. Om dit filosofische uitgangspunt begrijpelijk te maken wagen we ons in het hol van de leeuw, in de wereld van de wetenschap, en kijken we naar hoe men hier de ervaring van kleuren  beschrijft. Zo kunnen we zien dat elektromagnetische golven met een golflengte van rond de 700 nm hersenactiviteiten veroorzaken die door ons worden ervaren als de kleur ‘rood’. Deze uitspraak is ontegenzeggelijk waar, maar er zit een gat in. Want de gemeten activiteiten in de hersenen zijn weliswaar het ‘neurale correlaat‘ van deze kleurervaring, ze treden samen op, maar daarmee is het ontstaan van kleuren uit deze hersenactiviteiten nog niet verklaard. (Jaap van Heerden ‘Schrikbewind der verzinsels’ 1996 p 73)



Hoe kleuren, door tussenkomst van hersenactiviteiten, ontstaan uit de elektromagnetische golven blijft onverklaard.   

 
Dat en hoe we de kleur ervaren blijft onverklaard en hoe zou dat ook mogelijk zijn? Hoe zouden elektrische impulsen, chemische omzettingen, synapsen en dendrieten, kleuren kunnen veroorzaken? Processen in de hersenen zijn immers van een geheel andere orde dan kleuren. We kunnen ook geen koekjes bakken van muziek, of van kiespijn.   
 
Aan de hand van dit voorbeeld kunnen we constateren dat ervaringen onverklaarbaar zijn en uit ‘niets’ ontstaan. Hiermee is een belangrijke stap gezet in de richting van de existentiefilosofie en het idee van de vrije keuze. Maar wordt deze stap genomen door neurowetenschappers?
Of menen zij dat onze bewuste ervaringen uiteindelijk toch te verklaren zullen zijn uit de processen die zij in de hersenen waarnemen? Is het ‘neurale correlaat’ geen aanwijzing dat zoiets mogelijk moet zijn? Toch is het de vraag of deze positie houdbaar is, want als we voor een verklaring van onze bewuste ervaringen te rade gaan bij de neurowetenschappen, en we zouden het samenspel van elektrische impulsen, chemische omzettingen, synapsen en dendrieten, opvoeren als oorzaak hiervan, dan gaan we voorbij aan het feit dat we deze oorzaak alleen kunnen beschrijven en bespreken bij de gratie van onze bewuste ervaring, namelijk van de processen die in de hersenen plaatsvinden. Dan maken we clandestien gebruik van de bewuste ervaring om deze te verklaren! Daarom moeten we ook op deze manier tot de conclusie komen dat de bewuste ervaring niet te verklaren is. Uit ‘niets’
 
Existentialisme en het ‘niets’
De conclusie dat ervaringen, niet alleen van kleuren, maar ook van geluiden, gewichten, geuren of smaken, van temperaturen, van aanrakingen, van ruimtelijkheid of snelheid, niet te verklaren zijn, of uit het ‘niets’ ontstaan, zou wetenschappers kunnen aanmoedigen te rade te gaan bij de filosofie van het existentialisme om de betekenis hiervan te onderzoeken. Maar het is ook te begrijpen dat het existentialisme en de notie van het ‘niets’ voor wetenschappers misschien ook wel wat te ver van hun bed is… Zij zijn gewend en getraind om te werken met concrete, meetbare en weegbare, verschijnselen. Dat kan er gemakkelijk toe leiden dat zij er automatisch vanuit gaan dat alleen dit soort verschijnselen tot de realiteit behoren. In dit perspectief is het ‘niets’ van het existentialisme een volkomen vreemd, en onbestaanbaar verschijnsel.   
Toch zou geen enkele wetenschap kunnen worden beoefend zonder de ervaring, dat wil zeggen, zonder dit ‘onbestaanbare’ en misschien wel ‘onuitstaanbare’ ‘niets’…
 
Misschien is het een kwestie van wennen of omdenken. Toen de nul werd geïntroduceerd in de late Middeleeuwen dachten velen dat dit getal, dat zelf ‘iets’ was maar ‘niets’ voorstelde, een uitvinding was van de duivel. In 1299 werd het in Florence zelfs verboden ermee te rekenen! Het duurde nog tot het eind van de 15de eeuw voordat men er onbekommerd mee kon werken. 
Met de natuurkundige variant van de nul, het vacuüm, heeft men ook grote moeite gehad. Lang heeft men gedacht dat dit onnatuurlijk was, dat er in de natuur sprake was van een ‘horror vacuüm’ (angst voor de leegte) waardoor een ‘leegte’ in de natuurkundige wereld niet kon bestaan. Totdat Torricelli halverwege de 17de eeuw aantoonde dat het ‘niets’ gewoon bestond, en wel boven het kwik in zijn kwikbuis! (Pk. Krabbendam, ‘Drie keer niets’ in ’Filosofie’ nr 4, 2015 p 50-54) 
 
Vrijheid
Op basis van de erkenning van het ‘niets’ kunnen we de bewuste ervaring begrijpen als het maken van onderscheid tussen de wereld en onszelf. Waarbij wij de wereld van onszelf onderscheiden, omdat en voor zover wij de wereld ‘niet’ zijn.   
Deze formulering maakt duidelijk dat wij een zekere afstand tot de wereld hebben, dat we er niet in opgaan. Voor de existentialist Jean-Paul Sartre betekende dit dat wij in deze wereld vrij zijn om onze eigen keuzen te maken en onze eigen weg te gaan. (W. Luijpen, ‘Nieuwe inleiding in de existentiële fenomenologie’, 1973 p 267)
Deze schetsmatige karakterisering van de existentialistische filosofie wil ik gebruiken als context voor de resultaten van de hersenwetenschappen. Dit om te zien hoe of en hoe deze te verenigen zijn met het bewustzijn en de vrijheid. Hierbij gaat het er niet om deze resultaten te bestrijden: wetenschappelijke methoden en resultaten verliezen in de filosofie van het existentialisme niet hun waarde, maar alleen het alleenrecht op kennis van de werkelijkheid.
 
 
        Vrije keuze door onvrije wil
 
Bereidheidspotentiaal
Dat hersenwetenschappers tot de conclusie zijn gekomen dat ons leven gedetermineerd wordt door processen in de hersenen heeft een geschiedenis. We gaan even terug in de tijd.  
Hans Kornhuber en Lüder Deecke, publiceerden in 1965 over een onderzoek waarin zij hadden gezocht naar het verband tussen de vrije keuze en neurologische processen. Wat zij ontdekten was dat er elektrische veranderingen in de hersenen optraden na de beslissing en voorafgaand aan de handeling die daaruit voortvloeide. Zij registreerden hier de opbouw van een zogenaamd ‘bereidheidspotentiaal’. Deze opbouw zou, als men bijvoorbeeld een glas wilde oppakken, gemiddeld 0,55 seconden duren. (Retu Schneider ‘Bizarre wetenschap’ 2009 p. 249) Hiermee bleef het idee van de vrije keuze nog overeind.        



Proefopstelling Kornhuber en Deecke in 1964
Meting van het bereidheidspotentiaal

Later, in de zeventiger jaren, vond een andere onderzoeker, Benjamin Libet, dat de opbouw van het bereidheidspotentiaal dat Kornhuber en Deecke opgaven, te lang. Dit strookte niet met de dagelijkse ervaring. Kon het moment van de beslissing niet nauwkeuriger bepaald worden?
 
De bereidheid gaat vooraf aan de beslissing…
In het experiment dat Libet hiervoor ontwierp werd proefpersonen gevraagd op een knop te drukken op een zelfgekozen moment, at will. Voor de proefpersonen was een soort klok geplaatst met een ronddraaiend rood stipje. Door te onthouden waar het stipje was op het moment dat men besloot om op het knopje te drukken, kon de tijdstip van deze beslissing nauwkeurig bepaald worden.   
Wat bleek nu: de actie, de druk op de knop, vond plaats 0,2 seconde (200 ms) nadat de proefpersonen aangaven dat zij de beslissing hadden genomen. Dat lijkt geen probleem, ware het niet dat de hersenscan ook de opbouw van het bereidheidspotentiaal had gemeten. Net als bij Kornhuber en Deecke duurde dit zo’n 0,55 sec. (550 ms). Maar dit betekende dat met de opbouw hiervan was begonnen vóórdat de beslissing viel!   


Libet: De voorbereiding (paars) begint voor de beslissing (blauw)

In de publicatie van zijn onderzoek in 1977 concludeerde Libet dat de beslissing van de proefpersoon als mosterd na de maaltijd kwam, omdat de hersenen kennelijk al eerder bezig waren de actie voor te bereiden. Werden wij dus geleefd door onze hersenen, en was het idee dat wij zelf, als vrije individuen, beslissing namen, een illusie? (Retu Schneider ‘Bizarre wetenschap’ 2009 p. 251)
 
De beslissing en het ‘ja nu’ moment
Hoe kunnen we nu aankijken tegen deze conclusie, als we deze plaatsen in de context van het existentialisme, de filosofie van het ‘niets’ en de vrije keuze? Is er niet ergens een verwijzing naar een vrije keuze?    
Wat opvalt is dat Libet uitgaat van een reeds opgebouwd bereidheidspotentiaal… Maar op grond waarvan zou zich dan een bereidheidspotentiaal hebben opgebouwd? Kornhuber en Deecke hebben laten zien dat een bereidheidspotentiaal ontstaat na een beslissing. Als we even uitzoomen, en de proefneming van Libet in een groter perspectief bezien, dan kunnen we zeggen dat er sprake is van twee momenten: het moment van de beslissing om aan het experiment mee te doen en het moment van de uitvoering daarvan. Kennelijk had Libet de beslissing van de proefpersonen om mee te doen niet tot zijn experiment gerekend… Als we dit wel doen dan kan de proef als volgt beschreven worden: 1) de beslissing mee te doen, 2) de opbouw van het bereidheidspotentiaal, 3) de beslissing om tot actie over te gaan, dat je het ‘ja nu’ moment zou kunnen noemen, en 4) de druk op de knop, het moment van de daadwerkelijke actie.
Door uit te zoomen hebben we het experiment van Libet niet alleen geplaatst in het filosofisch perspectief van de vrije keuze, we zijn nu ook in staat onderscheid te maken tussen de beslissing en het ‘ja nu’ moment waarop tot uitvoering wordt overgegaan. 
 
Zin maken, moed vatten en deadlines
Als we naar onze dagelijkse ervaring kijken weten we ook dat de beslissing om iets te doen en het ‘ja nu’ om tot actie over te gaan twee verschillende dingen zijn. Waarbij we kunnen opmerken dat de opbouw van het bereidheidspotentiaal veel langer kan duren dan de door Kornhuber en Deecke (in een proefopstelling) gemeten 0,55 sec. Als we bijvoorbeeld het besluit nemen om ’s ochtends op een bepaalde tijd op te staan, en we zetten de wekker, dan kan het toch nog even duren voordat het bereidheidspotentiaal sterk genoeg is voor het ‘ja nu’ moment, dat maakt dat we daadwerkelijk opstaan. Soms moeten we eerst ‘zin maken’ of ‘moed vatten’. Het zou interessant zijn om proefondervindelijk vast te stellen hoe het bereidheidspotentiaal zich ontwikkelt na het afgaan van de wekker, en hoe lang het bij verschillende proefpersonen kan duren voordat het ‘ja nu’ moment aanbreekt.   
Misschien kan ook gemeten worden hoe, bij moeilijke klusjes, het bereidheidspotentiaal zelfs wekenlang een kwakkelend bestaan kan leiden, waarbij het pas hoog genoeg is voor een ‘ja nu’ vlak voor een deadline.
 
Veto
Nu was Lobet geen scientist die de wetenschap, waar vrijheid niet bestaat, het laatste woord gaf, hij twijfelde aan de uitkomst van z’n eigen onderzoek, aan de conclusie dat de vrije keuze niet zou bestaan, dat wij ‘kiezen voor wat we doen’ in plaats van andersom. En hij bedacht een soort noodrem: we konden altijd nog een veto uitspreken over de keuzen die de hersenen voor ons maakten. Zo zou onze vrijheid, althans voor een deel, behouden kunnen blijven. Zijn idee was dat we in de 0,2 seconde, tussen onze beslissing om tot actie over te gaan en de actie, een veto konden uitspreken. Maar zou het neutraliserende bereidheidspotentiaal van het veto wel in 0,2 seconde kunnen worden opgebouwd?     


Benjamin Libet: vrijheid gered door veto… 

De onvrije wil
Met het idee van een veto is Libet iets belangrijks op het spoor gekomen. Want, als we nog even uitgezoomd blijven, dan kunnen we ons voorstellen dat een vrije keuze, een voornemen om een bepaalde richting in te slaan, vergezeld gaat van een eveneens voorgenomen veto dat ons in staat stelt om trouw te blijven aan deze beslissing en niet van het spoor te raken. Stel dat iemand ervoor gekozen heeft om te gaan lijnen, dan kan deze persoon, hoe overtuigend de beslissing om te lijnen ook was, zich op een onbewaakt moment toch laten verleiden door het aanbod van een frietje of een snack dat toevallig op zijn weg komt.
We zien hier dat vrijheid niet betekent dat we zomaar kunnen doen wat ons invalt. Als we de wereld onderscheiden van onszelf voor zover we de wereld ‘niet’ zijn, dan wordt duidelijk dat onze afstand tot de wereld, onze vrijheid, gesitueerd is. We zouden de wereld niet kunnen onderscheiden van onszelf als deze afwezig was. Onze vrijheid bestaat bij de gratie van dat zij is gesitueerd! In een wereld waarin het vriest of stortregent, waarin de zon verzengend kan schijnen, en waarin we buiten adem kunnen raken als we rennen. In deze wereld kunnen we ons ook aangetrokken voelen tot voedsel waarvan besloten hebben het niet tot ons te nemen, omdat we weten dat het ongezond is. Met onze beslissing is de aantrekkingskracht van het ongezonde voedsel niet verdwenen. We kunnen niet zomaar alles wat we kiezen, onze vrijheid is gesitueerd in een concrete wereld, met alle mogelijkheden en beperkingen die daarin vervat liggen. Wij zijn als vrijheid verwikkeld in een weerspannige wereld. (W Luijpen, ‘Nieuwe inleiding in de existentiële fenomenologie’1973, p 267-277)      



 
Als we besloten hebben om gezond te eten en de aantrekkingskracht van ongezond voedsel blijft werkzaam dan weten we dat iemand ‘wilskracht’ moet tonen om de verleiding te weerstaan. Zo kunnen we, met het veto van Libet in gedachten, de wil opvoeren als de ‘bewaker’ die het veto uitspreekt. Hier komt de wil naar voren als een bewaker, of als een ondersteuner, die ons op de koers houdt die we in vrijheid hebben bepaald.
Als wij beweren dat wij vrij zijn in de zin van dat we niet opgaan in de wereld, dat we niet meedraaien in de wetten die de wereld beheersen maar vrij zijn, dan is het misschien wel deze wil die dat mogelijk maakt.
Maar dat betekent dat de wil in dienst is van de vrije keuze en zorgt ervoor dat we ons kunnen houden aan een eerder genomen beslissing, ook bij tegenspoed of als de omstandigheden ons tot iets anders proberen te verleiden. De wil is dus niet vrij, maar een kracht, een bewaker en ondersteuner, die ervoor kan zorgen dat we ons vrij gekozen doel bereiken. Waarbij kan worden opgemerkt dat niet ieders wil even goed tegen zijn taak is opgewassen.
 
 
          Onbewuste processen
 
Rationalisaties en de kwebbeldoos
Sinds de zestiger jaren zijn hersenscans veel nauwkeuriger geworden. Nu kan zichtbaar worden gemaakt welke hersengebieden betrokken zijn bij bepaalde ervaringen of verrichtingen, doordat men over scanners beschikt waarin men gebieden die actief zijn kan laten oplichten. Hierdoor kunnen we zien dat bij het maken van keuzen, ook hersengebieden actief zijn, die wijzen op associaties, dit zonder dat we daar weet van hebben. Volgens hersenonderzoeker Victor Lamme hebben we er geen idee van hoe groot de rol is van deze onbewuste associaties (die niet zelden neerkomen op vooroordelen). Omdat onze keuzen worden beïnvloed zonder dat wij dat weten, moeten we voortdurend redenen bedenken om deze uit te leggen. Er is een bekend filmpje waarin een vrouw haar tas opeens stevig tegen zich aandrukt op het moment dat een persoon met een donkere huidskleur naast haar komt staan in de lift. Gevraagd naar de reden zou zij kunnen zeggen dat ze even wilde voelen of ze niet vergeten was haar tablet in de tas te doen, na afloop van de vergadering waar zij zojuist vandaan komt. Een rationalisatie, als gevolg van een verborgen associatie, tevens vooroordeel.      
Lamme concludeert dat wij voortdurend van rationalisaties gebruik maken en dat we geen idee hebben van waar onze keuzen in werkelijkheid door worden beïnvloed. Hij noemt ons bewustzijn daarom een ‘kwebbeldoos’. (Arthur Olof ‘Idee’ jaargang 32 nr 1 (2011) p. 43-44)


Victor Lamme

Gesprek en therapie
De zienswijze van Victor Lamme laat zich niet eenvoudigweg, door uit te zoomen, in een existentialistisch perspectief plaatsen. Het idee van een ‘kwebbeldoos’ waar we als bewuste wezens in opgesloten zitten, staat lijnrecht tegenover het idee dat het bewustzijn ons vrij maakt.
Nu kunnen we beamen dat het niet uitgesloten is dat onze beslissingen worden beheerst door onbewuste factoren, dit is zelfs een algemeen verbreid idee. Maar dat wil niet zeggen dat wij in een kwebbeldoos zijn opgesloten. We weten ook hoe we hieruit kunnen ontsnappen. Al in het dagelijks leven kunnen we ons, in een goed gesprek, bevrijden van niet ter zake doende associaties en vooroordelen, door deze aan het licht te laten brengen.    
Het kan zijn dat we zo geplaagd worden door onbewuste associaties dat een goed gesprek niet meer voldoet. Dan kunnen we in therapie gaan. Er zijn veel therapieën die tot doel hebben ons te bevrijden van onbewuste krachten die ons hinderen, en die onze beslissingen, hoe goed ook gerationaliseerd, contraproductief maken.  
Hierbij denken we waarschijnlijk het eerst aan Sigmund Freud, maar misschien had hij te veel de neiging om, wat er in de therapie ‘boven water’ kwam, uit handen van de patiënt te nemen en zelf te interpreteren.    
 
In de ‘gestalt therapie’ laat men de interpretatie over aan de patiënt. De therapeut richt zich hier op de directe ervaring, en probeert daarin verwijzingen te vinden naar onbewuste gevoelens, om vervolgens te proberen deze ter sprake te brengen. (Fritz Perls ‘Gestaltbenadering’ 1973) Zo kan het de therapeut opvallen dat de patiënt zijn vuist balt als hij over zijn vader vertelt. Dan kan de therapeut de patiënt hiervan bewust maken en vragen om wat meer over zijn vader te vertellen. Als er dan een oud, verdrongen, probleem uit de opvoeding naar boven komt, kan de therapeut de patiënt vragen de situatie alsnog zelf in de hand te nemen. ‘Als je vader nu tegenover je zou zitten, wat zou je dan tegen hem willen zeggen?’ Dan zou de patiënt bijvoorbeeld kunnen zeggen ‘Ik heb er genoeg van je knechtje te zijn, ik durf niet meer op te staan om iets voor mezelf te gaan doen omdat jij dan altijd zegt “je staat toch, zet meteen even de vuilniszak buiten. En als je dan toch je jas aan hebt, kun je dan ook een kratje pils uit de schuur halen” Daar heb ik schoon genoeg van, ik trap er niet meer in. Je kunt ook zelf je pilsjes halen en de vuilniszak buiten zetten!’.
 
Door zich bewust te worden van de oorzaak van de onlustgevoelens die ontstaan op momenten dat hem gevraagd wordt om ‘iets mee te nemen uit een winkel waar hij toch naartoe gaat’, of om ‘iets op te halen op een adres waar hij toch langs komt’, kan de patiënt zich bevrijden van de weerstand die hij daarbij ervaart, van het schuldgevoel omdat hij anderen teleurstelt en van de hekel die hij hierdoor aan zichzelf heeft gekregen. Dan hoeft hij ook zijn weerstand niet meer te rationaliseren: ‘Ik hoop dat ik het niet vergeet, ik heb de laatste tijd zoveel aan m’n hoofd’ of ‘Ik weet niet of ik tijd heb, ik heb veel werk te doen’. Eenmaal bevrijd van zijn onbewuste associatie kan hij situaties waarin een beroep op hem wordt gedaan beter hanteren, wat zijn zelfvertrouwen en zijn sociale leven ten goede kan komen!   
 
We zouden de stellingname van Victor Lamme sciëntistisch kunnen noemen omdat hij onze vrijheid, als niet ter zake doende, opsluit in zijn kwebbeldoos en de wetenschap het laatste woord geeft. Maar als we deze stellingname wat relativeren, en er vanuit gaan dat we ons met verschillende therapieën kunnen bevrijden van storende onbewuste invloeden, dan blijft de mogelijkheid open om aan de kwebbeldoos te ontsnappen en in contact te blijven met de wereld. Daarmee blijft de vrijheid bestaan en op dat moment dan kunnen wij, niet de stellingname, maar wel de bevindingen van Lamme plaatsen in het perspectief van het existentialisme.

Rationalisaties en het prestige van de rede
Als we de gevoelens waarop we onze keuzen hebben gebaseerd hebben ontdaan van onbewuste en ongewenste associaties, zijn we dan automatisch ontsnapt uit de rationaliserende ‘kwebbeldoos’ van Lamme? Niet per sé! We hebben namelijk de neiging om onze gevoelens, ook al zijn ze ‘opgeschoond’ toch te bedelven onder redelijke argumenten die bedoeld zijn om onze keuzen te onderbouwen, opnieuw dus onder rationalisaties.
Een neiging die mogelijk terug te voeren is op het feit dat we al eeuwen onder de indruk zijn van de rede. Filosofen uit de oudheid, zoals Socrates, Plato en Aristoteles, deden al een beroep op de rede. Ook in de middeleeuwen speelt de rede een grote rol, zo groot dat men de noodzaak voelt het geloof en de rede met elkaar in overeenstemming te brengen. In de Renaissance maakt de rede zich los van het geloof om zich te verbinden met het opkomende humanisme.
Bij de ontwikkeling van de wetenschappen stelde de rede ons in staat de causaliteit van de ‘meet- en weegbare realiteit’ van Descartes te vatten in wiskundige formules. Waarmee zij een essentieel deel van de wetenschap werd.
Het zal, gegeven het prestige van de rede, moeilijk zijn het rationaliseren op te geven. We zien onszelf graag als redelijke wezens die zelfs onder de moeilijkste omstandigheden redelijk proberen te blijven. 
 
Gevoel voor het doel, rede voor de route
Om de rede ‘op haar plaats’ te zetten, zodat wij onze gevoelens beter kunnen herkennen en erkennen, stel ik voor onderscheid te maken tussen twee houdingen die wij kunnen aannemen.
Bij de ene houding kunnen wij op de wereld inwerken, dit kunnen wij doen op basis van het feit dat wij vrij zijn en niet opgaan in de wereld. Dit is een actieve houding die je ‘instrumenteel’ zou kunnen noemen. Bij deze houding steunen wij op de rede, om de causaliteit van de ons omringende wereld te kunnen begrijpen, waarmee we dit inwerken mogelijk maken. 
Bij de andere houding laten we, omgekeerd, de wereld op onszelf inwerken. Hier betekent onze vrijheid dat we openstaan voor wat er om ons heen gebeurt. Deze receptieve houding, waarbij we ons inlaten met de situatie, zou je ‘situationeel’ kunnen noemen. Bij deze houding gaat het om wat de omringende wereld, een landschap, een ruimte, een muziekstuk, met ons doet. Hier is juist het gevoel van groot belang.  
 
Beide houdingen, respectievelijk actief en receptief, veronderstellen elkaar, zij vormen een eenheid van wederzijdse implicatie en de ervaringen die zij met zich mee brengen zijn beide even ‘waar’ en waardevol. Er is geen grond waarop men zou kunnen beslissen dat de ene houding ‘beter’ is dan de andere. (Philip Krabbendam ‘Betrokkenheid’ 2011)
Als we nu een beslissing nemen dan gaat het ons steeds om het bereiken van een situatie, waarbij we de situationele houding aannemen om te beoordelen welk gevoel of welke emoties mogelijke situaties bij ons teweegbrengen en of we die wenselijk vinden. Zo bepalen we ‘waar we heen willen’. Met andere woorden: ‘het doel is een gevoel’. Om dit doel te bereiken zullen we instrumenteel in actie moeten komen. Met andere woorden, ‘de rede is voor de route’.   
 
Verzekering
Bij de keuze van een verzekering speelt de rede een grote rol. Wat bieden verschillende maatschappijen voor diensten, en tegen welke kosten? Het gaat hier om het bereiken van een situatie waarin men met een gerust hart kan leven zonder te hoeven vrezen dat diefstal of brand of ziekte onoverkomelijk zullen zijn, terwijl de opoffering voor deze rust, de premie, binnen de perken blijft. De gevoelskant.
Om te beslissen welke verzekeraar het meest in aanmerking komt om deze situatie te bereiken, moeten veel vergelijkingen en afwegingen worden gemaakt. Een tijdrovende en ingewikkelde procedure, van plussen en minnen, met een grote nadruk op de ratio.    
Door deze nadruk is men geneigd bij het afsluiten van verzekeringen alleen te denken aan rationele beslissingen (van de calculerende ‘homo economicus’), maar intussen heeft het gevoel hier het doel bepaald: een situatie waarin men gerust kan leven zonder dat daar teveel afbreuk aan wordt gedaan door een hoge premie.                 
 
Etentje
Er zijn ook beslissingen waarvoor geen uitgebreid beroep op de rede hoeft te worden gedaan. Wie wordt uitgenodigd voor een feestelijk etentje, een situatie die een positief gevoel oproept, hoeft niet te plussen en te minnen. De ratio speelt hier een beperkte rol: we kunnen volstaan met in de agenda te kijken of de avond vrij is en zien hoe we ter plaatse komen. Daarom zijn we misschien geneigd te denken dat we ‘domweg’ op ons gevoel  afgaan, wat kan leiden tot een zeker dédain voor dit soort keuzen, zeker in de ogen van ‘aanhangers’ van de ratio. Maar toch spelen ook hier gevoel en rede beide een rol. 



Door het prestige van de ratio wordt het gevoelselement vaak onderbelicht of naar de achtergrond verbannen. Dit maakt dat wij ons bij het maken van keuzen in het gewone, dagelijks leven, terwijl wij ons van geen kwaad bewust zijn, ‘schuldig’ maken aan rationalisaties, waardoor we ons kunnen afvragen of we dan wel de juiste keuzen maken… Mogelijk dat ook hier bewustwording kan helpen ons te bevrijden.     
 
Kiezen uit zich ontplooiende alternatieven
Meestal denken we bij het idee van de vrije keuze dat het gaat om keuzen uit een paar alternatieven. Uit mogelijkheid A, B of C. Maar het feit dat wij onszelf als ‘vrijheid’ kunnen definiëren houdt ook in dat we nieuwe kwaliteiten en nieuwe mogelijkheden in de wereld om ons heen kunnen ontdekken. Creativiteit is meegegeven in onze vrijheid. Dat betekent dat we als vrijheid niet alleen in staat zijn te kiezen uit vastgestelde alternatieven. Dat we vrij zijn betekent ook dat we nieuwe perspectieven kunnen ontdekken, waardoor we verschillende alternatieven op creatieve wijze kunnen bekijken en er nieuwe kwaliteiten in kunnen ontdekken, of nieuwe mogelijkheden voor de route er naartoe.
Zo kunnen alternatieven en hun bereikbaarheid, doel en route, zich door onze creativiteit ontplooien. Deze creativiteit is misschien wel net zo belangrijk is als het vermogen om uit alternatieven te kiezen. Het zou misschien interessant zijn om door hersenonderzoek te weten te komen welke delen van onze hersenen hierbij actief zijn en of deze gestimuleerd kunnen worden.
 
 
         Hersenwerking en psychiatrie
 
Rationaliseren
Zoals we gezien hebben kan ons vermogen om vrij te kiezen worden verstoord door onbewuste en storende associaties, die ons ertoe brengen deze te verantwoorden met rationalisaties, waardoor het niet uitgesloten is dat we onze keuzen baseren op valse motieven. Dit probleem kan worden opgelost door een gesprek of een therapie waarin men zich van deze associaties bewust kan worden, waardoor het mogelijk wordt zich ervan te bevrijden.
Ook het prestige van de ratio leidt ertoe dat wij rationaliseren bij het maken van keuzen, waardoor we, ongeweten, onze gevoelens niet tot hun recht laten komen. Ook hier zou bewustwording bevrijdend kunnen werken.         
 
Een prettige illusie
Nu zijn er mensen die met zware psychische problemen worstelen, bij wie een eenvoudige bewustwording niet zal helpen. Hersenonderzoeker Dick Swaab laat zien hoe processen in de hersenen hier een rol spelen. Hierbij gaat hij zo ver dat hij beweert dat het bewustzijn hier geen enkele rol speelt. In zijn ogen is het bewustzijn niet meer dan een ‘prettige illusie’. (Dick Swaab, ‘Wij zijn ons brein’, 2010, p. 379).  


Dick Swaab: bewustzijn is een ‘prettige illusie’

Dit laat vermoeden dat Swaab de vrijheid die meekomt aan het bewustzijn diskwalificeert en de wetenschap het laatste woord geeft. Als een echte sciëntist.  
Eigenlijk ligt de zaak hier eigenlijk iets ingewikkelder, want als het bewustzijn een illusie is, dan zijn al onze ervaringen een illusie, dus ook die van de neurowetenschappen.  
Maar laten we hier geen punt van maken, het is immers duidelijk dat deze wetenschappen van groot belang kunnen zijn voor oplossen of verzachten van psychische problemen.  
De vraag blijft wel bestaan hoe de resultaten van dit hersenonderzoek geplaats kunnen worden in de context van het existentialisme, waarin bewustzijn en vrijheid centraal staan en essentieel worden geacht voor onze geestelijke gezondheid.

Anti-psychiatrie
In de jaren zestig meenden veel psychiaters dat bij het oplossen van psychische problemen altijd uitgegaan moest worden van de menselijke vrijheid. Zij probeerden deze problemen te begrijpen als een reactie op belemmeringen bij het maken en verwerkelijken van vrije keuzen. Dit was het standpunt van de anti-psychiatrie, dat werd uitgewerkt, o.a. door Ronald Laing.  
Zo verklaarde Laing schizofrenie als een gevolg van een ‘schizogene’ omgeving, waarin de patiënt geen kans had gekregen om zijn of haar eigen, authentieke, ervaring te laten gelden. Bijvoorbeeld als gevolg van onoplosbare opdrachten van de opvoeders. Zoals in het geval dat een liefdevolle houding wordt afgedwongen. De vraag ‘Welke lieve jongen wil even de afwas doen?’ betekent dat de jongen die niet meteen enthousiast aan de afwas gaat, verraad pleegt aan z’n opvoeders, want dan schiet zijn liefde tekort. Als hij dan toch maar de afwas gaat doen, verraadt hij zichzelf. Een ‘double bind’ situatie waarin je het altijd fout doet. Een ander voorbeeld van zo’n situatie: ‘Je moet eens wat meer voor jezelf opkomen, wees eens meer jezelf’. Wie hier gehoorzaam is aan z’n opvoeders is per definitie niet meer spontaan, en doet het dus fout. Maar wie de oproep van z’n ouders naast zich neerlegt doet het ook fout. Dit wordt ook wel de ‘wees spontaan paradox” genoemd. (R D Laing, ‘het verdeelde zelf’ 1970)


Ronald Laing: het gevaar van een schizogene omgeving

Dit soort verwarrende situaties, die extra verwarrend zijn omdat kinderen het gevoel krijgen dat zij falen en in hun liefde tekort schieten, zouden er de oorzaak van zijn dat kinderen zich terugtrekken, het spelletje meespelen en ophouden de eigen vrijheid te laten gelden, waardoor hun authentieke ‘zelf’ verwatert, en zij de mogelijkheid van vrije keuze, zelfverwerkelijking en ontwikkeling opgeven. Waardoor zij steeds leger worden, en uiteindelijk niet meer weten wat ze willen en wie zij zijn.    
 
Een gekmakende maatschappij en dito psychiatrie
Nu stelde men in de anti-psychiatrie dat niet naast de opvoeding ook de maatschappelijke context een probleem kon zijn. In de toenmalige kapitalistische maatschappij hadden knellende sociale normen en onderdrukkende en geestdodende routines de overhand, waardoor de mogelijkheden tot vrije keuze, zelfverwerkelijking en ontwikkeling werden gefrustreerd. Ook dit was een verwarrende situatie omdat men deze niet alleen normaal, maar zelfs wenselijk achtte. Slachtoffers van deze situatie aarzelden om hier kritiek op te hebben omdat zij zich afvroegen of ze wel ‘normaal’ waren. (R D Laing, ‘De strategie van de ervaring’, 1967)
Dat men sprak van ‘anti-psychiatrie’ vindt z’n oorzaak in het feit dat men hier stelling nam tegen de reguliere psychiatrie, waarin patiënten ‘gelabeld’ werden, gereduceerd tot een ‘geval’, om vervolgens te worden onderworpen aan medicijnen, elektroshocks en sessies die bedoeld waren om de betrokkenen te ‘normaliseren’ en aan te passen aan dezelfde onderdrukkende maatschappij waar zij het slachtoffer van waren geworden. Dit vond men niet alleen contraproductief, maar ook onmenselijk.  

 


Ook nu nog
Op dit moment wordt er niet meer zo zwart-wit over de maatschappij gedacht, maar dat betekent niet dat deze inmiddels zo is ingericht dat ieder de kans krijgt zichzelf als ‘vrijheid’ te laten gelden. 
Concurrentie, economische groei en onzekerheid over de arbeidssituatie kunnen een grote druk op ons uitoefenen die onze vrijheid en ontwikkeling kan frustreren. En wat te denken van het dagelijkse bombardement van reclameboodschappen waar wij aan blootgesteld worden, boodschappen die ons de kans ontnemen om onze eigen behoeften te laten ontstaan en te formuleren. Het is niet ondenkbaar dat de toename van het aantal mensen met een depressie, of een burn out, samenhangt met deze maatschappelijke omstandigheden.
We kunnen we er evenmin vanuit gaan dat problemen in de privésfeer tot het verleden behoren. Zo zullen ‘double bind’ situaties niet plotseling tot het verleden behoren.    
Dit betekent dat het voorschrijven van medicatie, of een advies om te gaan hardlopen, ook in deze tijd in veel gevallen niet alleen een verkeerd, maar ook een vernederend antwoord kan zijn.
Hier ligt een link met de ethiek. Want een psychiatrie die mensen, die vastlopen door belemmeringen in de privésfeer of in de maatschappij, behandelt met medicijnen, verklaart impliciet dat deze belemmeringen ‘normaal’ zijn en werkt mee aan de instandhouding ervan door de effecten te verzachten en patiënten aan te passen. Een vorm van misbruik van de psychiatrie. Onbedoeld misschien, maar evengoed gevaarlijk: zeker als we bedenken dat een dergelijke psychiatrie, naast het oplappen van vastgelopen werknemers met medicijnen, ook op winst en groei gerichte werkgevers, die moeite hebben met het ontslaan van trouwe werknemers, aan een beter gevoel kunnen helpen met medicijnen die de werking van de spiegelneuronen afzwakken…      
 
Ingepast
In de anti-psychiatrie dacht men dat alle psychische problemen op te lossen waren door patiënten te bevrijden van belemmerende en verwarrende omstandigheden, waarbij wel werd erkend dat sommige mensen meer bevattelijk waren voor psychische problemen dan anderen, waarbij men vermoedde dat dit te maken had met een genetische aanleg. Inmiddels is duidelijk, dankzij de neurologie, dat en hoe genetische codes en daarmee samenhangende hersenfuncties hier een sleutelrol kunnen spelen en hoe afwijkingen van de hersenen, aangeboren of door schade, kunnen resulteren in bijvoorbeeld schizofrenie, depressie, problemen met de taal of het geheugen, met empathie of gezichtsherkenning. Door hier in te grijpen met medicijnen of chirurgische ingrepen kunnen mensen misschien verlost worden van tegenwind, vals plat, valkuilen, fata morgana’s of gevaarlijke bergstromen, die in de weg staan bij het maken van vrije keuzen en het verwerkelijken daarvan. Maar zolang de betreffende neuropsychologen, ondanks hun positieve bijdrage aan de vrijheid van hun patiënten, van mening zijn dat het bewustzijn eigenlijk geen rol speelt, kunnen hun behandelingen ook bedenkelijk zijn. Namelijk als mensen die in de verdrukking zijn gekomen of ontmoedigd geraakt in de privésfeer of in de maatschappelijke context, behandeld worden met medicijnen om ze aan te passen, in plaats van dat zij worden geholpen om zich te bevrijden. Daarom is het essentieel om de inspiratie van de anti-psychiatrie ter harte te nemen en op neurologie gebaseerde behandelingen op te nemen in een breder verband, in een omgeving van therapieën die ook aandacht besteden aan een mogelijke rol van de omstandigheden. Zo kunnen deze behandelingen een plaats vinden in het perspectief van de existentialistische filosofie, ondanks het feit dat men binnen de discipline misschien van mening is dat het bewustzijn en vrijheid een ‘prettige illusie’ zijn.        
     
Neurofeedback
Niet iedereen in het vakgebied van de neurologie ziet de mens als een soort automaat die bestuurd wordt door processen in de hersenen. Zo laat neuropsychiater André Aleman zien hoe mindfulness en bewuste reflectie, naast medicijnen, kunnen bijdragen aan herstel of versterking van hersenfuncties. (André Aleman, ‘Je brein de baas’, 2017, p. 119-179)   
Hierbij beschrijft hij ook een tot nu toe onmogelijke manier waarop wij ons als bewuste wezens, direct, op onze hersenfuncties kunnen betrekken, waarbij wij deze zelfs kunnen trainen. Hier betreden we het terrein van de neurofeedback.
 

Denk het vierkantje rood!

Door gebruik te maken van een EEG of een MRI scan, kunnen hersenactiviteiten in verschillende gedeelten van de hersenen zichtbaar worden gemaakt op een scherm. Hierbij kan de activiteit van zo’n hersengebied in beeld worden gebracht door gekleurde vormen. Bijvoorbeeld in een vierkantje dat blauw kleurt bij een lage activiteit van een bepaald hersengebied en rood bij een hoge activiteit hiervan. Het blijkt nu dat wij, door ons te concentreren, de kleur kunnen veranderen, waarmee we de hersenactiviteit verhogen of verlagen. Zo kan men de sterkte opvoeren van bijvoorbeeld theta golven in de frontale schors, die het werkgeheugen, remmingen en flexibiliteit stimuleren. (idem p. 105-106)
Deze werkwijze kan bijvoorbeeld worden toegepast om depressies te bestrijden of om het werkgeheugen te verbeteren. Het is echter nog te vroeg om te kunnen zeggen of deze verbeteringen blijvend zijn. (idem p. 116-117)
Hoe ver zijn we hier af van het idee dat hersenprocessen onze keuzen bepalen… hier zijn de rollen omgedraaid!
Het is bemoedigend dat het belang van het bewustzijn in deze neurologische benadering van psychische problemen erkend wordt. Hiermee kan deze behandelwijze aansluiting vinden bij andere therapeutische praktijken waar de vrijheid centraal staat, terwijl het gemakkelijker wordt, of zelfs voor de hand ligt, om deze behandelwijze in het perspectief te plaatsen van de filosofie van het existentialisme.    
 
 
          Conclusies
 
De vraag was of de bevindingen van neurowetenschappers die de neiging hebben de rol van het bewustzijn en de menselijke vrijheid te marginaliseren, geplaatst konden worden in het perspectief van de existentiefilosofie, waarin bewustzijn en de menselijke vrijheid voorop staan.
 
In het geval van de alarmerende uitkomst van het experiment van Benjamin Libet konden we door uit te zoomen concluderen dat het aannemelijk is dat het gemeten bereidheidspotentiaal, dat tot actie leek te besluiten voordat de proefpersonen dat zelf deden, het gevolg moet zijn van een keuzemoment dat vooraf ging aan het experiment, het moment waarop de proefpersonen besloten eraan mee te doen. En dan is het keuzemoment dat Libet heeft gevonden eigenlijk het moment dat de keuze tot uitvoering wordt gebracht: het ‘ja nu‘ moment.  
 
Voortredenerend op het idee van ‘veto’ dat Libet introduceerde, om de mogelijkheid van de vrije keuze te redden, kunnen we tot de conclusie komen dat de wil, als bewaker en ondersteuner, ervoor zorgt dat wij ons, ondanks tegenspoed of afleidingen, kunnen houden aan eenmaal gemaakte keuzen. Waarmee duidelijk is dat de wil zelf niet vrij is, zoals vaak wordt gedacht, maar in dienst van de vrije keuze.     
 
Ook de observatie van Victor Lamme, dat onbewuste associaties in het brein ervoor zorgen dat we (bedenkelijke) besluiten nemen, die we vervolgens sanctioneren door middel van rationalisaties, kunnen we in een existentialistisch perspectief plaatsen. De ‘Gestaltbenadering’ laat namelijk zien dat we ons door middel van een gesprek of een therapie, van storende onbewuste associaties kunnen bevrijden door ons ervan bewust te worden. Daarmee kunnen wij voorkomen dat wij onze keuzen rechtvaardigen door middel van rationalisaties, terwijl deze in werkelijkheid op hele andere, soms bedenkelijke, gronden berusten dan we denken.
 
Door het prestige van de rede kunnen we, ook zonder storende onbewuste associaties, vervallen tot rationalisaties, waarmee we ons gevoel te kort doen. Dit zouden we kunnen tegengaan door ons te realiseren dat bij een keuze onderscheid kan woorden gemaakt tussen twee houdingen, namelijk de situationele en de instrumentele houding en dat het gevoel, dat meekomt aan de situationele houding, en de rede, die meekomt aan de instrumentele houding, elk hun hun eigen rol spelen. Waarbij het gevoel het doel bepaalt, terwijl de rede het middel is om de route naar dit doel te bepalen.
 
Intussen hoeft de rol van onze vrijheid bij het maken van een keuze niet beperkt te blijven tot het beoordelen van alternatieven. Want onze vrijheid is niet alleen ‘aan het werk’ als we kiezen uit alternatieven, onze vrijheid maakt ook dat we creatief kunnen zijn bij het ontdekken of ontwikkelen, van mogelijkheden die in deze alternatieven vervat liggen, en van nieuwe wegen die ons daarheen kunnen leiden. Alternatieven kunnen zich ontplooien!     
 
Niet alleen opvattingen van Victor Lamme, maar ook die van Dick Swaab zouden ons ertoe kunnen verleiden de resultaten van hun hersenonderzoek te zien als een bedreiging van de menselijke vrijheid, zeker als daar rechtstreeks psychiatrische behandelingen aan worden gekoppeld. De diskwalificatie van de menselijke vrijheid, als hier bestempeld wordt als een illusie, kan leiden tot misbruik van de psychiatrie, omdat deze dan kan worden ingezet om mensen die vastlopen in hun privésituatie of gedupeerde werknemers met een depressie of burn out weer blij te maken, zonder iets te doen aan de belemmeringen die hier de oorzaak van waren. Of om werkgevers te verlossen van een slecht geweten als zij werknemers geweld aandoen.
Wat niet wegneemt dat de onderzoeksresultaten van Lamme en Swaab zeer waardevol kunnen zijn, zolang wij de stellingnamen van beide onderzoekers maar niet omarmen en hun behandelingen opnemen in een groter verband waarin wel wordt uitgegaan van de menselijke vrijheid.
 
Niet alle hersenonderzoekers gaan uit van het idee dat het menselijk bewustzijn geen rol speelt bij psychische problemen. André Aleman laat zien dat een behandeling op basis van hersenonderzoek kan worden opgenomen in het perspectief van de vrijheid, door patiënten bewust mee te laten werken aan verbetering van hun hersenfuncties.    


André Aleman: bewuste invloed op de hersenwerking door neurofeedback

Hiernaast laat Aleman de nieuwste variant zien van de op hersenonderzoek steunende psychiatrie, de neurofeedback, die patiënten in staat stelt hersenfuncties direct te verbeteren door manipulatie van een afbeelding van hersenfuncties op een scherm.
De aandacht van Aleman voor bewustzijn de vrijheid maakt dat deze op de neurologie gebaseerde behandelingen in principe kunnen worden verbonden met andere vormen van therapie, die de vrijheid van patiënten ondersteunen.
 
En zo lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat de uitkomsten en toepassingen van neurologisch onderzoek in het perspectief van de existentiefilosofie kunnen worden opgenomen. Waarbij we afstand kunnen nemen van door het sciëntisme geïnspireerde uitspraken van onderzoekers als Lamme en Swaab, die erop neerkomen dat niet alleen verantwoordelijkheid maar ook zelfverwerkelijking, creativiteit, liefde, sociaal gedrag, ethiek en een zinvol leven slechts effecten zouden zijn van een illusie.
 
Dec 2018                                                                     



 
Juli 5th, 2018


Fan Hui verliest van DeepMind

 

We hoeven maar te denken aan de cv installatie, fornuizen, stofzuigers, waterleiding, elektriciteit, sanitaire voorzieningen, auto’s, straten en wegen, verkeersregels en bestuurlijke regels, om te zien dat automatismen ons vrij kunnen maken om nieuwe interesses te volgen of te ontwikkelen. Het idee van helpende robots is dus niet zonder meer verwerpelijk. Maar wat nu als deze, om ons beter te kunnen begrijpen en helpen, op een dag van bewustzijn worden voorzien. Dan zullen zij vrij zijn om hun eigen plan te trekken, net als wij. Zullen zij dan niet de wereld van ons overnemen?
 
 
Onszelf begrijpen
Een robot maken als een mens is dan misschien gevaarlijk, het is ook een uitdaging. Want als dat lukt, hebben we dan niet bewezen dat we onszelf uiteindelijk begrepen hebben?  
Al in 1770 probeerde Wolfgang von Kempelen een machine te maken die, net als een mens, kon schaken. Maar Wolfgang speelde vals… in de machine zat een menselijke speler van vlees en bloed verborgen.      


De schakende Turk. Wolfgang von Kempelen, 1770
 
Veel later werden er computers ontwikkeld die niet alleen goed konden rekenen maar die ook ingewikkelde taken konden uitvoeren, zoals het kraken van geheime codes. 
 

Colossus, een vroege versie van de computer, gebruikt om de Duitse codes te ontcijferen in de Tweede Wereldoorlog
 
Uiteindelijk is het IBM in 1996 gelukt een computer te ontwikkelen, ‘Deep Blue’, die ‘zelf’ kon schaken, zonder hulp van een verborgen speler. Deze leek dan wel niet op een mens, maar versloeg wel grootmeester Kasparov. Intussen is de ontwikkeling van spelende computers doorgegaan. In 2016 versloeg de computer ‘DeepMind’ grootmeester Fan Hui in het eeuwenoude ‘go’ spel dat nog ingewikkelder is dan schaken. Dit lukte dankzij het ‘zelflerende’ vermogen van moderne computerprogramma’s. Hier start de computer met een simpel programma, terwijl terugkoppeling van de resultaten leidt tot een proces van voortdurende verbetering van dat programma.
 
Computer met bewustzijn? 
Deep Blue was een echte schaakcomputer, zonder mens erin. Was het eindelijk gelukt om echt een mens na te maken? Of althans het principe van het menselijk denkvermogen.
Er gaan geruchten dat de programmeurs van Deep Blue zich tijdens de match nog met het programma bemoeid hebben. Maar bij DeepMind zou de computer dan toch op eigen kracht gewonnen hebben… door het zelflerende programma. ‘Zelflerend’, een term die doet vermoeden dat we inderdaad in staat zijn het bewuste denken van de mens na te maken. Maakt dit computer robots vrij om hun eigen plan te trekken? Dat zou geweldig zijn, maar niet minder angstaanjagend.
 

De ‘Princesse’ in Liverpool 2009. Nu nog met 12 verborgen operateurs…
 Ontworpen door Francois Delaroziere. 
 
Essentieel bij ‘zelflerend’ is het idee van terugkoppeling. In het stoomtijdperk gebruikte men al een terugkoppelingsmechanisme om de snelheid van stoommachines in toom te houden. Zo bestond de zogenaamde ‘Governor’ uit een met de motor verbonden as die was voorzien van gewichtjes. Bij toenemende snelheid van motor, en daarmee van de as, werden de gewichtjes door de middelpuntvliedende kracht uit elkaar gedreven. Daardoor werd een hefboom bewogen die de stoomtoevoer verminderde. Het begin van het idee dat een machine wist wat hij deed, bewust van de omgeving.               
 
                                        
                                        De ‘Governor’ leek zich bewust te zijn van de omgeving
 
Een paar decennia geleden introduceerde men auto’s met een ‘denkende’ radiator: een fan die aansloeg om de radiator te koelen, als de temperatuur van de motor te hoog werd. Hetzelfde zien we bij de kamerthermostaat die de verwarming activeert als het te koud wordt, en ook hier kan terugkoppeling worden aangezien voor denken. Maar is dit apparaatje voorzien van een bewustzijn dat de kou of de warmte in de kamer kan voelen? Dit zal niemand serieus denken, maar met computers kan men, ook door terugkoppeling, dichter in de buurt komen van de suggestie van menselijk denken.
 
Al in de jaren zestig leek het erop dat de computer als mens zou kunnen denken. Tussen 1964 en 1966 ontwikkelde Joseph Weizenbaum het programma ELIZA op basis van de psychiatrie van Carl Rogers. Door dit programma leek de computer op een psychiater, die op verhalen van patiënten reageerde met relevante vragen, waardoor patiënten makkelijk konden geloven dat ze met een persoon te maken hadden. Deze terugkoppeling van de computer, die bedoeld was voor een zinvolle interactie met de patiënt, was ontleend aan psychiatrische literatuur en ervaringen. Daardoor leek het misschien dat ELIZA echt wist wat ‘zij’ deed en bewust was.  


 
Dit voorbeeld laat zien hoe we makkelijk kunnen gaan geloven dat computers uiteindelijk toch een soort mensen kunnen zijn, met begrip voor menselijke zaken. En inmiddels hebben we computers ontwikkeld, niet met menselijke kennis, maar met een het vermogen te leren van de resultaten van eigen acties… waardoor zij ook erg menselijk aandoen.
 
Blind functionerende mechanismen
Sinds de ‘Governor’ zijn terugkoppelingsmechanismen steeds gecompliceerder geworden. De ‘denkende radiator’ en de kamerthermostaat werkten nog met een eenvoudig bimetaal dat een stroomkring sloot, waardoor respectievelijk een fan en een cv ketel in werking werden gesteld. Een mechanische terugkoppeling.

                  

Bij computers gaat het om een elektronisch gedefinieerde terugkoppeling, waarbij de output wordt bepaald aan de hand van de input, of waarbij resultaten worden teruggekoppeld om initiële programma’s aan te passen. Op grond waarvan zouden we nu moeten aannemen dat het bij deze voorbeelden van terugkoppeling om meer gaat dan blind functionerende mechanismen?
 
Complexiteit en bewustzijn
Er zijn stemmen die beweren dat de toenemende complexiteit van het elektronische verkeer in computers er uiteindelijk voor zal zorgen dat deze zich bewust worden van hun omgeving. Eenmaal verlost van hun blindheid zouden zij in staat zijn om keuzen te maken, een eigen leven te leiden en uiteindelijk de wereld te overheersen.
 
https://www.youtube.com/watch?v=UIWWLg4wLEY 
 
Maar laten we nuchter blijven en ons eerst afvragen: wat zijn bewuste ervaringen? Als we dit proberen te begrijpen stuiten we op een probleem, want alles wat we aanvoeren om de ervaring te verklaren, elektrische stroompjes, chemische omzettingen, dendrieten, synapsen, dit alles bestaat dankzij de ervaring. Een dergelijke verklaring gaat dus uit van wat we nog moeten verklaren. Dat komt neer op een truc, een clandestiene operatie. Conclusie: onze bewuste ervaring is eenvoudigweg niet te verklaren. Hoe zouden we dan in staat zijn om computers zo te programmeren dat zij deze genereren! 
Een geruststellend probleem waardoor we niet meer hoeven te vrezen dat bewust geworden robots de wereld van ons over zullen nemen. *)
 
Don’t mind the dog, mind the owner
Kunnen we nu dus met een gerust hart achterover leunen? Toch maar niet. Zoals we eerder hebben gezien kunnen computers, al weten ze het zelf niet, gezichten herkennen in een menigte. Hetzelfde geldt voor kleding en objecten. Dit heeft militaire toepassingen mogelijk gemaakt: robots op het slagveld of drones erboven, die vijanden kunnen herkennen, en wat meer is: ook ombrengen.
 

Een zwerm ‘killer drones’
 
Ook zagen we dat computers, op basis van patroonherkenning, kunnen voorspellen wat consumenten in de toekomst nodig zullen hebben. Dit is niet alles, deze computers kunnen ook voorspellen wie in de toekomst mogelijk in de moeilijkheden komen of een gevaar gaan vormen voor de samenleving. Toekomstmuziek? Van de benodigde algoritmen wordt in sommige gemeenten al gebruik gemaakt om een idee te krijgen van waar de kinderen wonen door spijbelen een leerachterstand zullen oplopen, of van welke inwoners de kans lopen in financiële problemen komen.
Combineren we nu de militaire toepassingen met het voorspellend vermogen, dan kunnen we ons gewapende robots of drones voorstellen die, steeds beter, in staat zullen zijn te herkennen wie er in de toekomst mogelijk problemen zal gaan veroorzaken voor de gevestigde orde.

Uitgerust met gezichtsherkenning zouden drones potentiële activisten of dissidenten preventief kunnen liquideren. Robots zonder bewustzijn, maar wel gevaarlijk! 
Het zijn dus niet de robots ‘zelf’ die het gevaar vormen, hoe zelfstandig zij ook opereren. Het zijn hun baasjes die we in de gaten moeten houden… of beter gezegd, de bedrijven of regimes die deze robotjes ontwikkelen en inzetten. Om te voorkomen dat het inderdaad zo erg wordt. Immers, ervaringen uit het verleden vormen geen garantie voor een zonnige toekomst.  
 
 
 
 *) Dit geruststellende probleem is aan de andere kant misschien niet zo geruststellend als we ons realiseren dat ons leven geheel is ingebed in deze onverklaarbare ervaringen….
 
 
 
 
 
April 10th, 2018


Niet tegen abstracties kunnen is misschien wel een probleem dat zich al veel eerder heeft gemanifesteerd in het menselijke denken! Een interessante hypothese: het bestaan van goden kan begrepen worden als het onvermogen om abstracties te begrijpen… waardoor we blijven we steken in ons denken over ons bestaan, zingeving en ethiek.
 
Abstractie als toegevoegd verhaal
Yuval Noah Harari beschrijft in het eerste hoofdstuk van ‘Homo Sapiens’, het  menselijk vermogen om abstracties te maken als een vermogen om een verbindend verhaal te bedenken. Zo zou ‘Peugeot’ als automerk niet bestaan, dat is slechts een construct, een verhaal. Wat wel bestaat zijn allemaal losse fabrieks- en kantoorgebouwen, en natuurlijk auto’s met het logo ‘Peugeot’ erop.
Zo zou ook God een toegevoegd verhaal zijn, en als we er allemaal in geloven, dan kunnen we er mee werken. Leve de mens.
Verder een goed boek, maar het eerste hoofdstuk bracht me tot de conclusie dat Harari niet tegen abstracties kan. Hij maakt er een losse toevoeging van, om eveneens ‘losse elementen’ uit onze wereld met elkaar te verbinden.
 
Abstracties als gedeeld verhaal
Hoe kunnen we abstracties dan wel begrijpen, als het geen toegevoegde realiteiten zijn? Ik zou zeggen: je ziet de abstractie mee in het individuele object. Als ik naar een stoel kijk, dan zie ik tegelijkertijd dat er eigenschappen zijn van deze individuele stoel die passen in het algemene idee van een stoel. Dat zie ik erin mee. Dat is geen toegevoegd verhaal, dat ik iemand wijs kan maken, waar je in kunt geloven, het zijn algemene kenmerken die je door de individuele heen ziet. Een belangrijk gegeven, want daardoor kun je, zonder erbij stil te staan, gewoon op een stoel gaan zitten, ook al heb je die nog nooit gezien.     
 
          
       
 
Een abstractie is niet altijd een situatie, het kan ook een werking zijn, een mechanisme. Als ik een oude stoomlocomotief zie, eentje die ik nooit eerder heb gezien, dan begrijp ik meteen dat het gaat om een ‘stoomlocomotief’. Zonder stil te staan bij de ketel, het vuur, zuigers, wielen en rails… Dat zou trouwens niet lukken, want wat hoe zou ik een 'ketel' of 'vuur' herkennen zonder een abstract begrip ervan! 


 
 
Personificatie
Je ziet de abstracties die objecten of gebeurtenissen delen, zonder er bij stil te staan. Maar dat maakt het ook moeilijk ze ter sprake te brengen. Misschien is dit de oorsprong van de personificatie. 
In ons leven kunnen we op verschillende mensen verliefd zijn, we zien ook bij anderen dat ze verliefd zijn. Het gaat steeds om andere combinaties van mensen, maar zij voelen zich allemaal, met vlinders in de buik, tot elkaar aangetrokken.  
Wat zij gemeen hebben kunnen we, ook weer zonder erbij stil te staan, begrijpen als verliefdheid. Een abstractie van hun individuele gevallen. Maar voor wie dat lastig vindt, kan deze abstractie ook ‘Eros’ genoemd worden, zoals de oude Grieken deden. Een personificatie van de abstractie.

                        
 
                       Eros
 
Bijkomend voordeel: met een personificatie kun je abstracties ter sprake brengen als een soort ‘persoon’. Wat dan weer de mogelijkheid opent om je tot deze ‘persoon’ te richten met vragen of smeekbeden. ‘Wil je alsjeblieft zorgen dat ze weer van me houdt’. Je kunt er een kip bij offeren om te laten zien dat je het meent… want het is nog maar de vraag of die onzichtbare ‘persoon’ je eigenlijk wel begrijpt.   
Je hebt nu dus een ‘drager’ van de abstractie, net zo concreet als de feiten die hij verbindt, plus dat je ermee in contact kunt komen, door gebed of offers. Het enige is dat je de onzichtbaarheid voor lief moet nemen. Hij of zij is niet op aarde, dat doet wel afbreuk aan de concreetheid waar je eigenlijk naar op zoek bent, maar ja, beter wordt het niet.
En voor wie het aankan is dit een herinnering aan het feit dat het gaat om een personificatie en niet om een persoon…  
Nu zijn we gewend aan abstracties en hebben we geen goden meer nodig om stoelen te verbinden of locomotieven. Behalve misschien Harari. 
Dat was vroeger wel anders: Veel volkeren hadden hun eigen goden, allemaal met een eigen terrein. Zo hadden de Grieken er een hele reeks, een grote familie, wat ook weer lekker concreet overkomt. Met bijvoorbeeld, Dionysos, de god van de vruchtbaarheid, de wijn en de extase, of Poseidon, de god van de zee, die alle verschijnselen die met de zee te maken hebben verbindt, en bovendien aardschokken kan veroorzaken. Of Demeter, de godin van de landbouw en van leven en dood… 
                        
                        

                       Poseidon
 
Terzijde: Plato
Net als locomotieven en stoelen hebben paarden iets waardoor je ze als soort herkent. Voor Plato was dit de ideale vorm die op aarde niet haalbaar was. Hij had voor de abstractie geen personificatie in petto, maar een ideaaltype. Dat was al een stap vooruit. Als erfenis van de goden: de abstracties waren eeuwig en verbleven in de soort hemel, niet op aarde.
Maar het rammelt nog wel wat: een ideale cirkel kun je je voorstellen, als abstractie van de aardste, door aardse rommeligheid aangetaste cirkel.

               
     Plato                                                              Heldere abstracties  
 
Maar wat is een ideale stoel of in later tijden een ideale stoomlocomotief? Bij stereometrische figuren zijn abstracties misschien zo te definiëren. Maar wat is een ideale stoel of ideale stoomlocomotief? Hier zijn abstracte, gedeelde kwaliteiten juist niet zo helder te omschrijven. Maar misschien bedoelde Plato niet de ‘ideale’ verschijningsvorm, maar de verschijningsvorm ‘naar het idee genomen’. Het was intussen ook een poging om van de verwarrende personificaties te overwinnen, personificaties die de wereld naar hun hand lijken te zetten en die ten onrechte de verwachting wekken dat zij te beïnvloeden zijn met vragen, wensen of offers.
 
Eén God voor alles
Tot nu toe hadden we het over abstracties van concrete zaken. Stoelen, locomotieven, verliefdheid, extase, stormen op zee en aardbevingen, de oogst, zaken waar je mee omgaat, in de sfeer van ‘wat je doet’ in het dagelijks leven.
aar nu komt er één god voor ‘alles’. Het hoeft ons niet te verwonderen dat deze abstractie al gauw wordt geïnterpreteerd als de vorigen: als behorend bij ‘wat we doen’, als behorend bij concrete zaken. En zo gaat men ook deze god bestoken met vragen en wensen… als een ‘persoon’ waar je mee in contact kan treden met vragen of wensen.
Maar: als één god alle abstracties vertegenwoordigd, wat is z’n betekenis dan nog? Hoe kan ik een oogst nog van een aardbeving onderscheiden… Mogelijk kunnen we concluderen dat de verschillende abstracties zijn ingeburgerd en niet langer gepersonifieerd hoeven te worden. Maar de onvrede blijft en daarmee de behoefte om deze god met vragen en wensen te bestoken. Totdat ook dit verdwijnt doordat de wetenschappen steeds meer causaliteit onthullen in de ons omringende wereld. Zoals Donar verdwenen is toen we de bliksem konden begrijpen als een verschijnsel van fysische causale wetten.   
 
                                 
                                Donar, door Friedrich Koch ca 1905
 
Dat we dat doen
Toch is het idee van ‘een god voor alles’ niet verdwenen. Laten we even doorzoeken: welke abstract begrip komt nu bij ‘alles’ om de hoek kijken? Dit is het feit dat de dingen voor ons bestaan, dat we ons bewust zijn van de wereld! Die éne god is dus niet een vervanging van al die andere, hij bevindt zich op een ander niveau: niet op het niveau van ‘wat we doen’ in alle verschillende zijnsregionen, maar op het niveau van ‘dat we dat doen’. Als we vanaf dat niveau kijken naar ‘wat we doen’ dan zien we dat we ons bij ‘wat we doen’ bewust zijn van onze verschillende situaties. De abstractie die dat alles verbindt is ons bewustzijn van de wereld en van onszelf… 
 
Niets! Ha!
Wat is dit voor een abstractie, hoe kunnen we deze ter sprake brengen? We zouden ons hier kunnen laten verleiden tot het standpunt dat we, nu we de bliksem op de goden veroverd hebben, ook het feit kunnen verklaren dat de wereld voor ons bestaat, ons bewustzijn. Zo niet nu, dan toch wel later, als de wetenschap zich verder ontwikkeld heeft. Maar deze gedachte is helaas onwetenschappelijk en logisch niet houdbaar… Want stel dat we het bewustzijn zouden willen verklaren uit stroompjes en chemische omzettingen, dat wil zeggen, uit dingen waar we ons van bewust zijn, dan zouden we bij deze verklaring gebruik maken van het bewustzijn dat we proberen te verklaren! Een tautologie! Onwetenschappelijk en onlogisch. Dus moeten we tot de conclusie komen dat het bewustzijn niet te verklaren is, uit ‘niets’ te verklaren is. Wat ons bewust maakt is dus ‘niets’! Ha!
In het Verre Oosten is dat al eeuwen geen nieuws, in het Westen is dat in de 20ste eeuw geïntroduceerd door Heidegger en Sartre, en het is nog steeds wennen!
 
Schepping
En net zoals de abstractie die je, bij ‘locomotieven’ of ‘stoelen’ of wat je maar wilt, mee ziet in de individuele objecten, zo zien we deze abstractie mee als we kijken naar wat we als mensen allemaal doen. Nu kunnen we ook deze abstractie, van hoe we ons allemaal bewust zijn van de wereld, laten vertegenwoordigen door een personificatie, net als bij de Griekse goden, om deze bespreekbaar te maken, en er vat op krijgen, en dat is ook gebeurd: we hebben een god ingevoerd en wat hierbij opvalt is dat deze geen naam heeft. Hij heet niet Zeus of Alexander of Josias. Maar een naam is ook niet nodig, deze god gaat in één keer over ‘alles’. Hij is de god, met hoofdletter, dus God.  

                                                      
                                 
                                  De God, door Cima de Conegliano ca 1510
 
Dat er maar één God bestaat is al een aanwijzing dat het niet om de ene of de andere abstractie gaat, zoals verliefdheid of stoelen of locomotieven of de oogst maar om die ene abstractie die over ‘alles’ gaat, die aan de basis van ‘alles’ staat. Daarom begint de bijbel ook met het scheppingsverhaal, waarin we God kunnen zien als de personificatie van het ‘niets’ waardoor de wereld ontstaat, in de zin van dat we ons er bewust van kunnen worden.
Maar ook deze personificatie is aanleiding geweest voor een misverstand. Als je deze personificatie, net als bij de Griekse of andere goden, letterlijk neemt dan krijg je een onzichtbare ‘persoon’ die alles gemaakt heeft (Vraag niet hoe!) en met wie je in contact kunt komen om dingen te vragen.   
 
Zingeving en ethiek
Met God als personificatie van het ‘niets’ bevinden we ons dus niet op het niveau van ‘wat we doen’ maar op het niveau van ‘dat we dat doen’. Dit blijkt uit de Bijbel (=boek,  ook weer zonder naam of titel, maar wel weer met hoofdletter, dus eigenlijk het boek) waarin onderwerpen aan de orde wordt gesteld die kenmerkend zijn voor het niveau van ‘dat we dat doen’, onderwerpen die te maken hebben met het besef dat we ‘niets’ zijn, of ‘vrij’, zoals creativiteit, zelfverwerkelijking, zingeving en ethiek.  
Maar in de Bijbel worden deze onderwerpen aangetast door de autoriteit van de personificatie. Zo wordt de gelovige opgedragen ‘God te dienen’, wat betekent dat je God lief moet hebben, dat je je talenten moet ontwikkelen, en dat je de ander lief moet hebben.
Als je deze opdracht naar behoren uitvoert mag je na je dood, als beloning, bij God aan het hof komen wonen. In sommige religieuze kringen wordt hier nog een dreigement aan toegevoegd: als je ongehoorzaam bent dan zal je helaas eeuwig moeten branden in de hel.

     
  De hemel, Antonio Verrio 1686-1697 (Burghley House)
 
Zo wordt een perspectief dat gaat over een zinvol leven, waarin je laat gelden wat je bent, en wat anderen zijn, omgetoverd tot een ‘wees spontaan paradox’ waarbij je leven wordt bepaald door ontzag voor de heerser, het streven naar de beloning en in het slechtste geval ook angst voor de straf.    
      
                
               Pas maar op!
 
Als de betekenis van het moeilijk te vatten ‘niets’ meer zou heersen in de wereld, zou deze er een stuk op vooruit gaan. Maar wat blijft hier van over als we bij ‘heersen’ denken aan een heerser die we moeten gehoorzamen. Kan een misverstand groter zijn?!
God dood verklaren kan ons hiervan bevrijden, maar het is misschien toch te theatraal en te resentful, Als we nu eens begrepen waar het bij deze personificatie om ging… dan konden we deze met een gerust hart achter ons laten. En openstaan voor onszelf en elkaar en voor het geheimzinnige gegeven dat we ons van de wereld om ons heen bewust zijn…  
 


                                                     Hoe wonderlijk bovennatuurlijk en miraculeus is het toch:
                                                     ik draag water en ik haal brandhout



Flip Krabbendam april 2018
 
Februari 28th, 2017
De homo reciprocus en onze bevrijding van de onzichtbare hand

In de economie wordt uitgegaan van de ‘homo economicus’, die wordt voorgesteld als een berekenend wezen dat slechts op zijn eigen belang uit is. Daarvoor kan hij terecht op de ‘vrije markt’. Het idee is dat deze ervoor zorgt dat ieders behoeften optimaal bevredigd zullen worden. Regeringen in een groot deel van de westerse wereld lijken dit idee massaal te onderschrijven, en zij treden terug om de ‘marktwerking’ de kans te geven.      

Psychologie en sociologie
Maar er is kritiek op dit mensbeeld van de ‘homo economicus’. Psychologen vertellen ons dat onze keuzen niet zo rationeel zijn als hier wordt verondersteld. We kiezen veel meer op ons gevoel dan op grond van berekeningen. Onderbewustzijn, intuïtie, sociale achtergrond, opleiding, er zijn heel wat omstandigheden die onze keuzen minder rationeel maken. Daarom zou men in de economische wetenschappen beter uit kunnen gaan van de  homo psychologicus.
Maar ook de sociale omgeving is van invloed op de keuzen die mensen maken: zij kiezen producten die geassocieerd kunnen worden met de groep waar zij bij horen of bij willen horen. Dat zou ervoor pleiten uit te gaan van de homo sociologicus.  

Reclameblok
Het mensbeeld waar men in de economie vanuit gaat zou misschien moeten worden aangepast, maar het is de vraag of bij beide alternatieven voldoende naar de praktijk is gekeken. Je hoeft maar één keer een reclameblok op de televisie uit te zitten om te beseffen dat aanbieders op de vrije markt van een heel ander mensbeeld uitgaan. Zij zien de mens als een wezen dat op allerlei manieren te verleiden is. Bijvoorbeeld door te wijzen op het statusverhogende effect van een product, of op het ingebakken geluksgevoel, of op het idee dat een aankoop de authenticiteit van de koper bevestigt, of zelfs zijn vrijheid! Om dit idee kracht bij te zetten wordt de aangeboden waar vaak gepresenteerd in een context van gelukkige, aantrekkelijke, vaak vrouwelijke personen, in een omgeving die geassocieerd kan worden met status, geluk en vrijheid. Een oude stad, een palmenstrand of een avontuurlijk landschap.   
 

 
            
Gelukkig door aankoop cabrio
 
Onderzoek naar verleidingstaktieken
Tegenwoordig kan met hersenscans bepaald worden welke reclames effectief zijn en welke niet. Neuromarleting. Het blijkt dat afbeeldingen van geliefde stripfiguren of bekende Nederlanders doel treffen in de hersenen, ook keurmerken helpen of de aanbeveling ‘als beste getest’. En omdat niet wettelijk is vastgelegd waar keurmerken en tests aan moeten voldoen, is hier alles geoorloofd. Wettelijk toegestane ‘alternatieve feiten’.  

Ook de inrichting van supermarkten is onderzocht. Al in de vijftiger jaren onderzocht Victor Gruen in de VS hoe men klanten het beste tot kopen kon verleiden. De uitkomsten van dit onderzoek kan men in de eigen supermarkt terugvinden. 
Direct na de ingang bevindt zich gewoonlijk de groenteafdeling, waar men zelf vruchten en groente kan uitkiezen, afwegen en in zakjes doen. Deze groenteafdeling werkt als een ‘decompressiezone’ die de klant tot stilstand brengt, om deze minder gehaast te maken en minder doelgericht. Als de doorloopsnelheid wordt afgeremd, blijken klanten ontvankelijker voor aanbiedingen en gaan zij gemakkelijker over tot het aankopen van producten waar zij niet voor gekomen waren: impulsaankopen.   



Decompressiezone remt doorloopsnelheid en stimuleert impulsaankopen
 
En de decompressiezone is pas het begin. Aangezien mensen de neiging hebben om rechtsom te lopen, met de wijzers van de klok mee, wordt de draairichting in supermarkten als het kan omgekeerd, om de doorloopsnelheid af te remmen, ook weer om klanten te verleiden tot impulsaankopen.   
Verder worden dagelijkse benodigdheden, zoals brood, melk en eieren, achterin de winkel aangeboden zodat men de hele winkel moet doorkruisen. Dit om de klant zoveel mogelijk te kunnen confronteren met aanbiedingen, ook weer met het doel impulsaankopen te bevorderen. Hiervoor wordt er voor een passende ambiance gezorgd. Weldadige geuren, kleuren, licht, muziek en gratis koffie moeten de klant in een prettige stemming brengen. Dit wordt omschreven als de ‘happiness factor’, want een vrolijke klant is een kooplustige klant.
Dan is er de ‘ooghoogtetactiek’ die er op neerkomt dat men duurdere artikelen op ooghoogte neerlegt en aanbiedingen op de onderste of de bovenste plank.
De leuke kleine kinderwinkelwagentjes zijn ervoor bedoeld dat kinderen hun ouders ‘helpen’ met impulsaankopen te doen. Daarvoor biedt de supermarkt snoepgoed en voor kinderen aantrekkelijke producten aan op de tweede plank van onderen, waar kinderen er goed bij kunnen.
Bij de kassa, waar men moet wachten wordt snoep aangeboden. Dit is een plek waar het extra moeilijk is om het snoepgoed dat kinderen hier op de band leggen weer terug te leggen. De kans bestaat namelijk dat zij daarover gaan zeuren of huilen en dan zijn andere klanten die ook in de rij staan getuige van hoe men optreedt tegen de eigen kinderen. Door producenten wordt hier in positieve zin gesproken van de ‘jengelfactor’ van producten.


Sisyphus en de sirenen
De ‘homo seductus’ wordt op verschillende wijzen onder druk gezet. Als ‘homo economicus’ wordt hij geacht, met het oog op z’n eigenbelang, jaarlijks de ziektekostenverzekering te heroverwegen, evenals de energieleverancier, de bank, de autoverzekering, de hypotheek, de brandverzekering, de WA verzekering, als ook het kabel-, telefoon- en internetabonnement. Alles wat geregeld lijkt te zijn moet worden overgedaan. Alsof je steeds opnieuw de band van je fiets moet oppompen. Daarnaast kan het voordelig zijn om per behandeling uit te zoeken welke (tand)arts of welk ziekenhuis het voordeligste is omdat er misschien een goedkopere aanbieder is. En dat is nog lang niet alles, eigenlijk moet de homo economicus regelmatig alle supermarkten in de omgeving afgaan voor aanbiedingen om te zien waar de dagelijkse boodschappen het voordeligste zijn. Intussen loopt de ‘homo sociologicus’ met hem mee om hem te vertellen welke producten ‘in’ zijn, waardoor hij erbij hoort of aanzien verwerft, terwijl de ‘homo psychologicus’ hem het geluk voorspiegelt en het gevoel vrij en authentiek te zijn door bepaalde aankopen. De ‘homo seductus’ is hier een soort Sisyphus, omringd door de Sirenen.     

Einde van de geschiedenis
Stel dat we de economische wetenschappen zouden verrijken en verdiepen door van beide mensbeelden uit te gaan, dan blijven we toch gevangen in een zekere eenzijdigheid, want nog steeds zou de zou de mens worden gereduceerd tot een koper waarop voortdurend druk wordt uitgeoefend om steeds het beste te kiezen uit een veelheid van voordelige en verleidelijke aanbiedingen.
Noch als homo economicus, noch als homo seductus komen we op deze manier toe aan onszelf, aan wat we zouden willen op basis van onze eigen ervaring. Nu verandert het aanbod wel voortdurend, producenten overladen de 'vrije markt' met steeds nieuwe voordelen en nieuw vermaak, maar dit gaat geheel buiten de consument om, en het is eigenlijk alleen maar meer van hetzelfde.'The more it changes, the more it stays the same’. Hier kunnen we aan de filosoof Fukuyama denken die in 1989 stelde dat onze op de vrije markt gebaseerde samenleving het einde van de geschiedenis betekende. Hij bedoelde dat niet als een waarschuwing… maar zo kunnen we er wel naar kijken.
 
Begin van de geschiedenis
Stel je voor: eeuwen geleden vestigden de Kaninefaten (tegenwoordig: Cananefaten) zich het bosgebied achter de duinen.



Kaninefaten vestigen zich in bosgebied achter de duinen
 
Zij zochten open plekken uit waar de bomen hen enigszins tegen de wind beschermden, maar niet tegen de regen. En zo bouwden zij daken boven hun verblijfsplek.
 


Een dak tegen de regen
 
Nu bleven zij droog, maar zij hadden toch nog last van de wind. Wanden boden enige bescherming, maar pas nadat men deuren had bedacht, die afgesloten konden worden, kon men de ruimte onder het dak van de buitenwereld afsluiten en zat men echt uit de wind. Maar opnieuw kon de situatie verbeterd worden. Het kon binnen namelijk toch nog flink koud zijn en daarom haalden zij het houtvuur binnen, maar niet nadat ze iets hadden gevonden op het probleem van de rook: een opening bij de nok van het dak.  
 
                 

Wanden en een opening voor de afvoer van rook
 
Zo voortredenerend kun je je voorstellen hoe een eeuwenlange ontwikkeling uiteindelijk leidde tot het woonhuis van nu. Deze schets is slechts een fictieve geschiedenis, toegegeven, maar daarom niet minder geschikt om als voorbeeld te dienen van hoe we de wereld om ons heen kunnen ontwikkelen.
 
Homo reciprocus
Uit het voorbeeld kunnen we aflezen dat er bij ontwikkeling sprake is van twee houdingen.
a) We ondergaan de situatie, receptief, waarbij we ervaren wat ons bevalt en wat verbeterd kan worden en b) we grijpen in, actief, om de situatie te verbeteren, waarbij we rekening houden met wat in ons vermogen ligt. Deze houdingen, receptief en actief, zijn wederkerig en de wisselwerking tussen beide maakt ontwikkelingen mogelijk. Dit is kenmerkend voor de mens die hierdoor (als het enige schepsel onder de zon) door de eeuwen heen zijn omgeving heeft kunnen ontwikkelen. Laten we deze mens daarom de ‘homo reciprocus’ noemen, de mens van de wederkerigheid. Dan hebben we een houvast bij het begrijpen van ontwikkelingen. En bij het begrijpen van wat ontwikkeling tegenhoudt!

De onzichtbare hand
Ons huidige economische bestel is terug te voeren op de ideeën van Bernard Mandeville en Adam Smith, beiden levend in de 18e eeuw. 4) Zij betoogden dat het voor de maatschappij als geheel het beste was als ieder zijn of haar eigenbelang nastreefde. Adam Smith stelde voor dat consumenten en producenten elkaar op een ‘vrije markt’ zouden treffen om te onderhandelen, waarbij zij elk uitgingen van hun eigen belang. Als voorbeeld gaf hij een klant die bij de bakker kwam. Doordat klanten ook bij andere bakkers brood konden kopen, zouden alle bakkers scherp blijven en proberen het beste brood voor de laagste prijs aan te bieden. Zo zouden bakkers efficiënt produceren en klanten zouden de beste waar krijgen: een situatie waarin het eigenbelang in ieders belang zijn. Het zou lijken of een ‘onzichtbare hand’ ervoor zorgde dat ieder zijn of haar deel kreeg.

Hoewel Adam Smith beweerde dat vertrouwen een belangrijke factor was, baseerde hij z’n economisch model op een consument die principieel onbetrouwbaar was. Want eigenlijk zei de consument tegen de producent: ‘Als ik het ergens anders beter kan krijgen, dan ben ik weg’. Wie zoiets tegen zijn of haar partner zegt, kan ervan uitgaan dat dit het einde van de relatie betekent.

Het hoeft ons dan ook niet te verbazen dat de producent probeert te overleven door de consument onder druk te zetten en door groot te worden. Helaas zijn er ‘meerdere bakkers’ die hetzelfde willen, dus eigenlijk is niet ‘groot’ het goede antwoord op de onzekerheid, maar ‘grootste’. Of ‘grootste van de wereld’.

Verslaving
Als gevolg hiervan zien we bedrijven die proberen te groeien door producten op de markt brengen die bedoeld zijn om de klant te verleiden. Waarbij we kunnen constateren dat de positie van de consument niet zo comfortabel is geworden als hem werd voorgespiegeld in het voorbeeld van de bakker.

In maart 2016 was er op de Stanford University, in Silicon Valley, een congres waarop men besprak hoe men apps verslavender kon maken, en de consument hooked. Ook dit jaar was er weer zo’n congres met Nir Eyal als sterspreker (die het boek ‘Hooked’ schreef). Een andere beroemdheid op dit gebied is Natasha Dow Schüll (boek: ‘Addiction by design’) Het zijn slechts voorbeelden, maar die passen in het beeld van producenten die vooral bezig zijn de consument te verleiden en te misleiden. In dit geval gaat het om Facebook, Snapchat, Instagram en WhatsApp, die failliet zouden gaan als consumenten niet ‘een gewoonte vormen’ om uit zichzelf terug te komen. Uit zichzelf? Of vanwege hun ‘gewoonte vorming’ lees: verslaving! 

Instrumentele houding op zichzelf betrokken
De wisselwerking tussen de receptieve, situationele houding van de consument en de actieve, instrumentele houding van de producent is verloren gegaan, en daarmee de aanleiding tot ontwikkelingen, en wat we zien is ‘meer van hetzelfde’, of ‘ééndimensionaliteit’. Niet alleen aan de kant van de consument maar ook aan de kant van de producent. Deze produceert om de winst, die vervolgens wordt geïnvesteerd in nieuwe productiemiddelen, voor nog betere resultaten, meer winst dus. Die weer kan worden geïnvesteerd… enz. In het streven naar groei is de instrumentele houding  op zichzelf betrokken geraakt. Dat is niet alleen nadelig voor de situationele consument, maar ook voor onze natuurlijke hulpbronnen. Ongelimiteerde groei in een eindige situatie is volgens de filosoof Peter Sloterdijk het recept voor een onafwendbare catastrofe. Het einde van het einde van de geschiedenis. 

De terugkeer van de homo reciprocus
Kunnen we deze ontwikkeling nog keren? Vaak wordt voorgesteld om producenten (met in het verlengde daarvan de financiële wereld) ethisch besef bij te brengen. Dan zeggen we tegen de betrokken ceo’s: ‘Kijk toch eens verder dan winst maken en het vergroten en versterken van het bedrijf’. Maar geloven we daar zelf wel in? Een bedrijf als Nestlé maakt winst door consumenten te laten geloven dat bronwater beter is dan gewoon water uit de kraan. Zij halen dat water vervolgens uit de grond in het gebied van een indianenstam, zij sluiten de waterputten van deze stam die daardoor niet meer te drinken heeft. Zij moeten nu hun eigen water in flessen in de winkel kopen. Deze flessen moeten vervoerd in vrachtwagens, wat fossiele brandstof kost en meer CO2 in de dampkring brengt. De flessen moeten schoongemaakt worden, wat meer water kost en waardoor er chemicaliën in het milieu komen.
Er zijn veel ondernemingen die op bedenkelijke wijze winst maken en groeien; zou het zin hebben een beroep te doen hun gevoel voor ethiek? En wat nu als zij er niet gevoelig voor blijken te zijn, omdat zij, je kunt het verwachten, een hele andere opvatting over ethiek hebben? Zo verklaarde Peter Brabeck-Letmathe, topman van Nestlé, in 2013 dat water geen fundamenteel mensenrecht is…  
 
              

Water: een mensenrecht of niet?

Als we ons realiseren dat ons economisch systeem terug te voeren is op het idee dat eigenbelang ook het algemeen belang dient, hoeven we niet verbaasd te zijn dat ondernemingen niet erg openstaan voor ethische overwegingen. Vooral niet omdat zij groei zien als een noodzaak. 

De wetgeving aanpassen? Het zou kunnen helpen, al kun je je voorstellen dat wetten hier, net als ethische overwegingen, weinig indruk maken en worden ervaren als ongewenste bemoeienis en bureaucratie, wat de handhaving niet zal vergemakkelijken. Zeker niet waar we te maken hebben met terugtredende overheden.

Consumenten voorlichten? Dat zou een begin kunnen zijn van de ‘come-back’ van de consument en van de wisselwerking met de producent. Om een stem in het kapittel te hebben zouden consumenten zich ook kunnen verenigen. Uit acties uit het verleden blijkt dat dit succesvol kan zijn. Deze waren vaak ad-hoc georganiseerd en consumenten zouden sterker staan als zij zich blijvend zouden organiseren. Nu is de huidige situatie het resultaat van een proces dat eeuwen geduurd heeft. In die tijd is een immens bolwerk ontstaan van internationale bedrijven, van multinationals, dat onaantastbaar lijkt. Hoe kun je daar nog op inbreken met de homo reciprocus? 

 
Kleinschalige initiatieven
Er zijn ontwikkelingen gaande van bewoners die zich organiseren om samen te wonen in straten en buurten. Hier zijn de ‘commons’ opnieuw ontdekt, kleinschalige organisaties die gronden beheren en die daardoor geschikt zijn om gemeenschappelijke energievoorzieningen te installeren en te beheren, zoals zonnepanelen en windmolens, of om helofytenfilters aan te leggen voor een lokale waterzuivering, of wadi’s ten behoeve van waterberging.    

  
       
Cohousing in Denemarken: zes clusters van elk ca 15 woningen.  
 
 
 

Helofytenfilter voor waterzuivering
 
Intussen is in Totnes (Engeland) het idee van de zogenaamde ‘transition towns’ ontstaan: het idee om groente en fruit te verbouwen in de directe woonomgeving, om te voorkomen dat dit over de hele wereld vervoerd moet worden om bij de gebruiker te komen. Omwille van de beperking van het gebruik van fossiele brandstof en van de uitstoot van CO2.   
 
       

Transition towns: groenten verbouwen in de eigen omgeving
 
Als dit soort initiatieven zorgen ervoor dat mensen hun buren en buurtgenoten leren kennen, terwijl zij samen zorgen voor hun omgeving en voor elkaar. Dat kan betekenisvol zijn, in sociale zin en voor het milieu. Zo kunnen buren en buurtbewoners zich meer thuis gaan voelen in hun woonomgeving.   
 
In de afgelopen decennia is er een groot aantal initiatieven ontstaan waarin bewoners samen optrekken, waarbij zij voorzieningen delen en beheren. Voor een idee van de omvang en de rijkdom van deze ontwikkeling, leze men het boek ‘wonen in de 21ste eeuw, naar een hedendaags utopia’ van Peter Camp. In deze initiatieven formuleren bewoners hun wensen, in onderling overleg, waarop zij werkgroepjes samenstellen om deze te realiseren. De situationele houding van consumenten (die iets wensen) is hier verbonden met de instrumentele houding van producenten (die iets realiseren). Hier dus geen geïsoleerde consumenten die door reclameboodschappen onder druk worden gezet, en ook geen op hol geslagen producenten die alleen oog hebben voor winst en groei. Bewoners worden gehoord en de leden van de werkgroepjes weten voor wie ze het doen.

Coöperaties
Bij commons, cohousing en alle initiatieven waar bewoners voorzieningen delen en samenwerken kan de ‘coöperatie’ een juridisch en organisatorisch kader bieden waarin de democratische rechten van de betrokkenen gewaarborgd zijn (iedereen kan meepraten) terwijl ook de samenwerking tussen consument en producent helder geregeld is. Intussen kunnen we straten, buurten en wijken zo proberen te ontwerpen of te herinterpreteren dat deze uitnodigen tot bovengenoemde bewonersinitiatieven en daarmee tot een economie van de ‘homo reciprocus’. 

De bevrijding van de onzichtbare hand
Hier ligt een kans om aan te ontsnappen aan het ‘meer van hetzelfde’ dat de consument krijgt geserveerd, en aan de ongeremde groei van het productieapparaat, die je ook kunt interpreteren als ‘meer van hetzelfde’. Als de situationele houding van de consument wordt verbonden met de instrumentele houding van de producent kunnen we misschien een kwalitatieve ontwikkeling verwachten, waarbij we verder kunnen komen dan jaar in jaar uit, op de ‘vrije markt’, te worden geconfronteerd met nieuwe voordelen en nieuwe verleidingen, waar steeds grotere bedrijven ons ertoe aanzetten steeds meer te consumeren. Een dagtaak die de producenten ons proberen op te leggen die ons geen tijd gunt voor reflectie op onze eigen, situationele, wensen.

Als we ons met het concept van de ‘homo reciprocus’ los zouden maken van het idee dat de ‘onzichtbare hand’ het beste met ons voorheeft, dan zouden we ons ook kunnen bevrijden van de dominantie van producenten en van het eenzame idee dat ons eigen belang leidend zou moeten zijn.

Dan kunnen we onze aandacht richten op onze omgeving, met ruimte voor verwondering en met de mogelijkheid om ervaringen te delen met buren. Waarop we ons een idee zouden kunnen vormen over wat er zou kunnen worden veranderd of verbeterd, waarbij we als consumenten en producenten kunnen samenwerken om dit te bereiken. 

Wie weet wat voor ontwikkelingen we kunnen verwachten … temeer daar we in de toekomst in staat zullen zijn zelf dingen te producten met een 3D printer. Niet alleen gebruiksvoorwerpen die we in huis kunnen gebruiken, maar misschien ook muziekinstrumenten, eenvoudige bouwwerkjes en misschien zelfs maaltijden. Interessant hierbij is de prognose van Kees Machielse van de Hogeschool Rotterdam dat verplaatsing van de productie naar de privésfeer het voortbestaan van de havens van Rotterdam bedreigt.


                  

3D printen van maaltijden
 
Terug naar de cultuur
Erkenning van de ‘homo reciprocus’ kan de basis vormen van een nieuwe ontwikkeling van onze cultuur. Waarbij we in eerste instantie kunnen denken aan die plaatsen waar hier al een begin mee is gemaakt, in straten en buurten, in de woonomgeving. Maar daarmee zijn we er niet. Situationist Guy Debord betoogde in de zestiger jaren dat de maatschappij een ‘spektakelmaatschappij’ was geworden waarin reclames de boventoon voerden. In deze spektakelmaatschappij zouden wij van onszelf vervreemden omdat wij het in reclames voorgespeelde leven zouden naspelen in een poging het voorgespiegelde geluk te bereiken, in plaats van uit te gaan van onze eigen gevoelens en behoeften. 8) Intussen is het spektakel dat ons door reclame wordt voorgeschoteld nog veel overheersender geworden. Het is zelfs onderdeel geworden van de vele ‘belevenissen’ die we tegenwoordig kunnen kopen. Denk aan het aanbod van avontuurlijke games. Het is niet ondenkbaar dat de vele belevenissen die we tot ons kunnen nemen zullen leiden tot een diskwalificatie van ons eigen vermogen om de wereld te beleven. Want hoe saai is onze eigen beleving, als we die vergelijken met de professioneel vervaardigde en opwindende avonturen die we voor een paar euro kunnen kopen of huren om ze vervolgens in onze eigen ervaring te ‘implanteren’. Als dit leidt tot een onvermogen om onze eigen beleving tot leven te wekken, dan ligt hier een nieuwe verslaving op de loer die ons steeds verder van onszelf zal vervreemden.

Als we de ‘homo reciprocus’ in ere willen herstellen is daarom misschien een periode van herstel nodig, een ontwenningskuur waarin we alle ‘belevingsimplantaten’ kunnen laten vervagen en weer tot onszelf kunnen komen. 

Teruggekeerde overheid
Hier zouden de teruggetreden overheden een rol kunnen spelen door weer terug te keren, om een tegenwicht te vormen tegen de druk van de producent en om de ‘homo reciprocus’ waar deze al in ere is hersteld te ondersteunen, in straten of buurten. Tegelijkertijd kan een teruggekeerde overheid het culturele leven stimuleren door kunstenaars, culturele instellingen, musea en andere podia voor kunst en cultuur te ondersteunen. Hiermee zou zij in dezelfde richting kunnen werken als het ‘Center for Public Imagination’ dat beoogt wetenschappers, kunstenaars, designers, beleidsmakers, bedrijven en activisten bij elkaar te brengen om te zoeken naar nieuwe oplossingen voor maatschappelijke problemen.

Nu zal ondersteuning van de ‘homo reciprocus’ de overheid mogelijk geld gaan kosten, maar het moet mogelijk dit te genereren op het moment dat de belastingen niet langer hoeven te worden verlaagd in het streven naar een concurrerend Nederlands vestigingsklimaat voor op winst en groei gefixeerde multinationals!

Misschien zal het dan nodig zijn dat de belastingen wat omhoog gaan. Dat zou kunnen, maar daar staat dan ook iets tegenover, namelijk dat de besteding daarvan de wisselwerking tussen consumenten en producenten kan stimuleren, met de kans op echte ontwikkelingen, in plaats van ‘meer van hetzelfde’. Wat bij de acceptatie van wat hogere belastingen misschien helpt is de constatering dat de term ‘belasting’ eigenlijk ongelukkig gekozen is. Want gaat het niet eerder om een contributie, om een bijdrage aan ontwikkelingen die iedereen aangaan. 

Om iedereen ook inderdaad een kans te geven om deel te nemen aan een maatschappij die gebaseerd is op de ‘homo reciprocus’ zal een teruggekeerde overheid ook weer structureel kunnen bijdragen aan sociale rechtvaardigheid, aan vele soorten van zorg, en aan de ontwikkeling van medicijnen voor zeldzame aandoeningen. En aan universitair onderwijs en onderzoek dat is gevrijwaard van, in aanleg corrumperende, derde geldstromen uit het bedrijfsleven.

Als we ons hieraan zetten, dan zullen we misschien beseffen dat onze cultuur eerder is bedreigd door de politici en producenten die ons de bedenkelijke rol van de ‘homo seductus’ hebben opgedrongen, dan door de import van buitenlandse culturen! 

Alle problemen opgelost?
Nu schets ik wat ‘we’ kunnen doen, alsof de overheid mee zal gaan in het streven naar de ‘homo reciprocus’ en daarmee ’van ons’ zal zijn, maar dat is nog maar de vraag. De huidige situatie, van de teruggetreden overheid, illustreert hoe groot die afstand kan worden, ook in een democratie.          
Daar komt bij dat het domein van de homo reciprocus nog erg klein is. Er zijn aanzetten, maar er is nog geen sprake van een wereldwijd vertakt netwerk van initiatieven dat een serieuze bedreiging vormt voor de multinationals die nu de dienst uitmaken. En misschien blijft het wel bij aanzetten, want we weten niet hoe de machtige internationale bedrijven zullen reageren als dit netwerk van de homo reciprocus sterker wordt!       
Daarbij zal deze verandering van perspectief nog niet kunnen garanderen dat we de door Peter Sloterdijk voorspelde catastrofe kunnen vermijden. Want wie zegt dat situationele consumenten oog zullen hebben voor het milieu en dat zij bescheiden zullen zijn in hun wensen. Ook is het de vraag of instrumentele producenten niet toch zullen blijven streven naar steeds grotere bedrijven, omwille van de macht en het aanzien, of om hun aandeelhouders tevreden te stellen… 
En last but not least: nieuwe oplossingen roepen nieuwe problemen op, en we zullen moeten afwachten of we daar mee overweg zullen kunnen. 


 
Flip Krabbendam febr. 2017
 
Februari 15th, 2016

 

Het idee is dat je, door de ontwikkeling in je denken, je verleden beter leert te begrijpen.  Daardoor kun je weer terug naar het heden, om dat weer beter te begrijpen. Een experiment om te zien of deze mooie gedachtegang hout snijdt, want dat kunt u nu wel zeggen meneer Krabbendam, maar hoe gaat dat dan in z’n werk?!

In dit experiment wil ik niet te persoonlijk worden maar wel werken met iets dat me steeds heeft geïnteresseerd: veiligheid bij autorijden, speciaal bij racen.

 

Ik weet wat ik doe

Toen ik klein was lag de nadruk op de eigen verantwoordelijkheid. Je moest gewoon goed opletten als je een auto bestuurde. De ontwerper van de Mini, Alec Issigonis, werd woedend op Ralph Nader toen die hem kwam vertellen dat de mini levensgevaarlijk was door de klapstoeltjes, de zwakke deursloten en de uitstekende benzinedop. Alec wees op het goede zicht rondom en op de goede remmen. Dit was een hele veilige auto! Hij ging ervan uit dat veiligheid geheel in de hand van de bestuurder lag. Het gevaar hoorde erbij, maar dat kon je best aan. Intussen dacht iedereen: 'dat overkomt mij niet'. En mocht het toch mis gaan dan kon je je altijd nog goed aan het stuur vasthouden of je goed schrap zetten.


  Er is een kans

Nu weten we dat er altijd iets kan gebeuren, hoe goed je ook oplet. In de autosport begon dat besef door te dringen toen coureurs die bekend stonden om hun wagenbeheersing en die iedereen bewonderde, zoals Jim Clark, toch verongelukte.

    

Kennelijk was de kans dat er iets mis ging toch een belangrijke factor. Reden voor Jackie Stuart om te pleiten voor passieve veiligheidsmaatregelen. Uitloopstroken, vangrails, onbreekbare tanks en veiligheidsriemen. 

         


Dat is nu algemeen aanvaard, op de circuits, en ook op de openbare weg, want ook in het normale verkeer begon men de kans op een ongeluk te groot te vinden. Waarop wegen veiliger zijn gemaakt en auto’s zijn uitgerust met kooiconstructies, kreukelzones, riemen en airbags. En de bestuurders van nu zijn daarop ingesteld. Hadden we vroeger geen weet van veiligheidsriemen, nu voelen we ons onveilig als we een stukje zonder rijden.

 
 

Terugkijken

We kunnen ons nu nog wel verplaatsen in de situatie van vroeger: als we in een oldtimer rijden weten we weer hoe primitief dat was. Dat is een avontuur. Toch kunnen we niet echt meer terug met onze ervaring, we hebben ingezien dat de kans op een ongeluk ook betekenis heeft en dat niet alleen onze rijvaardigheid geldt.

We hebben ook geleerd hoe groot de krachten zijn bij een ongeluk. Schrap zetten of het stuur stevig vasthouden, dat heeft geen zin, daar kun je geen zekerheid aan ontlenen. We kijken er nu dus duidelijk anders tegenaan.

 

Heenkijken

Als we met onze gedachten teruggaan in de tijd, kunnen we dan ook begrijpen waarom we toen een bepaalde richting zijn ingeslagen? De richting van passieve veiligheid?

Een poging.

Als goede coureurs zo vaak konden verongelukken ging men kijken naar de omstandigheden. Een van die omstandigheden was dat dat de auto’s steeds lichter en de motoren krachtiger werden. Met ‘eigen verantwoordelijkheid’ of actieve veiligheid kwam men er niet meer.    

Hoe kwam het dat dit tot dan toe het leidende principe was geweest in het denken over veiligheid. Een veronderstelling: autobezitters waren in eerste instantie mensen uit gegoede kringen waar ondernemerszin en eigen verantwoordelijkheid voorop stonden. Dit namen zij mee naar de manier waarop zij tegen autorijden aankeken.

Niet alleen op het circuit ging men de omstandigheden belangrijker vinden, ook op de weg. De kentering kwam toen ‘iedereen’ ging autorijden. De kans dat je door een ander in de problemen kwam nam toe, dat relativeerde de eigen verantwoordelijkheid. Daarbij kwam dat de achtergrond van al die nieuwe automobilisten was anders, dit waren meer en meer ‘gewone’ mensen die in hun werksituatie afhankelijk waren. Zij wisten dat het verstandig was jezelf te beschermen tegen krachten van buiten die je niet in de hand hebt.

Zo zien we dan, dat we uitgaande van actieve veiligheid, kunnen uitkomen bij de rol die omstandigheden kunnen spelen bij ongelukken. En daarmee ook bij de rol die omstandigheden kunnen spelen bij het voorkomen van de gevolgen daarvan: bij passieve veiligheid.

 

Nog eens terugkijken

Als we de oorsprong van hoe we nu denken beter begrijpen, kunnen we ook beter begrijpen waar we nu zijn. Door de nadruk op de kans dat er iets mis gaat, hebben we ons verdedigd met kooiconstructies, kreukelzones, riemen en airbags. Zo is de eigen verantwoordelijkheid onderbelicht. We gaan er nu vanuit dat we ‘natuurlijk’ voorzichtig zijn; dat lijkt een gegeven. Maar waar blijft de ervaring dat je het gevaar zelf in de hand houdt! Het avontuur, of meer op de spits gedreven, de heroïek waar Stirling Moss aan vast wilde houden toen hij zich verzette tegen veiligheidsmaatregelen. Dat het gevaarlijk was, was voor hem een essentieel onderdeel van de sport. 

Overigens illustreert dit laatste dat bij het begrijpen van het verleden, en hoe dat een aanzet gaf voor het heden, niet alleen de eigen ervaring meespeelt. De houding van Moss ten aanzien van veiligheid heb ik uit een documentaire over Moss die decennia later werd gemaakt.      

Ook de Amerikaanse auto-industrie verzette zich tegen veiligheidsvoorzieningen. Dit omdat men bang was dat daardoor het gevaar van autorijden te veel nadruk zou krijgen, waardoor men minder auto’s zou verkopen. Ook informatie uit een latere documentaire. Hier wilde men kennelijk de droom redden dat men overal heen zou kunnen zweven, en niet de eigen verantwoordelijkheid of heroïek. Dit is een ander perspectief, situationeel in plaats van instrumenteel, waardoor een ander soort ontwikkeling op gang komt, maar die laat ik hier maar even buiten beschouwing.   

     
 

En weer heenkijken

We kunnen iets van het idee dat we onze veiligheid zelf in de hand hebben, of zelfs een vleugje heroïek, meenemen naar nu. Als we afzien van de huidige veiligheidsvoorzieningen, zoals bijvoorbeeld riemen, dan komt er weer meer nadruk op de eigen verantwoordelijkheid en het avontuur. Misschien is die ervaring nu dan wel sterker dan vroeger omdat we riemen gewend zijn en deze nu missen. En omdat we weten dat ‘schrap zetten’ of ‘het stuur goed vasthouden’ niet werkt. Misschien maakt alleen het geloof van ‘dat zal mij niet gebeuren’ nog een kans… 

 

En nu?

Voor nu, voor het heden, kunnen we als we dat willen, beide zienswijzen een gelijke kans geven. Aan de ene kant de actieve veiligheid met de eigen verantwoordelijkheid en het avontuur, en aan de andere kant de passieve veiligheid die ons beschermt tegen gevaren die we niet in de hand hebben.   

 

Com-prendre

Terug en heen en terug en heen, bij elke rondgang van de hermeneutische cirkel kun je je ervaring verdiepen om ze uiteindelijk uit te laten kristalliseren en te bevatten. Com-prendre zoals Sartre ergens zegt.     

 
Januari 27th, 2015

 

De nul

Toen in de Middeleeuwen de Arabische rekenkunde naar Europa kwam, stond men daar afwijzend tegenover. Men begreep de Arabische cijfers niet, en dat gold zeker voor de nul. Hoe kon je een symbool opvoeren dat naar niets verwees. Niets betekende gevaar, de nul verwees naar de duivel, en de kerk verbood het gebruik ervan. Ook in de handel was men wantrouwig. Deze vreemde rekenwijze was iets voor magiers en oplichters. In 1299 werden Arabische cijfers in Florence verboden; het was te abstract, men begreep het niet, en men vertrouwde het niet. Het duurde tot het eind van de 15de eeuw voordat men durfde af te stappen van de oude vertrouwde Romeinse cijfers, die gewoon naar concrete hoeveelheden verwezen.

 

Het luchtledige

Ook in de zich ontwikkelende wetenschap was men huiverig voor het concept ‘niets’. Men dacht dat ‘niets’ in de natuur niet voor kon komen. In de natuur zou het ‘horror vacui’ heersen, de angst voor de leegte, waardoor luchtledigheid niet zou kunnen bestaan. Pas in 1644 demonstreerde Torricelli met zijn beroemde ‘buis’, dat luchtledigheid toch bestond.

 

Torricelli aan het werk met zijn kwikbuis

Door een buis gevuld met kwik in een bassin met kwik te plaatsen kon hij laten zien dat de druk van de lucht die werkte op het oppervlak van het kwik in het bassin de kracht had om 76 cm kwik in de buis omhoog te duwen. Tilde je de kwikbuis hoger op, dan ging het kwik in de buis niet verder mee omhoog. Boven het kwik kon geen lucht aanwezig zijn, er was niets, luchtledigheid. Omdat de hoogte die het kwik kan bereiken afhangt van de luchtdruk hebben we de buis van Evangelista Torricelli eeuwenlang gebruikt als luchtdrukmeter, als barometer. Een eeuw later wist men mensen nog te verbazen met het onbegrijpelijke feit van het luchtledigheid, zoals Joseph Wright laat zien op zijn schilderij uit 1768.

 

 

 

‘A philosofer showing an Experiment on an air pump’ uit 1768 door Joseph Wright van Derby

Op dit schilderij laat een vogel het leven in een vacuüm gezogen stolp. Een herhaling voor publiek van ‘experiment 41’ van Robert Boyle uit 1660, waarin hij de werking onderzocht van lucht en luchtledigheid. Zo wordt de betekenis van het natuurkundig ‘niets’ voor iedereen gedemonstreerd. 

Dus eind 15e eeuw erkende men de waarde van het ‘niets’ in de mathematiek en halverwege de 18e eeuw zag men de natuurkundige betekenis van het ‘niets’.

 

 Nichts, neant of vrijheid

In de 20ste eeuw introduceert Martin Heidegger een filosofische versie van het ‘niets’. Hij verzet zich tegen het idee dat de wetenschappen ook het bewustzijn zouden kunnen verklaren. Want bij zo’n verklaring zou de wetenschap zich baseren op gegevens die dankzij het bewustzijn al bestonden, en dat zou neerkomen op een een tautologie. Dus… het bewustzijn is onverklaarbaar, maar het is onmiskenbaar aanwezig… het is niet verklaarbaar, of uit ‘niets’ verklaarbaar. Uit 'Nichts'. Een conclusie waar we ons als redelijke wezens, die graag steunen op wetenschappelijke waarheden en methoden, maar moeilijk mee kunnen verenigen! Terwijl deze conclusie niettemin logisch is. En zo kunnen we zeggen dat wij de wereld van onszelf onderscheiden, omdat we onszelf als ‘Nichts’ van de wereld onderscheiden.  

Jean-Paul Sartre gaat door op deze filosofie, en vertaalt het Duitse ‘Nichts’ in het Frans met ‘néant’. Maar hij doet een slimme zet, hij gebruikt voor ‘neant’ ook de term ‘vrijheid’. Dat is beter te begrijpen, al lopen we dan het gevaar het verkeerd te begrijpen. Want bij Sartre is vrijheid niet hetzelfde als een dagje vrij of vakantie, of de mogelijkheid om uit 12 soorten pindakaas te kiezen. Bij de vrijheid die Sartre bedoelt gaat het erom dat je vrij bent om te kiezen welke kant je op wil met je leven en ook om daar werk van te maken.  

Wat heb je eraan?

Het ‘niets’ of de ‘vrijheid’, wat maakt het uit, waarom zouden we ons dat begrip toe-eigenen...

We hadden rustig door kunnen gaan met Romeinse Cijfers, dat ging toch goed? En als we hadden volgehouden dat luchtledigheid onbestaanbaar is, dan hadden we geen barometers gehad, maar was dat erg geweest, we deden het al jaren zonder.

Toch is het rekenen met Arabische cijfers erg praktisch gebleken, en wat te denken van het begrip vacuüm dat ons in staat stelt het weer te begrijpen, vliegtuigen te bouwen en satellieten te lanceren, om maar een paar dingen te noemen. 

Nu verscheen er weer zo'n ongrijpbaar begrip: het ‘Nichts’ oftewel het ‘néant’ of de ‘vrijheid’? Natuurlijk vragen we ons ook nu weer af: hebben we dat echt nodig? Laten we eens kijken naar de mogelijkheden die het biedt, praktische toepassingen: 

-Door, met Heidegger, uit te gaan va het ‘Nichts’ kun je je bevrijden van de aanspraak op ‘waarheid’ of ‘werkelijkheid’ van de wetenschappen. Het is niet meer zo dat alleen waar is, en werkelijk bestaat, wat tastbaar en kwantificeerbaar is, de wereld die je werkelijkheid ervaart is nu net zo waar als je zelf waarachtig bent, authentiek. In het Engels klinkt dat heel mooi: ‘the world you experience is as true as you are’. Wat gewoonlijk afgedaan kan worden als ‘slechts subjectief’ (ongeveer alles wat ons leven geur en kleur geeft) behoort nu tot de realiteit.  

-Doordat we als ‘Nichts’ of als ‘néant’ buitenstaanders zijn, kunnen we ons ook buiten allerlei conventies stellen, en zo kunnen zich, als je het toelaat, in je bewustzijn van de wereld ook nieuwe gezichtspunten of ervaringen aandienen. Zo betekent de acceptatie van het ‘Nichts’ of het ‘néant’ ook een erkenning en begrip van creativiteit.

-Met de erkenning van onszelf, laten we hier zeggen als ‘vrijheid’ kunnen we ervoor waken dat we ons degraderen tot een deel van organisatie en we kunnen aannemelijk maken dat we meer zijn dan een radertje in een machine.

-We worden voortdurend geconfronteerd met anderen. In de geschiedenis heeft men vaak geprobeerd ‘de ander’ in te passen in een dienstbaar systeem, slavernij, of onder de voet te lopen, machtsuitoefening. De erkenning van het feit dat ‘vrijheid’ een essentiële eigenschap van mensen is, kan het argument verschaffen dat inpassen en onder de voet lopen miskenning inhouden van deze essentie.  

Kompas en route 

Dit is een pleidooi om deze derde versie van het ‘niets' niet af te doen als te abstract, vreemd, onbegrijpelijk of onzin, maar om deze te omarmen, net als de eerste twee versies, en om ermee te werken. Want de laatste decennia is de aandacht ervoor, na een aanvankelijke interesse, verdwenen door de opkomst van het Postmodernisme waarin alles tot 'een mening' werd gereduceerd. Dat gaf misschien wel lucht na alle grote verhalen (wetenschap, communisme) en het was interessant, maar zo verloor je wel alle houvast.    

In de behoefte aan houvast werd voorzien door biologen die in ons eigenschappen zagen die zij ook bij dieren aantreffen. Maar welke eigenschappen kiest de bioloog, en welk mensbeeld legt hij daarmee op? Niet zelden steekt hier het Darwinisme de kop op: de strijd om het bestaan. Een nieuw systeem om in mee te draaien: geen technocratie maar een biocratie.    

Later verschenen de hersenonderzoekers ten tonele, die onze eigenschappen begonnen te relateren aan de werking van de hersenen. Zo werden we opnieuw ondergeschikt gemaakt aan een systeem, aan een nieuwe 'cratie', aan 'the reign of the brain'.    

 

Als je uitgaat van het 'Nichts', het neant of de vrijheid, dan heb je houvast zonder dat het je vasthoudt. Dan bevind je je in een veelkleurige wereld waarin geen er bewind over je heen is gelegd van een biologisch mechanisme of van hersenfuncties. Dan kun je gerust zijn op je eigen ervaringen, je creatieve momenten, je eigen keuzen en je eigen koers, en geinteresseerd zijn in anderen die er net zo voorstaan. Dan heb je een kompas in plaats van een vastgelegde route. Dan kun je ontwikkelen wat je eigenlijk bent: vrijheid. 

Moet het nu weer een paar honderd jaar duren?             

 

 

 

 

 
Maart 11th, 2014
     Tao Teh Flip 
 
                                                  
            
  
                     This is all about nothing really
 









PART I                   Regarding us
 


1 Nothing
 
We may be and we may go
And we know it     
This knowledge of our being can never be explained
On the basis of what we know… our knowledge
There’s no-thing to understand it
An outright miracle!
                                 
 
Whatever we deploy to explain our concious being, like photons, electric currents or processes of a chemical nature, all of these grounds rely on the conciousness we try to explain. Such an explination is just a tautology. The knowledge of our being can be based on no-thing. But don’t worry, we can build on this conclusion, better than on false presumptions that poison our lives.         
 
 
 
2 Distinction
 
Whatever you see, smell, hear or feel
It’s there for sure, but it is not you
It’s all a thing
As you are not

                                                  

You distinguish things  from yourself as far you are no-thing, ‘nothing’. Some thing… to thing-k about for a while.  
 
 
3 Elusiveness
 
All we don’ t immerse in
Can be there for us
Elusive as we are, there is no end to this
There’s always a different world to be seen
 
 
 
If you distinguish yousrself from the world as ‘nothing’ in a specific way, you will also see the world in a specific way. If you stick tot his specific way, you  reduce yourself, indirectly, to a specific ‘some thing’. When you understand the importance of being an illusive ‘noting’ you see that you can distinct yourself from the world in infinite ways.
 
 
4 Constancy
 
A Kaleidoscope will run away with you
And make you feel lost
But focusssing gives you guidance
And constancy for a longer duration
 
 

Elusive as we are, we could change our view on the world any moment. Then we would wonder about in a kaleidoscope of perspectives and experiences ,like babies, in an ever changing cloud. For a more specific distinction between ourselves and the world we can focus on some constancy to hold on. Like a language, and a place to live and work.     
 
 
  
5 Direction
  
Focus on language and customs
Can give us a direction
A world of loads and reliefs
Deliberation and discrimination
 
           
            
 
Initially the world of constancy is the world in which we are raised. We grow up in England, the US, the Netherlands or Upper Mongolia, and that is the world we are committed to.
That does not just happen to us, we also make choices, as we distinguish qualities we like to belong to and qualities we want to stay away from.

 
 
6 Sparks 
 
When we strictly stick to it
Customs and language are heavy stuff  
Defocus, associate and make a joke   
Causing a spark can lighten us up
 
 
          
 
 
If constancy is absolutised then the 'nothing' that we are is captured as 'something' constant ...Which makes us ignore and neglect ourselves as the source of all that is. And slowly we would waste away and become reduced to a bunch of dead branches. Some absence of the mind, associations and joking can keep us alive.
 
 
 
7 Freedom
 
Everything exists
That’s not you
Whether you  undergo
Or face it
 
                                                                             
 
We are ‘not’ the world, not only when we sit back and let the situation influence us, but also when we act and try to influence the situation, when we eat or drink, or when we walk, climb or stumble. This can also be expressed by saying that we are ‘free’.
 
 
8 Development
 
We taste and we try
We worry and we learn
And develop our strive
For fulfillment in life
 
                                         
 
Constancy and freedom can work together to develop the direction we are going.

 
9 New
 
We may go in one direction
But that’s no obligation
As we can always try
To find another way
                                   
                                       

Because we are free, we are not tied to the world that we experience. We may see all kinds of opportunities, and based on what we like or dislike, we can try to convert these oppotunities into new realities. Thus, we can always change direction.
 
 
10 Knowledge and Wisdom
 
We seize the day
And we go back to work ...
But unexpectedly we scratch our head
Where are we going, what is this about?  
 
                                                      
 
As a child we are put in a world of constancy, a world that we begin to develop as we grow up, by choosing a direction, based on what your experience as  positive and as negative. As it happens we start to wonder what we are doing.we gain a certain knowledge about 'what we do' and at the same time we gain a certain wisdom when we reflect on the fact ‘that we do what we do’.
 
 
11 Bilingualism
  
What are we going to make
And how will we like it?
We discuss these things
In terms of knowledge   
But questioning the maening of it   
We’re  looking for wisdom in terms of 'nothing'
 
                                                      
 
When we focus on our situation,by undergoing it receptively or by  working actively, we are involved in ‘what we do’, in the world of concrete knowledge, the world of taste and cause and effect. When we reflect on’ that we do all this’, we are involved in wondering, creativity and freedom, we have entered the world of wisdom that can be described in abstract terms that refer tous as 'nothing'.
 
 
12 Others
 
Building knowledge, we can’t do it alone
We build it together, brick by brick
And thinking of  wisdom, do not be cocky
Only together we can make up our minds

                                                       
                                                               
 
Where would you be if you were alone. At the level of 'what we do' we rely on each other, as we do at the level of ‘that we do’. 'Nothing' or 'freedom' make you aware.  And you’re not the only one.
 
 
13 Developing wisely
 
Knowledge is a sevenheaded dragon
Where does it go, and can it be stopped?
The language of the wisdom must lead the way
Enslavement is not not what we need  
 
                                
 
In which direction development goes? Remember our bilingualism: a development can be called wise, as long as it includes us as 'nothing' and free.
 
 
14 Crystallize
 
Relevant knowledge and wisdom that matters
Can help us discover how to be
But when  we are  finished
We may be in danger!
 
                                  
                                
 
As we are acting and thinking, we engage ourselves a specific direction. Ideas about 'what we do', and ‘that we do' have evolved. Our knowledge and wisdom are crystallized. When we are lucky,we have erected a beautiful building. But as always  'nothing' may be neglected. Without windows and secrets that require research this building looks more like a prison.
 
 



 
PART II            Regarding our legacy     
 

 
15 Anchored in the past
 
The building of your life is marked
By everything that ever meant something
It may fit in the present
But it’s anchored in the past
 
                                 

What you think and what you do refers to everything you ever have thought and done before. In everything you were involved in. You can move with the times, but the times also move with you.
 
 

16 Going on and on
 
Going on for ever
Is that what you want?  
Longing for the future
And forgetting your own past?
 
                                                    
 
If you would like to go on building forever, one day you would have to let go your anchoring. All things and events that made you: the language, the memories of your childhood, your adventures, all you have learned and loved, all this would disappear in a dot on the horizon.
 
 
 
17 Someone else
 
 Always proceeding
To new ways of life
Is giving up the past
And look through someone else's eyes
 
                                                  

Memories give depth and meaning to what you have reached.  If you would continue to build, for ever you would have to let go all of this and look through the eyes of ‘someone else'. Is that what you really want? Your children and the children of your neighbors are also someone else. In order not to lose your life you will have to let it go one day.
 
 
 
18 Passing it on  
  
Whatever we end up with  
Our children have to live in it
That’s where their past begins
And their present in the future  
                       
                                                            

The fact that you cannot build for ever is not the end of the mysterious ‘nothing’.  Our children may continue where we stopped, and  stand on our shoulders.
 
 
 
19 Twinkling
  
Try to make a building
That rings a bell and twinkles
Avoid that the heirs must spend their lives
Demolishing most of it  
 
                                            
 
What use is a building that looks like a final solution,that looks  like a prison without openings that point to the future? If there is no roomleft  for 'nothing' our children wil have to make or to brake room for it.
 
 
 
20 In Tao
 
 As ‘nothing’ we bring the world into being
We undergo things here or tackle them
Reflecting on this we develop the world
Making it clear for our children to see  
And if they decide to be true to themselves
We may continue to be in Tao
 
                                                
 
You can not keep on building yourself, but you can pass on your work to your and our children. If you can show the essence of the mysterious and elusive 'nothing', it may live on and florish in the future, in builders and buildings as well.   
December 10th, 2012
Wat we doen  en dat we dat doen  

Wat we doen
  In het gewone dagelijkse leven richten we ons vooral op concrete, tastbare zaken, zoals het comfort van ons huis of de smaak van wat we eten of drinken. En als er dan iets niet naar onze zin is dan proberen we daar iets aan te veranderen. Dat is ‘wat we doen’.   
 

Dat we dat doen
  Maar soms stellen we onszelf hier vragen over. Op dat moment kijken we niet naar ‘wát we doen’ maar naar ‘dát we dat doen’. Dan ontdekken we dat we vaak dingen bedenken die nog niet bestaan, en dat we vrij zijn om te proberen deze dingen ook te verwerkelijken. Soms merken we dat we zomaar, spontaan, een andere manier ontdekken om de wereld te bekijken… dat er zoiets als creativiteit bestaat. Als we dit alles proberen te begrijpen, dan hebben we het heel moeilijk, want wat we ook ter verklaring willen aanvoeren, alles maakt deel uit van het bestaan dat we ermee willen verklaren. Hier blijft niets anders over dan de verwondering. Als we kijken naar ‘dát we dingen doen’ hebben we dus te maken met vrijheid, creativiteit en verwondering.
           

Twee niveaus en twee talen
  Op het niveau van ‘wát we doen’ denken we in termen van tastbare omstandigheden, om daar als we dat nodig vinden, invloed op uitoefenen. 
Als we kijken naar ‘dát we dat doen’ denken we in termen van vrijheid, creativiteit en verwondering. Hier gaat het over dingen die niet tastbaar maar ongrijpbaar zijn.
Zo leven we in twee werelden, met elk hun eigen taal. In ons dagelijkse leven denken we in termen die verwijzen naar tastbare dingen, zoals de tocht in huis of het heerlijk bier waar we naar verlangen. Als we hierop reflecteren denken we in termen die naar ongrijpbare zaken verwijzen, zoals vrijheid, creativiteit en verwondering, en dat is een andere taal.
 
Dit heeft gevolgen voor hoe we met elkaar om gaan. Als we de wereld van ‘wát we doen’ de tastbare wereld, proberen aan te passen aan onze wensen, dan kunnen we samenwerken, en dan zijn botsingen niet uitgesloten. Dat komt neer op ongerief, en dat willen we meestal vermijden. Maar er is meer, en dat zien we pas als we nadenken over ‘dát we doen wat we doen’. Dan zien we dat een botsing ook betekent dat we elkaar te kort doen in de wereld van het ongrijpbare, de wereld van de vrijheid, de creativiteit en de verwondering.       


Geen vaag gelul
  Praten over ongrijpbare zaken is niet aan iedereen besteed. Daarom zijn er veel mensen die het houden op wat tastbaar is. Dit heeft echter geleid tot menige mid-life crisis. Tastbare dingen als een comfortabele huis, goed bier, of reizen naar verre oorden, en een goede baan met een bijpassend inkomen, en zo mogelijk een machtspositie, om dat allemaal te kunnen bemachtigen, het is heel belangrijk, maar je kunt er toch ongelukkig onder blijven. Wat dan toe doen? Geluk is immers een term die niet past in de dagelijkse taal die gaat over wat tastbaar is. Gaan we nu nadenken toch over ‘dát we doen wat we allemaal doen’? Maar dan moeten we aan andere taal spreken… Om dat te vermijden kunnen we proberen we het lege gevoel weg te krijgen door te streven naar meer comfort, duurdere drankjes, verdere reisbestemmingen of een hogere positie op het werk. Zonder vaag gelul. Maar werkt dat?       
    Nog eens een verre reis boeken? (Een schilderij van Marius van Dokkum)  

Degenen die zich opsluiten in de tastbare wereld van ‘wát ze doen’ hebben ook met elkaar te maken. Als ze een mening hebben over hoe ze met elkaar om willen gaan, waar baseren ze die dan op? Wat kunnen zij aanvoeren als ze het niet willen hebben over het respecteren van vrijheid, creativiteit of verwondering?
Wat kunnen ze gebruiken uit de wereld van tastbaarheden? Wat je ziet is dat zij de nadruk leggen op het comfort van een samenleving zonder botsingen, en dan kunnen zij uitkomen bij het ‘sociale contract’ van Hobbes, Locke en Rousseau. Of ze kijken naar de dierenwereld, waarop zij de mens definiëren als een sociaal dier, zoals de Waal. Of ze kijken naar het arbeidsproces en concluderen dat arbeidsdeling, en daarmee samenwerking, de basis is van onze maatschappij, zoals Marx.  

  Alles is te gek
  Je kunt je ook afkeren van het tastbare en reflecteren op ‘dát we doen wat we doen’ en je vestigen in de wereld van het ongrijpbare. Hier kun je de verwondering vooropstellen en alles ‘te gek’ vinden. Of de creativiteit, om de hele dag nieuwe dingen te ontdekken. Of de vrijheid, om telkens van koers te veranderen. Niet saai, maar wat nu te doen bij honger of kiespijn? Hier geen mid-life crisis, maar waarschijnlijk een reeks van ongemakken die zich niet weg laten verwonderen. Dan moet er toch ingegrepen worden op het niveau van het tastbare, maar voor wie dat niet wil… het niveau van het tastbare kan stevig aandringen!     
                Scene uit ‘The Young Ones’ met hippie Neil die te midden van de chaos wanhopig probeert positief te blijven en alles ‘te gek’ te vinden. 
   
Ook degenen die ‘alles te gek’ vinden hebben in hun leven met anderen te maken. Zij kunnen hun mening over hoe je met elkaar om zou moeten gaan, hun ethiek, direct ontlenen aan het ‘vage gelul’ over vrijheid, creativiteit en verwondering. Maar betekent dat dan dat zij geen problemen zullen hebben bij de omgang met anderen? Als zij voortdurend de vrijheid nemen om, als de verwondering in sleur dreigt om te slaan, iets anders te gaan doen, dan kunnen zij niet echt op elkaar rekenen. Wat al gauw tot teleurstelling kan leiden, tot het gevoel in de steek te zijn gelaten. En het lukt niet altijd om ook dat ‘te gek’ te vinden.          
 

Normen zonder waarden
  Zij die zich verre willen houden van het ‘gelul’ zullen misschien niet eens de moeite nemen om de wereld van tastbaarheden in verband te brengen met ongrijpbare wereld van vrijheid, creativiteit en verwondering. Zij houden het op: ‘Doe normaal!’. Wat normaal is, dat behoeft geen nadere toelichting, hier volstaat een uitroepteken. Zo worden er normen gesteld voor het dagelijks leven in de wereld van het tastbare, zonder dat er wordt verwezen naar achterliggende waarden die kunnen worden ontleend aan de wereld van het ongrijpbare. Het gaat om hoe het hoort…  
   

  Waarden zonder normen
  Zij die alles ‘te gek’ vinden en zich richten op vrijheid, creativiteit en verwondering, huldigen hiermee algemene waarden, maar dit kan betekenen dat zij niets willen horen van afspraken of gedragsregels voor het concrete leven van alledag. Van hun kun je zeggen dat zij waarden huldigen zonder normen. Zij moeten elke dag opnieuw hun waarden vertalen, om ze toepasbaar te maken op het dagelijks leven, en vervolgens moeten zij proberen daarover met anderen tot overeenstemming te komen. Het gecompliceerde leven van de hippie.  

  Godsdienst
  Dat het onderscheid tussen ‘wát we doen’ en ‘dat we dat doen’ belangrijk is, wordt geïllustreerd door alle wereldgodsdiensten, die speciale momenten hebben ingevoerd voor de beschouwing van ‘wat we doen’. Zoals in het Christendom, waar men hiervoor tijd reserveert, vóór elke maaltijd, en op elke zondag. So far so goed. Maar het ‘wát we doen’ is tastbaar, terwijl het ‘dát we dat doen’ ongrijpbaar is, waardoor je twee talen moet kunnen spreken. Hier gaat het mis als de ongrijpbare zaken die bij de reflectie naar voren komen, worden beschreven in denkwijzen en metaforen die zijn ontleend aan het dagelijks leven. Dan verdwijnt de vaagheid die hoort bij de reflectie op wát we doen. Zo introduceerde het Christendom een Schepper die als een superieure ambachtsman alles en ons heeft vormgegeven, waardoor van creativiteit alleen het productieproces overbleef. Tastbaar.
Aan de metafoor van de Schepper ontleende men ook richtlijnen over hoe men met de wereld om zou moeten gaan, en met elkaar. Praktische richtlijnen die misschien mooi in het tastbare leven van alledag passen, maar het zijn normen zonder waarden: 'Gij zult niet...' En daarmee gaat de reflectie op het idee van vrijheid en de daaraan verbonden ethiek verloren.  
    

               Dus verdorie
  Waarom kunnen we niet proberen in te zien dat ‘wát we doen’ en ‘dát we dat doen’ allebei hun eigen bestaansrecht hebben. Want hoe zouden we kunnen vergeten te reflecteren op ‘wát we doen’? Als we ons bewust zijn van ‘wat we doen’, waarom zouden we ons daar dan geen mening over vormen?
En omgekeerd, als we ons concentreren op ‘dát we doen wat we doen’, hoe zou dat mogelijk zijn zonder ‘wát we doen’.
‘Wát we doen’ en ‘dát we dat doen’, deelnemend en beschouwelijk, ongereflecteerd en gereflecteerd, op het terrein van de fysica en van de meta-fysica, denkend in de taal en in meta-taal, over tastbare en ongrijpbare zaken. Het zijn twee niveaus die bij elkaar horen, ze zijn met elkaar verweven.
Als we iets willen realiseren in de tastbare wereld, zoals een comfortabel huis, een kelder met bijzondere bieren of een verre reis, dan vragen we ons daarbij af wat deze kwaliteiten betekenen voor onze vrijheid, creativiteit en verwondering.
En omgekeerd, als we een mening hebben over vrijheid, creativiteit of verwondering, dan kunnen we ons afvragen hoe we deze aspecten kunnen realiseren in de wereld van het tastbare. Zal ik mijn huis verbouwen, ga ik op ontdekkingstocht in het land van de bieren, waarheen zal ik op reis gaan?          
Dus verdorie, waarom zo krampachtig vasthouden aan één van de niveaus! Of aan verwarrende ideeën die schade berokkenen aan beide niveaus!   
 

Een verrukkelijk soort mol
  Wordt het leven, door het maken van het bovenbedoelde onderscheid tussen beide niveaus, nu simpel en voldoeninggevend?
Dit staat nog te bezien. Hiervoor kunnen we kijken naar de wereld van de sprekende dieren. Zo komt  in een verhaal over ‘Paulus de boskabouter’, van Jean Dulieu, een uil voor, Oehoeboeroe, die bijzonder geïnteresseerd is in Mol. Hij zou deze mol, zoals het uilen betaamt, graag opeten. Maar dat is tegen de zin van Paulus, die hem terecht wijst. Een ethische interventie die voortkomt uit het feit dat praten verbonden is met reflectie op het eigen bestaan, dat wil zeggen met de wereld van vrijheid, creativiteit en verwondering. En als je deze wereld serieus neemt, dan kun je de ander niet meer gewoon als een hapje beschouwen, want dan ben je tevens een soort collega’s. ‘Mededieren’ zoals Juffrouw Ooievaar van de Fabeltjeskrant dat uitdrukte, die allemaal vrij zijn, en creatief en mogelijk vervuld van verwondering. De uil heeft hier moeite mee, maar hij herstelt zich en zegt dan dat Mol een ‘verrukkelijk soort mol’ is. (Paulus en Mol p 57) Een mooie dubbelzinnigheid waarin Mol wordt gekenschetst met één term die in het dagelijkse, ongereflecteerde leven iets anders betekent dan in de reflectie daarop. Een dubbelzinnigheid die aan beide vormen van bestaan recht doet en tegelijkertijd laat zien hoe tegenstrijdig het leven op deze twee niveaus kan zijn.        

 
 

Een verrukkelijk soort mol. Copyright Jean Dulieu  

De huisspin
  Na de paring eet de vrouwelijke huisspin het mannetje op (als hij zich niet snel genoeg uit de voeten kan maken). Dat is ‘wát ze doet’ als ze de kans krijgt. Hoe zou het gaan als ze konden praten, als ze hierop konden reflecteren? Dan zouden ze, als mededieren, óók respect hebben voor elkaars vrijheid, creativiteit en verwondering. Dan had het vrouwtje een innerlijk conflict, net als de uil.   
 

Liefde en min aanéén vertuid
  Seksuele aantrekkingskracht en liefde kunnen elk gerekend worden tot een ander niveau. Seksualiteit kunnen we plaatsen in de wereld van ‘wat we doen’ en liefde in de wereld van de reflectie daarop. Ditmaal zijn ze niet tegenstrijdig, zoals de verrukkelijke mol, maar ze lijken op elkaar. Je kunt elkaar seksueel aantrekkelijk vinden en elkaar lief hebben. Als een van de twee ontbreekt gaat de relatie misschien wringen. Daarom heeft P. C. Hooft (1581-1647) gepleit voor een combinatie van beide: zijn ideaal was ‘liefde en min aaneen vertuid.’
 

Gorilla’s of Bonobo’s
  Toch lukt het niet altijd om de beide niveaus waarop we bestaan met elkaar in overeenstemming te brengen. Misschien zijn we als mensen ook een beetje zoals Oehoeboeroe of de huisspin, doordat we meer dan goed voor ons is op gorilla’s lijken, de apensoort die er een strenge hiërarchie op na houdt. Wat zou er met Gorilla’s gebeuren als zij daarop konden reflecteren? Zou het een beetje over gaan?
      Waar lijken we meer op: op gorilla’s of op bonobo’s?
   
Zouden zij elkaar meer vrijheid gunnen, als echte mededieren? Of zou hun gorillakarakter ze blijven plagen. Misschien had de maatschappij er heel anders uitgezien als we meer op Bonobo’s geleken hadden, die voortdurend sexueel actief zijn. Dan was het misschien makkelijker geweest om liefde en min aaneen te vertuien!         
 
 
FK okt ‘12
 
 
December 9th, 2012
  Wat is er buiten het heelal
Wat was er vóór de oerknal

 
Voor het begrip ‘oneindig’ gelden de gewone rekenregels niet meer. Drie maal ‘oneindig’ is nog steeds oneindig, en zelfs oneindig maal oneindig is oneindig. Oneindig gedraagt zich in een berekening dus anders dan een eindig getal. Dit ter inleiding.
 
Dan nu het ‘heelal’: voor uitspraken hiervoor gelden m.i. ook andere regels. Als je ervan uitgaat dat dit begrip 'alles' omvat en dat er daardoor geen sprake kan zijn van welke context dan ook. Zo heeft het heelal geen voorkant achterkant, zijkant, boven- of onderkant.  
Als je ervan uitgaat dat het heelal ook een proces is, dan kun je verder zeggen dat er geen begin en geen eind denkbaar is. Begin en eind gaan alleen op voor deelprocessen, processen die een grotere context veronderstellen: eerst was er de context, en toen ontstond daarin iets nieuws, of er verdween iets wat daarvoor in die context was opgenomen. Als je bijvoorbeeld een begin van het heelal veronderstelt, dan veronderstel je impliciet dat er voor het ontstaan van het heelal een context was waarin het heelal nog niet voorkwam… Een context die weer overblijft als het heelal ooit aan z’n eind komt.
 

 
Een kijkje in de richting van de linkerkant van het heelal. Let op, deze afbeelding staat ondersteboven.
 
Als we kijken naar het concept van de oerknal, dan zien we iets onbegrijpelijks. De achtergrondstraling is net zo oud als de oerknal, dat licht is het langste onderweg, het komt van het verst denkbare gebied van het heelal, het is het behang aan de binnenkant van het heelal. Heel ver van ons vandaan. Maar ga geen lichtjaar verder, je kunt niet door het behang steken, er is geen buitenkant en geen grotere context…    
Hetzelfde geldt voor het moment van de oerknal: van binnenuit is er een geschiedenis die ons terugvoert naar de oerknal, maar je kunt geen jaar verder terug denken: vóór de oerknal was er geen context waarbinnen het heelal kon ontstaan.
 
Twee tegenstrijdigheden. Er wordt in ruimtelijke zin een eind verondersteld, maar niets daarbuiten, geen ruimtelijke context. Er wordt in de tijd gezien een begin verondersteld, maar niets daarvoor, dus ook hier geen context. Vanbinnenuit gezien wordt het heelal opgevat als een deel van een groter geheel, van een grotere ruimte en van een groter proces, maar het blijkt niet mogelijk het heelal van buiten af te zien. Op dat moment blijkt het niet meer over een deel te gaan maar over 'alles', waardoor er van een context geen sprake meer kan zijn.    
Nu kun je zeggen dat ons idee over het heelal ‘contra intuïtief’ is, maar wanneer mag je dat zeggen? In het bedrijven van wetenschap proberen we toch tegenstrijdigheden uit te sluiten. Wanneer kun je dan een tegenstrijdigheid overrulen door deze een ‘contra intuïtieve’ waarheid te noemen?      
Zijn we niet bezig het ondenkbare concept van een uiterste grens en een eerste begin aan de ons omringende wereld op te dringen? Dat zou misschien verklaren waardoor we, op basis van dit concept, zulke contra-intuitieve 'antwoorden' van deze wereld terugkrijgen.
 

posted on Friday, March 11, 2011 4:31 PM  
December 8th, 2012
Onttovering of bezwering?
 
-Werpen met kometen
De wetenschap zou de wereld ‘onttoverd’ hebben. Waardoor ieder die zich op de wetenschap oriënteert in een saaie grijze wereld leeft. Zonder geheim, zonder poëzie. Dat was vroeger wel anders! Zo waren er in de middeleeuwen nog heksen en tovenaars die mensen beter konden maken, of ziek, die bladeren  konden veranderen in geld en die de toekomst konden lezen uit een glazen bol. Ook de Schepper blies zijn partijtje mee, als hij kometen lanceerde om tot het kwaad geneigde aardbewoners te waarschuwen, om belangrijke gebeurtenissen aan te kondigen of om de loop der planeten bij te stellen.
    Kometen om aardbewoners te waarschuwen, belangrijke gebeurtenissen aan te kondigen of de loop de planeten bij te sturen.    

Maar met de ontwikkeling van het wetenschappelijke denken werd de natuur meer en meer begrepen als een serie van mechanismen die konden worden beschreven in wiskundige formules. De geheimen en de poëzie verdwenen, en alles zou voorspelbaar worden.
 
-Meten en wegen
De filosoof en wiskundige Descartes speelde hierin een belangrijke rol. Hij had zich, methodisch twijfelend, afgevraagd wat er van onze ervaring nu echt betrouwbaar was. Want konden onze zintuigen ons niet altijd bedriegen! Wat waren een kleur, een geur of een geluid... bestonden die wel echt? Of waren dat effecten die door onze zintuigen zélf werden geproduceerd? Hij kwam tot de conclusie dat alleen de indrukken van substantie en uitgebreidheid van de werkelijkheid buiten ons afkomstig waren. Dus dat alleen dat wat je kon meten en wegen vertegenwoordigde de werkelijkheid. Alle ervaringen die daarbuiten vielen waren niet meer dan effecten van de zintuigen, illusies, waar je je niet door moest laten misleiden.
 
-Onttovering
Deze gedachte leeft nog steeds voort in de wetenschap. En dan vooral in natuurwetenschappen. Kwantificeerbaarheid staat hier nog steeds voor objectiviteit en zo beperkt men zich tot kilogrammen, meters, seconden, ampères, temperatuurgraden en candela’s, want deze zogenoemde grondeenheden zijn kwantificeerbaar. Massa, lengte, tijd, electrische stroom, temperatuur en lichtsterkte kunnen alle in getallen worden uitgedrukt.
En als we getallen beschikken dan kunnen we deze invoeren in wiskundige formules om zo de causale samenhang tussen de verschillende eenheden te beschrijven. En daarmee te voorspellen. Het idee is dat we op den duur alle mechanismen die in de natuur voorkomen, wiskundig kunnen beschrijven, waarmee we ook alles kunnen voorspellen. En dan zullen we merken dat er geen ruimte meer overblijft voor heksen, tovenaars of andere bovennatuurlijke krachten die de door de natuur gegeven causaliteit zouden kunnen doorkruisen. En daarmee is de wereld is onttoverd. En dat kun je betreuren, zoals Albrecht Dürer, die vond dat de nadruk op wiskunde tot melancholie leidde.   

   
   Albrecht Dürer: te veel aandacht voor wiskunde kan leiden tot melancholie  

-Tegenwerpingen
Nu kun je je kwaad maken over de onttovering omdat de wereld hierdoor pijnlijk saai wordt. Hoho, roept een koor van wetenschappers dan, wetenschap is een avontuur en juist in de wetenschap kun je zien hoe mooi de natuur in elkaar zit.
Jajaja, maar die voorspelbaarheid dan, zijn wetenschappers niet eigenlijk de boekhouders van het universum?
Hier zullen wetenschappers tegenwerpen dat het met de voorspelbaarheid bij nadere beschouwing ook wel weer meevalt. Er zitten nog vele gaten in het wetenschappelijk bedrijf: zo kan de wereld van de grote getallen worden beschreven met de relativiteitstheorie, maar op atomair niveau geldt dan weer de kwantenmechanica en deze beide beschouwingswijzen passen niet aan elkaar...  Het lukt ze dus niet, maar ondertussen streeft men in de wetenschap evengoed toch naar eenheid! Naar een theorie waarmee alles beschreven kan worden.  
Zoals de snarentheorie waarmee men op dit moment de bestaande natuurwetenschappelijke theorieën tot een eenheid probeert te brengen. Het uiteindelijke doel lijkt hier toch een soort sluitens kasboek te zijn.  
 
-Boekhouding
Tegenstanders van het wetenschappelijk bedrijf, die volhouden dat wetenschap in de grond van de zaak neerkomt op een geestdodende boekhouding, roepen smalend dat het met die eenheidstheorie toch nooit zal lukken. En daarbij beroepen ze zich niet zelden op kennis van bovennatuurlijke verschijnselen die stamt van voor de tijd dat Donar nog zelf voor de donder en de bliksem zorgde. Kennis die al sinds eeuwen door wetenschappers wordt afgedaan als illusoir. Maar ligt hier de kern van het probleem? Zouden we ons massaal moeten toeleggen op oude toverkunsten om aan het dodende oog van de wetenschap te ontkomen, om de onttovering een halt toe te roepen?       


Laten we nog eens naar de boekhouding kijken. Toegegeven, de getallen en de formules lijken voorbestemd om ons te onttoveren. Maar de grondeenheden, de meters, seconden, kilogrammen, ampères, temperatuurgraden en candela’s, dat wil zeggen afstanden, tijd, massa, stroom, temperatuur en licht, zijn die ook allemaal onttoverend? Deze kwaliteiten die we in de wereld kunnen ontdekken zijn kwantificeerbaar, maar moeten we daaruit concluderen dat ze niet bijzonder zijn?      
 
-Bezwering
Het feit dat kwaliteiten in wiskundige vergelijkingen zijn onder te brengen die hun werking voorspelbaar maken, betekent nog niet dat deze kwaliteiten zelf geestdodend zijn. Of moeten leiden tot melancholie.       
Als we de ruimtelijkheid van de wereld, ontwikkelingen in de tijd, de weerstand van een massa, de prikkeling van een elektrische stroom, de warmte, de kou, en het verschijnsel licht, op ons in laten werken, dan kunnen we toch zeggen dat we in een geheimzinnige en betoverende wereld leven. Wat is een meter, behalve 100 centimeter, wat is een uur, behalve 60 minuten, wat is een kilogram, behalve 1000 gram, wat is een ampere, behalve 1000 miliampère, wat is kou, behalve minus 250 Kelvin, wat is 1 candela, behalve dat we kunnen zeggen dat 100 candela net zoveel is als het licht van een grote gloeilamp... Als we kijken naar de kwaliteiten waar de grondeenheden naar verwijzen, wat zien we dan, als we afzien van kwantificering? Blijkt dan niet dat we in een wereld leven die alle bovennatuurlijk getover overbodig maakt!
Nu is de wereld van kwaliteiten waar we ons in geplaatst zien door haar onverklaarbaarheid misschien niet alleen betoverend, maar ook verontrustend, zo verontrustend dat de boekhouders van de wetenschap eenzijdig de nadruk hebben gelegd op de causaliteit die zij erin konden ontdekken. Waarbij zij de formules van de wetenschap hebben gebruikt als toverformules om de verontrustende contingentie van de ons omringende wereld op magische wijze te bezweren. Daardoor lijken zij misschien wel meer op hun magische opponenten dan zij zelf denken.

-Objectief
Wat sommigen zien als de zon over een besneeuwd landschap schijnt, of wat zij ervaren als ze bij stormachtig weer langs de zee wandelen, of als hun vliegtuig boven de wolken uitstijgt, dat geldt ook als het motregent of als de zon de hele wereld in stof en zweet verandert... de wereld is betoverend in die zin dat haar hele palet van kwaliteiten onverklaarbaar is.
Waarom zouden wetenschappers deze betovering willen bezweren? Als zij werkelijk objectief zijn, kunnen zij de wereld toch ook in haar betoverende waarde laten?            

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

posted on Friday, January 04, 2008 4:35 PM
 
December 8th, 2012
Spiritualiteit

mag geen naam hebben

 
 
Leefregelreligies
Zingeving en ethiek berusten bij officiële religies op het hoogst denkbare gezag, op het gezag van de Schepper van hemel en aarde. Maar helaas is het bestaan van een dergelijke Schepper een omstreden zaak. En bovendien, hoe hoog het ook is, gezag is niet genoeg. Of we instemmen met de op ons neergedaalde zingeving en ethiek hangt uiteindelijk van onszelf af. Religies kunnen, ondanks het beroep dat zij doen op het hoogste denkbare gezag, toch niet overal mee aankomen. Ook niet als zij de leefregels waarin de ethiek en zingeving zijn geconcretiseerd, voorzien van een beloning (de hemel) of van een sanctie (de hel). Uiteindelijk bepalen we zelf wat zin heeft, wat goed en kwaad is, en in welke leefregels we dat willen vatten. In de geschiedenis zijn er hierdoor regelmatig nieuwe aanpassingen, varianten en afsplitsingen van religies ontstaan die beter pasten bij wat mensen zelf dachten dat goed was. 
 
Op eigen benen
Er zijn ook altijd mensen geweest die besloten hebben de hele op gezag en leefregels gebaseerde religieuze benadering te verlaten. Eenmaal op eigen benen wordt het echter pijnlijk duidelijk dat je eigenlijk niet weet hoe je dat doet. Hoe besluiten we over wat zin heeft, en over wat goed en kwaad is? En waar kun je terecht met deze vraag.
 
Wetenschap
Sinds de Renaissance speelt de wetenschap een belangrijke rol als manier om de wereld te benaderen. Maar als we hier te rade gaan, dan horen we eerder iets over waardevrijheid dan over zingeving en ethiek. Op dit punt is de wetenschappelijke benadering van de wereld kaal en leeg.
 
Filosofie
Sinds de renaissance hebben ook filosofen zich beziggehouden met de vraag hoe de wereld in elkaar zit, en daarbij hebben zij zich wel met zingeving en ethiek beziggehouden. Maar filosofie is over het algemeen zware kost, alleen voor de liefhebber. Niettemnin wil ik het wagen om de lezer te vermoeien met een korte filosofische beschouwing.    
Als we naar religieuze benaderingen kijken dan zien we dat deze de wereld willen verklaren door een schepper ten tonele te voeren. Maar waar deze schepper vandaan komt, dat vermeldt de religieuze historie niet. En doorvragen op dit punt leidt kan in eerste instantie leiden tot een poging om de kritische vragenstellen in te lijven met een ‘God is zo groot, dat kunnen wij niet begrijpen' Wij? Doorvragen kan dan gemakkelijk tot irritatie leiden, en tot een autoiritair antwoord: 'Wie denk je wel dat je bent!'

Deze irritatie is vergefelijk, want met de gestelde (en voor de hand liggende) vraag wordt de basis van de religieuze benadering in één keer ter discussie gesteld. Maar het kleineren van de vragensteller is misschien niet zo vergefelijk. Hier wordt weer duidelijk hoe de religieuze benadering op gezag is gebaseerd. We moeten onze plaats kennen, we hebben hier te maken met een groot gezag, waar wij maar heel klein bij zijn. Maar als we van de schrik bekomen zijn kunnen we ons niettemin afvragen of de religieuze benadering nu eigenlijk wel werkt. Wordt de wereld begrijpelijk door deze te verklaren door middel van iets dat evenhard om een verklaring vraagt?        
Kijken we naar de wetenschappelijke benadering van de wereld, dan zien we ook hier een poging de wereld begrijpelijk te maken, maar het vreemde is dat er hier op het punt van zingeving en ethiek geen uitspraken zijn gedaan. De wetenschap heeft toch ook de menselijke ervaring onderzocht?
Zo is uitgebreid onderzocht welke stroompjes er lopen en welke stoffen er worden geproduceerd in onze hersenen bij verschillende ervaringen. Als we kaas eten of met een slee van de berg roetsjen. Maar is onze ervaring daarmee begrijpelijk geworden? Aan de stroompjes en de chemische omzettingen kun je niet zien dat het om de ervaring van kaas gaat of om de ervaring van snelheid.

 
Hoe in de wetenschap de werking van de hersenen wordt ervaren.  
 
Hier zijn we op een wezenlijk punt beland. De ervaring wordt in de wetenschap niet verklaard. Er worden wel verbanden gelegd tussen verschillende manieren om te ervaren, tussen de ervaring een proefpersoon die kaas eet en de ervaring van een wetenschapper die stroompjes meet en chemische omzettingen signaleert. Dit aanzien voor een verklaring dan zou er op neerkomen dat de ervaring werd verklaard uit ... de ervaring. Een cirkelredenering! Dat een verklaring in de wetenschap niet mogelijk is, komt dus niet voort uit domheid of nalatigheid, het gaat hier om een onmogelijke opgave! Er is niets dat de ervaring kan verklaren.        
Hoe we de wereld ervaren, is gebaseerd op iets onverklaarbaars, en daarmee is ons leven fundamenteel iets geheimzinnigs. Als we ons dit realiseren kunnen we misschien beginnen ons een oordeel vormen over zingeving en ethiek. In plaats van dat we ons, kleingemaakt, overgeven aan religieuze leefregels. In het vertrouwen dat het dan wel goed komt. Een vertrouwen dat bij sommige gelovigen zo ver gaat dat ze hun kinderen niet laten inenten.    
In de twintigste eeuw is de onverklaarbaarheid van de ervaring gethematiseerd in de filosofie van het het existentialisme. Maar het existentialisme heeft hier niet het alleenrecht op. Al in oude oosterse levensbeschouwingen kwam naar voren dat doorvragen naar de oorsprong van de ervaring geen zin heeft. Het is de vraag of deze levensbeschouwingen toegankelijker zijn dan de westerse filosofie van het existentilisme, maar in elk geval zijn er heel wat mensen geweest die hier op onderzoek zijn uitgegaan.  
 
Boeddhisme, Taoisme en Zen
In het Boeddhisme wordt aangeraden de ‘ketenen van oorzaak en gevolg’ te verbreken. Denk niet dat alles verklaarbaar is, doorbreek de ketenen van de causaliteit.
In het Taoïsme wordt je aangeraden om de Tao te volgen, ‘de weg’, maar wie daar nadere uitleg over vraagt krijgt te horen dat de Tao niet kan worden uitgelegd, dat de ware Tao ‘onzegbaar’ is.
Bij Zen worstelen monniken jarenlang met koans, logisch onoplosbare raadsels, tot op het punt dat zij er aan toe zijn om het zoeken naar causale verklaringen achter zich te laten en ‘verlicht’ worden.
                 De causaliteit voorbij.                                                               Pop van Anne Mannaerts  

De benadering verschilt, maar elke keer gaat het om een levenshouding waarin het onverklaarbare de hoofdrol speelt. Heel inspirerend voor degenen die op zoek zijn naar een zingeving en ethiek die gebaseerd is op de eigen ervaring en die daar in de religie en in de wetenschap geen aanknopingspunten voor vonden.     
 
New Age en spiritualiteit 
Veel westerlingen hebben zich in de loop van de tijd al bezig gehouden met oosterse denkwijzen
en zij hebben daar hun conclusies uit getrokken op het gebied van zingeving en ethiek. Deze hebben een plaats gevonden in de zogenaamde New Age beweging. En om aan te duiden dat er bij de ervaring sprake is van iets geheimzinnigs, dat het om iets anders gaat dan om de causaliteit en om de verklaarbare werking van de zintuigen, dat er sprake is van iets dat ongrijpbaar is en niet materieel, spreekt men hier van ‘spiritualiteit’. Maar heeft men hiermee ook de essentie weten te bewaren? Misschien niet altijd.  
 
Alles is mooi
Als je, met de Boeddhisten, de keten van oorzaak en gevolg kunt doorbreken, als je beseft dat essentiële levensvragen niet in de sfeer van de causaliteit zijn te beantwoorden, dan kun je vrede vinden, dan kun je het lijden achter je laten. Maar deze gedachte komt in New Age niet altijd even goed tot z’n recht. Spiritualiteit en vrede hebben iets met elkaar te maken. Besef van de onverklaarbaarheid van de ervaring maakt dat je vrede kunt hebben met het bestaan zonder gestoord te worden door de verkeerde, door causaliteit getekende vragen, door de verkeerde antwoorden en door even verkeerde wensen die daaruit voortvloeien.
   De wereld is mooi.  

Maar soms lijkt men in de New Age beweging de conclusie te hebben getrokken dat spiritualiteit betekent dat je overal vrede mee kunt hebben, dat de wereld in alle opzichten mooi is. Bij alle honger, ziekte en onrechtvaardigheid in de wereld blijven zij glimlachen, spiritueel als ze zijn.             
 
De natuur
Dat de ervaring zich onttrekt aan de causaliteit, wordt ook tot uitdrukking gebracht als Taoïsten wijzen op het ‘onzegbare’ karakter van de weg. Op het feit dat een wijze levenswandel niet in woorden te  beschrijven is, niet in een handleiding is onder te brengen. In westerse termen kunnen we zeggen dat ervaringen spontaan zijn, en als je je ervaringen serieus wilt nemen, dan moet je je spontaniteit de kans geven. En dan kun je je levenswandel niet vantevoren in een schema vastleggen. Als je inziet dat spontaniteit van wezenlijk belang is voor je ervaring, voor de manier waarop je in de wereld staat, dan kun je je leven niet inpassen in kunstmatige strukturen. Dat zou onnatuurlijk zijn. In de sfeer van New Age zie je deze gedachte ook wel vertaald in de
aanbeveling dat we de natuur moeten volgen. Spiritualiteit betekent dan: begrijpen dat we leven onder het gezag van de Natuur.   
     Leven onder het gezag van de Natuur die het goed met ons voorheeft.                                Copyright foto: Todd Gustavson  

Wat betekent dat de Natuur de leefregels uitdeelt. En vertrouwen dat de Natuur het goed met ons voorheeft en dat het wel goed komt als we ons daaraan overgeven. Maar een vertrouwen in gezag en leefregels, hadden we dat niet al achter ons gelaten?                
 
Gevoeligheid
Een Zen monnik probeert zijn geest leeg te maken. Door de geest vrij te maken van opgelegde causale denkschema’s scherpt hij zijn intuïtie en wordt hij gevoelig voor de meest subtiele ervaringen die kunnen ontspruiten aan de geheimzinnige bron van onze ervaring.
In de westerse wereld van de New Age staat gevoeligheid dan ook hoog aangeschreven. Gevoeligheid voor ervaringen die vallen buiten het bereik van door de westerse cultuur opgelegde beperkingen. Gevoeligheid voor telepatie, aura’s, chakra’s, aardstralen, reinigende geuren of helende klanken. Of voor de ‘energie’ die uit de natuur of de kosmos op ons afkomt om ons te vertellen wat goed en wat slecht voor ons is. Nu kun we ons afvragen wat het waarheidsgehalte is van al deze buitengewone ervaringen, en wat daarmee de waarde is van de buitengewone verrichtingen die in het verlengde daarvan liggen, maar als we erkennen dat onze ervaringen op onverklaarbare wijze ontstaan, dan is het moeilijk onderscheid te maken. Gaat het om pretentieuze verzinsels of ontbreekt het je aan de vereiste gevoeligheid?
De wereld van de New Age is heel gevarieerd en wie zal zeggen hoe deze zich zal ontwikkelen en wat waardevol zal blijken te zijn. Maar ook zonder de juiste gevoeligheid voor bovengenoemde buitengewone ervaringen, kun je hier toch een bepaald soort nattigheid voelen. Namelijk daar waar de gevoeligheid voor buitengewone ervaringswijzen wordt vereenzelvigd met spiritualiteit. Een misverstand dat velen ertoe heeft geinspireerd om anderen te vermoeien met de eigen, verheven gevoeligheid.   
     Spiritueel dankzij de nachtkijker.  

Maar wat is er zo spiritueel aan een buitengewone gevoeligheid? Ben ik met een nachtkijker ook spiritueel, omdat ik dan in het donker kan kijken, daar waar gewone stervelingen niets kunnen zien?
 
Zoeken zonder naam
Bij het zoeken naar zingeving en ethiek op basis van de eigen ervaring zijn we gestuit op de onverklaarbaarheid van deze ervaring. Het besef hiervan zouden we spiritualiteit kunnen noemen. Maar willen we nog wel varen onder deze vlag als deze ook gebruikt wordt, om onrechtvaardigheid en armoede onder te brengen bij de schoonheid van de wereld en om leefregels te ontlenen aan het Gezag van de Natuur.
Zo blijft alles hetzelfde: de armoede, de onrechtvaardigheid en de volgzaamheid op het gebied van leefregels. Alles blijft hetzelfde, of misschien gaan we er zelfs wel op achteruit, omdat de zoektocht naar zingeving en ethiek tot stilstand komt, waar spiritualiteit wordt verward met gevoeligheid. Wat is er gebeurd met het zoeken naar de betekenis die de geheimzinnige bron van onze ervaring zou kunnen hebben voor zingeving en ethiek, sinds we zijn gaan spreken over ‘spiritualiteit’? Is het misschien tijd voor een andere term, nu deze zich zo makkelijk laat verbinden met misplaatste schoonheidservaring, met gezagsgetrouw volgen van leefregels en met stilstand? Of zijn we beter toegerust voor onze zoektocht naar zingeving en ethiek, als we wél praten over het onuitlegbare en onzegbare, maar er géén naam aan geven? Wat een retorische vraag!    
 
Flip Krabbendam
 
posted on Thursday, October 11, 2007 9:18 PM

 


 
December 8th, 2012
Geloof, ongeloof, filosoof

Wat komt er na de confrontatie tussen religie en wetenschap

 

Dat voel ik
Gelovigen hebben wel eens de neiging te doen alsof er nog nooit over religie is gediscussieeerd. Net als wanneer je tegen de bakker zegt dat z'n koekjes oudbakken waren, dat-ie dan antwoordt: 'Wat gek, daar hebben we nooit klachten over gehad'.   
Misschien willen zij ook geen discussie. Er is sprake van een bepaald soort weten, dat zich niet voor discussie lijkt te lenen. Als je naar de basis van dat weten vraagt dan is het antwoord 'Dat voel ik'.         
Maar kennis, gebaseerd op 'Dat voel ik' .... zou je een gelovige ervan kunnen overtuigen dat een bungy jump veilig is omdat de zwaarte en de lengte van de elastieken op het gevoel zijn bepaald? 
 
Hypothese nodig?
Wat een gelovige voelt zou je kunnen formuleren als een hypothese. Deze luidt dan: ‘Het universum is geschapen door een intelligentie die we traditioneel 'God' noemen’. Is dit nu een hypothese is waar we vertrouwen in kunnen hebben? 
De eerste vraag die we hier kunnen stellen is: hebben we zo'n hypothese wel nodig? Zou het universum er anders niet zijn? Zou er anders niets zijn? En hoe zou dat er dan uitzien, is dat wel denkbaar of bestaanbaar, geen universum? Als we het aannemelijk vinden dat 'geen universum' ondenkbaar is, dan hebben we de hypothese niet nodig. 
Maar als we aannemen dat er inderdaad niets was, ook geen leeg heelal, en we zien ons nu geconfronteerd met een heel universum, compleet met sterren, supernova’s, rode dwergen, witte dwergen, zwarte gaten,  zwarte materie en planeten waarvan er minstens één bewoond is door levende wezens, dan moet iets gebeurd zijn! Dan kunnen we een beroep doen op de hypothese: er is een God, of een ‘Intelligente Designer’ die op een welgekozen moment het universum heeft geschapen.

En aannemelijk?
Dankzij deze hypothese hebben we een verklaring voor het feit dat er eerst niets was en nu een heel heelal. Is dit nu aannemelijker dan de gedachte dat het heelal er altijd al geweest is?
Als we dit laatste aannemelijk vinden, dan hebben we geen probleem. Als we het aannemelijk vinden dat het heelal op een bepaald moment ontstaan is, dan hebben we de hypothese nodig, maar is ons probleem dan opgelost? 
Misschien niet: immers, de hypothese die verklaart waarom het heelal bestaat is in strijd is met de aanname die deze verklaring nodig maakte, namelijk de aanname dat er helemaal niets was! Want deze Intelligente Actor moet er dan toch al geweest zijn. Dat kun je niet afdoen als een detail. Je kunt niet zeggen 'Nou ja vooruit, er was wel iets, maar dat had eigenlijk niets te betekenen'. De eigenschappen van deze Actor zijn immers niet mis te verstaan: voor het scheppen van het ongelofelijk gecompliceerde universum zoals we dat kennen, was niet alleen een onschatbaar diep denkvermogen nodig, het was ook een immens werk. Onvoorstelbaar gecompliceerd, onvoorstelbaar gedetailleerd en tevens onvoorstelbaar groot. We moeten wel aannemen dat dit intelligente en onvermoeibare Wezen al bestond voordat er verder nog maar iets was. Maar hoe kan dat? Dit vraagt om een nieuwe hypothese die het bestaan van dit superieure Wezen verklaart...  Als je op deze manier naar een oorzaak zoekt, dan heb je het over een nieuwe hypothese nodig,  die weer om een nieuwe hypothese vraagt, en zo verder, Zo wordt de oplossing van het probleem tot in het oneindige weg geschoven. Misschien is dan de aanname dat het heelal er altijd al was toch minder problematisch en aannemelijker...      
 
En toetsbaar?
Laten we de complicaties die de hypothese met zich meebrengt even terzijde schuiven en proberen deze te toetsen. Maar hoe? Als iemand beweert dat het buiten regent dan is dat een uitspraak die je kunt verifieren door eens naar buiten te kijken. En als het dan inderdaad regent kun je zeggen: u heeft gelijk, ik kan uw uitspraak bevestigen. Maar zo gemakkelijk is het niet altijd. De hypothese dat er atomen bestaan kun je niet zomaar bevestigen. Atomen zijn nu eenmaal niet direct waar te nemen. Toch kun je er veel over zeggen, namelijk door de eigenschappen ervan af te leiden uit andere verschijnselen. Omdat we bij het toetsen van de hypothese over het bestaan van een Intelligent Wezen evenmin kunnen beschikken over directe waarnemingen, zullen we ook hier moeten werken met indirecte waarnemingen.      
Gelovigen gaan hier soms heel ver in. Uit het bestaan van het universum leiden zij niet alleen af dat God bestaat, uit hun waarnemingen leiden zij ook af wat Hij met ons voor heeft. Zo kon paus Benedictus XIV ons op 21 april 2007 vertellen dat God het voorgeborchte voor onbepaalde tijd gesloten had. Kinderen die door een vroegtijdige dood (bijvoorbeeld bij de geboorte) nog niet waren gedoopt, konden nu toch tot de hemel worden toegelaten. 
In de loop van de geschiedenis is wel gebleken dat onze waarnemingen vele interpretaties mogelijk maken. Net als bij een Rohrschach test, die laat zien dat iedereen iets anders kan zien in een willekeurige inktvlek. Waar het hart van vol is, dat wordt in de inktvlek gelegd. Je wist het al, je voelde het al. 
Misschien kun je zelfs zeggen dat de interpretaties van gelovigen op complot-theorien lijken. Waarbij zij vermoeden dat achter de schermen bepaalde krachten aan het werk zijn die ernaar streven om... vul maar in, er hebben in de loop van de geschiedenis al vele goden in vele complotten gezeten. Soms hadden ze het goed met ons voor, maar vaak ook moest je voor ze oppassen. Tot de gelovigen ze afdankten of moesten afdanken onder druk van andere, overtuigende of gewelddadige, gelovigen die andere goden en een ander complot meenden te bespeuren.
De hypothese leidt tot een oneindige herhaling die het antwoord op de vraag hoe alles kon ontstaan tot in het oneindige weg schuift en pogingen om deze te toetsen blijven speculatief en leiden tot tegenstrijdige conclusies. Dat laat de geschiedenis toch duidelijk zien. Hoe is het dan mogelijk dat gelovigen hier zo druk, en soms fanatiek, mee in de weer zijn geweest, eeuwen lang?
 

 
Ethiek
Misschien nemen we het hele verhaal te serieus. Het gaat niet om een serieuze hypothese, en ook niet om een serieuze poging deze te toetsen. Het gaat bij religies om ethiek en zingeving.  
Op het punt van de ethiek is het een poging om stelen, moorden, verkrachten en ander verwerpelijk menselijk gedrag te kunnen veroordelen met Gezag. Maar daardoor kunnen gelovigen doodsbang zijn voor mensen die niet geloven. Die zijn immers van God los, daar kun je alles van verwachten. (Behalve misschien kruistochten, heksenverbrandigen, de inquisitie, godsdienstoorlogen, donderpreken of een glimlachende pater aan de deur, homohaat, bomaanslagen en landjepik, al die dingen die je in de bijsluiter, dwz in de kronieken van de geschiedenis en in de krant kunt lezen).
De ethiek van het geloof krijgt alleen een kans als mensen ervoor kiezen om deze toe te passen. Het zijn de gelovigen die de richtlijnen van hogerhand van toepassing moeten verklaren. Dat verklaart de bijwerkingen die in de bijsluiter vermeld staan, maar dat maakt niet dat gelovigen zich daar per definitie schuldig aan maken. Toch is hier een moeilijkheid te maken: is een beroep op het Gezag niet erger dan de kwaal, de mogelijkheid van wangedrag. Want mensen die zich richten naar dit Gezag, verwarren misschien verantwoordelijkheid met gehoorzaamheid. Wat voor ethisch bewustzijn kun je daarvan verwachten?
 
Zingeving
Dan is er nog de zingeving. Religie voorziet mensen niet alleen van een ethische geschoolde en respectabele Vaderfiguur, maar ook van een zin in het leven. Stel dat iemand die niet weet wat hij met z'n leven aanmoet, bij je aanklopt. Hij ziet het niet meer zitten en vraagt je 'Wat moet ik doen'. Eerste reaktie: 'Je moet helemaal niks'. Maar dat helpt niet. Goed, je geeft de persoon een zetje. 'Waarom ga je geen vrijwilligerswerk doen, er zijn heel wat mensen die wel wat hulp kunnen gebruiken'. Ook dit valt verkeerd, want iemand die 'het' niet ziet zitten, is hier ook niet voor in. 'Waarom zou ik, en trouwens, wat heb ik een ander te bieden?' Iets van deze strekking.
Nu valt zo'n kwetsbare persoon in de handen van een religieuze groepering. Bij het volgende bezoek hoor je dat hij weer een doel in het leven heeft. De zin van het leven is de Schepper lief te hebben en tevens al zijn schepselen. Deze persoon heeft zich nu via de religie in het charitatieve werk gestort. Opeens is het bijstaan van andere mensen wél de moeite waard. En de tegenwerping 'Waarom zou ik, het heeft toch immers allemaal geen zin' is irrelevant geworden. Want nu heeft Hij het gezegd. Ik vrees dat het Gezag hier weer doorslaggevend is. Met de almachtige Schepper ga je toch niet in discussie! Als de Intelligentie die achter de plannen van het universum zit het zegt, dan is het toch goed!
 
Een onaannemelijke aanname, een onhoudbare hypothese, een Rorschach-bewijs, gehoorzaamheid in plaats van verantwoordelijkheid, zingeving door Gezag. Hoe kan zoiets zo lang voortduren? Het bestaat al zo lang, dan moet er toch iets goeds in zitten? Hoewel, oorlog, martelingen, moord, verkrachting, oplichting en verraad bestaan ook al heel lang, zit daar ook iets goeds in?
Nou vooruit, deze retorische vraag neemt de echte vraag niet weg: hoe kunnen mensen hier zo aan vasthouden? Waar zijn zij naar op zoek?
   
Ontoereikende wetenschap
De wetenschappelijke benadering, die na de middeleeuwen de overhand kreeg op het geloof, laat iets heel belangrijks buiten beschouwing. De wetenschap zoals we die kennen, is terug te voeren op Descartes, een filosoof uit de zeventiende eeuw die het begrip ‘waarheid’ koppelde aan 'substantie en uitgebreidheid'. Anders gezegd: de wereld die we dagelijks ervaren is alleen ‘waar’ voorzover deze is uit te drukken in catagorieën van kwantiteit. Kilogrammen, meters en sekonden, dat soort eenheden. En als je gebeurtenissen kunt kwantificeren, kun je ze in wiskundige modellen vangen. Door deze denkwijze heeft de wetenschap zich op ongekende wijze kunnen ontwikkelen, maar in dit wereldbeeld is niets over ethiek of zingeving te vinden. De wetenschapo is op dit gebied ontoereikend en dat is geen probleem, zolang je maar niet denkt dat de wetenschappen 'alles' ter sprake kunnen brengen en over 'alles' een oordeel kunnen vellen. 
Naast ethiek en zingeving is er nog een belangrijk aspect van het leven waar de wetenschap niets over kan zeggen. In eerste instantie lijkt dit aspect misschien onbelangrijk, maar het speelt het een cruciale rol: ik doel hier op hoe wij de wereld door ons bewustzijn ervaren. Hier ligt de sleutel tot een nieuwe benadering van ethiek en zingeving.   

Bewustzijn en de filosofie van de vrijheid
Kan de wetenschap werkelijk niets zeggen over de ervaring? Op een bepaalde manier wel. Als je een kleur of een geur ervaart, kan de wetenschap tegenwoordig heel nauwkeurig aangeven wat er allemaal voor stroompjes en chemische omzettingen aan te pas komen in onze zenuwbanen en synapsen. Maar, en nu komt het, daarmee is het bewustzijn niet echt begrepen! Het idee dat dat het bewustzijn te begrijpen zou zijn als een gecompliceerde samenwerking van stroompjes en chemische omzettingen zou zelfs heel onwetenschappelijk zijn. Want daarmee wordt het bewustzijn herleid tot zaken die dankzij ons bewustzijn bestaan: stroompjes en chemische omzettingen. Dit komt neer op een cirkelredenering, een tautologie. Als het gaat om begrip van het bewustzijn dan staat de wetenschap met lege handen…  
In wetenschappelijke verhandelingen wordt hier altijd een beetje overheen gepraat. Aan het eind van een relaas over stroompjes en chemische omzettingen wordt dan iets gezegd in de trant van: 'En dat ervaren we als groen, of als de geur van kaneel'. Maar hoe kun je van stroompjes zomaar overstappen op een kleur of een geur? Daar wordt verder nooit op ingegaan. Het bewustzijn blijft voor de wetenschap  onbegrijpelijk. Een constatering die ons van de wetenschap naar de filosofie brengt. 
Dat we ons van de wereld bewust zijn, of laten we het ruim nemen, van het hele universum, overkomt ons. Het is uit niets te verklaren. Uit 'niets'. Er is hier geen sprake van een substantie die we kunnen kwantificeren en daarom is het te begrijpen dat het het in de wetenschap niet voorkomt, maar dit 'niets' is essentieel voor het bestaan van alles wat we ervaren, van alles dat er voor ons is, inclusief de wetenschap! In de existentiefilosofie van de twintigste eeuw speelt dit begrip dan ook de hoofdrol.  

En de toetsing?
Hebben we nu met dit 'niets' niet toch een ontoetsbaar begrip ingevoerd, vergelijkbaar met het godsbegrip? Hebben we hier niet hetzelfde probleem?  
Als je wil zien of je het 'niets' kunt bevestigen, ga dan bij jezelf te rade. Kijk eens naar je arm of je been. Je zegt daarover, dat is 'mijn' arm of 'mijn' been. Je ziet dus het object, maar niet de eigenaar. Hetzelfde geldt voor je maag, je hoofd, je hersenen; waar je je aandacht ook op richt, je kunt de eigenaar niet waarnemen. Je kunt de eigenaar, de ervarende instantie, het 'niets', dus niet verifieren zoals je de uitspraak dat 'het regent' kunt verifieren. Maar intussen weet je wel dat je als eigenaar onmiskenbaar aanwezig bent, hoe zou je anders van 'mijn' armen, benen of andere lichaamsdelen kunnen spreken. Je kunt jezelf dus niet direct waarnemen, als 'iets', als een object, maar je bent onmiskenbaar aanwezig, namelijk als noodzakelijke voorwaarde voor de waarneming. Je bent er wel, maar je kunt jezelf niet zien. Maar wat zouden we ook meer kunnen verwachten als we op zoek zijn naar 'niets'.                 

Ethiek en zingeving in een nieuw licht
Je kunt nu zeggen dat we de wereld (van onszelf) onderscheiden voor zover we niet met de wereld samenvallen, voorzover we de wereld 'niet' zijn. Om dit tot uitdrukking te brengen wordt in de existentiefilosofie ook de term 'vrijheid' gebruikt. De mens valt als 'vrijheid' niet samen met de wereld. Voor alle duidelijkheid, bij dit begrip ‘vrijheid’ gaat het niet om een soort vakantie, maar om het feit dat we niet samenvallen met de wereld om ons heen, dat we niet opgaan in een systeem dat wordt geregeerd door vaste natuurwetten. Dit heeft niet alleen een beschouwelijke, maar ook een praktische betekenis: het feit dat we niet samenvallen met de wereld, houdt in dat we iets in de wereld kunnen uitrichten. We ervaren feitelijkheden, maar we zien daarin ook mogelijkheden, en omdat we vrij zijn kunnen we kiezen welke we willen verwezenlijken. 
Het besef dat wij, áls vrijheid en ín vrijheid, kunnen bepalen wat we doen, kan als basis dienen voor een ethiek. Want het gaat niet alleen om de eigen vrijheid, maar om vrijheid in algemene zin, dus ook om de vrijheid van anderen. Hoe kun je daar goed mee omgaan? 
Het besef van vrijheid raakt ook aan zingeving. Want wat is je keuze, wat heeft volgens jou zin om te doen? Waarmee wil je je engageren, in de wonderlijke situatie waar je je in bevindt?
Door het begrip ‘vrijheid’ kunnen ethiek en zingeving dus in een nieuw licht worden gesteld. Het gaat nu eerder om het maken van keuzen en om engagement, dan om Gezag en Gehoorzaamheid.
 
De actualiteit
Een onverklaarbaar bewustzijn dat uit 'niets' ontstaat, een ethiek om ieders 'vrijheid' te beschermen en de mogelijkheid om, handelend, zin en betekenis aan je leven te geven. In de filosofie kan het dus ook gaan over een soort schepping uit het niets, en ook over ethiek en zingeving…
Maar er is een duidelijk verschil: in religies is de verontrustende, maar misschien ook inspirerende onverklaarbaarheid van de bewuste ervaring gewoonlijk omgevormd tot een kwasi begrijpelijke schepping, waarin er 'gewoon' een Schepper aan het werk is geweest, iets dat bij doorvragen geen stand houdt. Daarbij wordt je de mogelijkheid om een 'eigen' ethiek en zingeving te ontwikkelen ontnomen en vervangen door gehoorzaamheid aan voorschriften.              
Er zijn gelovigen die dat graag doen, in de veronderstelling dat deze voorschriften eeuwigheidswaarde bezitten omdat zij deel uitmaken van teksten die al eeuwen meegaan. Vaak zullen ze hierbij opmerken dat deze voorschriften, hoewel oud, nog steeds verrassend actueel zijn. Hiermee benadrukken zij de eeuwigheidswaarde, maar dat niet alleen. Tegelijkertijd geven zij aan, en misschien is dat ongewild, dat zij de actualiteit van belang vinden. Maar als dat zo is, waarom besteden zij dan niet meer aandacht aan meer actuele teksten? Aan beschouwingen over de betekenis van het 'niets'. Die een nieuw licht werpen op hun oude stellingen. Wie weet wat voor moois daar uit voort kan komen. Stel dat zij hun traditionele opvatting over hun God in dit licht beschouwden. Als zij bijvoorbeeld het geheimzinnige, ongrijpbare 'niets' dat alles bewust maakt, dat alles 'schept', en dat de basis is voor ethiek en zingeving, als zij dat nu eens identificeerden met hun onhoudbare godsbegrip... Dan konden zij op een een klacht over oudbakken koekjes reageren met een: 'Dan treft u het, we hebben zojuist verse koekjes gebakken'.
 


posted on Saturday, January 06, 2007 9:37 PM  

Dit is een Herman Boots uit 2012