Beschouwelijkheden

Juli 21st, 2018
Hersenonderzoek in een existentialistisch perspectief
 
Flip Krabbendam
 
 
Met enige regelmaat verschijnen er publicaties met wetenschappelijke bewijzen dat de vrije wil niet bestaat. Hersenonderzoekers beschrijven proeven waaruit blijkt dat het menselijk handelen geheel gedetermineerd is door onbewuste impulsen. Dat ons bewustzijn ons in staat zou stellen om beslissingen te nemen, zou slechts een illusie zijn. Als dit waar is, dan heeft dat verregaande consequenties… Kunnen we dit ook anders zien?    
 
 
          Betekenisverlies

Verantwoordelijkheid
Als wij bestuurd zouden worden door onbewuste impulsen, en als niemand dus verantwoordelijk zou kunnen worden gesteld voor zijn of haar daden, dan zou de hele rechtsspraak kunnen vervallen. En de gevangenissen opgeheven. Nu is dit laatste misschien een goed idee, maar wat doen we met de gevangenen? We kunnen niemand iets kwalijk nemen. Dit probleem wordt altijd genoemd, maar er is veel meer.

           
Zelfverwerkelijking, liefde en een zinvol leven
Een consequentie is ook dat het onmogelijk wordt om jezelf te verwerkelijken, dat wil zeggen om keuzen te maken en aan de verwezenlijking daarvan te werken. Een studie volgen, een kamer inrichten, een muziekinstrument bespelen, leren autorijden of programmeren… als het allemaal het gevolg is van elektrische stroompjes en chemische omzettingen in de hersenen, wat zou je je dan nog druk maken?  
Wat hiermee ook sneuvelt is het voldane gevoel dat je krijgt als je moeilijkheden hebt overwonnen, ontdekkingen gedaan en iets bereikt hebt. Dat de keuzen die je hebt gemaakt vruchtbaar zijn geweest, en misschien belangrijk voor anderen. Want ook dit betekent niets meer wanneer er geen ‘ik’ is die de keuzen heeft gemaakt en die heeft doorgezet.
Een ander aspect van het leven dat door de uitkomsten van het neurologisch onderzoek ‘oplost’ is het vermogen lief te hebben. Want hoe kun je anderen liefhebben als zij eigenlijk ‘zelf’ niet bestaan, als zij in de grond van de zaak biologische mechanismen zijn. En wat te denken van de liefde die je ‘zelf’ meent te ontvangen terwijl het ‘zelf’ eigenlijk geen rol speelt.   
Wat hier in het geding is, is het idee van een zinvol leven, want daarvan kan alleen sprake zijn als je een bewust wezen bent, waardoor je tot kiezen in staat bent, en waardoor je tot je recht kan komen door de kansen die je hebt gezien, door wat je verwerkelijkt hebt, door de vruchtbaarheid van je aanpak, door wat je voor anderen hebt betekend, door wat je hiervan begrepen hebt. Wat er dan overblijft is hoogstens dat we constateren dat we door de tijd heen nu eens zus en dan weer zo hebben gefunctioneerd…
 
 
          Wetenschap en filosofie
 
Descartes
Als gedegen wetenschappelijk onderzoek ons laat zien dat wij worden geleefd door de diverse hersenfuncties die onder onze schedel actief zijn, wat zouden we ertegenin kunnen brengen? Misschien moeten we proberen te wennen aan deze uitkomsten en ons leven omgooien. Meegaan met onze tijd en afzien van het idee van verantwoordelijkheid, zelfverwerkelijking, de mogelijkheid van liefde en een zinvol leven.
Maar laten we niet overhaast te werk gaan. Want waarom zouden wij wetenschappelijk onderzoek het laatste woord geven? Velen zullen hier misschien toe geneigd zijn, in de veronderstelling dat de wetenschap in staat is de waarheid over ons en onze omgeving te ontdekken.
Maar deze veronderstelling is terug te voeren op de filosofie van René Descartes (‘Discours de la methode’ 1637) die stelde dat alleen datgene dat meetbaar en weegbaar is tot de werkelijkheid gerekend kan worden. Andere ervaringen zouden illusies zijn, producten van de menselijke geest. Deze uitspraak heeft als fundament gediend voor de ontwikkeling van de wetenschappen, en is heel vruchtbaar geweest, maar het blijft een filosofische uitspraak.  Dat kunnen we zien als we deze uitspraak proberen deze te onderbouwen. Stel dat we ons, onder de indruk van de resultaten van de wetenschap, laten verleiden tot een wetenschappelijk bewijs van de suprematie van de wetenschap… dan komen we terecht in een tautologie:  ‘Volgens de wetenschap is de wetenschap het meest betrouwbaar als het gaat om ware kennis’. Dat alleen de wetenschap ons voorziet van betrouwbare kennis is dus geen uitspraak die door de wetenschap kan worden onderbouwd. Het gaat hier om wat we aannemelijk vinden, om een filosofische uitspraak.   
  
           
          René Descartes geschilderd door Frans Hals in 1648
 
Hoe Descartes indertijd tot zijn filosofische uitgangspunt is gekomen kunnen we hier buiten beschouwing laten. Belangrijker zijn de consequenties ervan, namelijk dat wij geneigd zijn wetenschappelijk neurologisch onderzoek het laatste woord te geven, wat kan leiden tot een ontkrachting van begrippen als verantwoordelijkheid, zelfverwerkelijking, liefde en een zinvol leven. Daarom wil ik proberen de wetenschappelijke uitkomsten in het perspectief te plaatsen van een andere filosofie.
 
Existentialisme
Omdat de menselijke vrijheid hier in het geding is ligt het voor de hand te kijken naar die filosofie waarin de vrijheid een grote rol speelt, zo niet de hoofdrol: het existentialisme.
In deze filosofie wordt ervan uitgegaan dat de mens door zijn bewustzijn niet opgaat in de wereld die hem omringt en dat hij daardoor ‘vrij’ is. Dit filosofische uitgangspunt wil ik aannemelijk maken door nog eens goed te kijken naar de aard van wetenschappelijk  hersenonderzoek.
Dit aan de hand van een praktisch voorbeeld. Bij de waarneming van kleuren is wetenschappelijk aangetoond dat elektromagnetische golven met een golflengte van rond de 700 nm hersenactiviteiten veroorzaken die door ons worden ervaren als de kleur ‘rood’. Een uitspraak die waar is, maar er zit een gat in. Want de gemeten activiteiten in de hersenen zijn weliswaar het ‘neurale correlaat‘ van deze kleurervaring, maar daarmee is het ontstaan van kleuren uit golflengten nog niet verklaard. (Jaap van Heerden ‘Schrikbewind der verzinsels’ 1996 p 73)

 
          
         Hoe kleuren, door tussenkomst van hersenactiviteiten, ontstaan uit de elektromagnetische golven blijft onverklaard.   
 
De ervaring van de kleur ‘rood’ is niet verklaard, duidelijk is alleen dat deze ervaring samengaat met de registratie van een elektromagnetische golf van een bepaalde golflengte. 
Is het een kwestie van tijd, is er meer onderzoek nodig om deze verklaring alsnog te vinden? Een gedachtenexperiment: als we voor een verklaring te rade gaan bij de neurowetenschappen, dan zouden we de elektrische impulsen, chemische omzettingen,  synapsen en dendrieten, moeten opvoeren als veroorzakers van deze ervaring. Maar helaas is deze poging gedoemd te mislukken, omdat we dan een (kleur)ervaring willen verklaren door uit te gaan van een (wetenschappelijke) ervaringen. Ervaring verklaren door middel van ervaring… hier bevinden we ons opnieuw in een tautologie. Conclusie, de ervaring is niet te verklaren. En hiermee zijn we uitgekomen bij het existentialisme dat zegt dat ervaringen ontstaan uit het ‘niets’.
 
Uit het ‘niets’?
De conclusie dat kleuren, of meer in het algemeen, ervaringen, niet te verklaren zijn, of uit ‘niets’ te verklaren zijn, zou wetenschappers kunnen aanmoedigen te rade te gaan bij het existentialisme. Maar aan de andere kant, deze filosofie is voor wetenschappers misschien ook wel te ver van hun bed… Zij zijn gewend en getraind om te werken met concrete, meetbare en weegbare, verschijnselen. Dat kan er gemakkelijk toe leiden dat zij, vaak impliciet, de op Descartes terug te voeren filosofie aanhangen dat alleen dit soort verschijnselen tot de realiteit behoren. In dit perspectief is het ‘niets’ een volkomen vreemd, onbestaanbaar verschijnsel.   
Toch zou geen enkele wetenschap kunnen worden beoefend zonder de ervaring, dat wil zeggen, zonder dit ‘onbestaanbare’ en misschien ‘onuitstaanbare’ ‘niets’… Het is de opendeur waardoor de vrijheid ons leven binnenkomt, waar glashard aan voorbij wordt gekeken. 
Misschien is het een kwestie van wennen. Toen de nul werd geïntroduceerd in de late Middeleeuwen dachten velen dat dit getal, dat ‘niets’ voorstelde, van de duivel afkomstig was. In 1299 werd het in Florence zelfs verboden ermee te rekenen! Het duurde nog tot het eind van de 15de eeuw voordat men eraan gewend was en ermee kon werken. Met de natuurkundige variant van de nul, het vacuüm, heeft men ook grote moeite gehad. Lang heeft en gedacht dat het in de natuur vervatte ‘horror vacuüm’ ervoor zorgde dat er in de natuur geen plaats was voor leegte, voor ‘niets’. Maar de angst voor dit ‘niets’ bestond alleen in de opvattingen van wetenschapsbeoefenaren, totdat Torricelli halverwege de 17de eeuw met zijn kwikbuis aantoonde dat er boven het kwik alleen maar vacuüm kon zijn, ‘niets’! (Alex Bellos, ‘Getallen ontrafeld’ 2010, p 123)   
 
Vrijheid
Het ‘niets’ lijkt een zinloos en misschien ergerniswekkend begrip en door veel mensen wordt er zelfs glashard overheen gekeken, maar intussen is het juist dit ‘niets’ dat de vrijheid in ons leven brengt. Om dit begrijpelijk te maken kunnen we zeggen ‘ervaren’ betekent dat wij de wereld van onszelf onderscheiden voor zover wij de wereld ‘niet’ zijn. Zo kunnen we ‘ervaren’ omschrijven als ‘vernieten’. (Existentiefilosofen Martin Heidegger en Jean-Paul Sartre spreken hier respectievelijk van ‘nichten’ en ‘néantiser’.) Deze herformulering maakt duidelijk dat wij een zekere afstand tot de wereld hebben, dat we er niet in opgaan. En het is door deze afstand dat we vrij zijn om in die wereld onze eigen weg te gaan, vrij om onze eigen keuzen te maken.
Deze existentialistische zienswijze wil ik inzetten als context, om de beweringen van de wetenschap in een ander daglicht te stellen. Niet om de wetenschap te bestrijden, want in deze filosofie blijven wetenschappelijke methoden en resultaten ongemoeid

 
          Vrije keuze door onvrije wil
 
Bereidheidspotentiaal
Nu de nieuwe filosofische context in grote lijnen geschetst is, kunnen we kijken op grond van welke onderzoeken neurowetenschappers tot de conclusie kwamen en komen dat ons leven gedetermineerd wordt door processen in de hersenen en dat het idee dat wij zelf, in vrijheid, kiezen een illusie is?
Hans Kornhuber en Lüder Deecke, publiceerden in 1965 over hun onderzoek waarin zij hadden gezocht naar het verband tussen de vrije keuze en neurologische processen. Wat zij ontdekten was dat er elektrische veranderingen in de hersenen die optraden na de beslissing en voorafgaand aan de handeling. Zij registreerden de opbouw van een zogenaamd ‘bereidheidspotentiaal’ dat lag tussen de beslissing en het begin van de handeling. De opbouw van dit potentiaal zou, als men bijvoorbeeld een glas wilde oppakken, gemiddeld 0,55 seconden duren. (Retu Schneider in ‘Bizarre wetenschap’ 2009 p. 249) Hiermee bleef het idee van de vrije keuze nog overeind.        
   
 
         
          Proefopstelling Kornhuber en Deecke in 1964
 
Maar een andere onderzoeker, Benjamin Libet, vond dat de opbouw van het bereidheidspotentiaal, de periode tussen de beslissing en de actie, dat Kornhuber en Deecke opgaven, te lang. Dit strookte niet met de dagelijkse ervaring. Hoe kon nu het moment van de beslissing nauwkeuriger bepaald worden?
 
De bereidheid gaat vooraf aan de beslissing…
In het experiment dat Libet ontwierp werd proefpersonen werd gevraagd op een knop te drukken op het moment dat zij zelf mochten kiezen, at will. Voor de proefpersonen was een soort klok geplaatst met een ronddraaiend rood stipje. Door te onthouden waar het stipje was op het moment dat de beslissing werd genomen, kon de tijdstip van de beslissing nauwkeurig bepaald worden.   
Wat bleek nu: de actie, de druk op de knop, vond plaats 0,2 seconde (200 ms) nadat de proefpersonen aangaven dat zij de beslissing hadden genomen, dat lijkt geen probleem. Maar de hersenscan had ook de opbouw van het bereidheidspotentiaal gemeten. Net als bij Kornhuber en Deecke duurde dit 0,55 sec. (550 ms). Dit betekende dat met de opbouw hiervan was begonnen voordat de beslissing viel!   

 
         
        Libet: De voorbereiding (paars) begint voor de beslissing (blauw)
 
In de publicatie van zijn onderzoek in 1977 concludeerde Libet dat de beslissing van de proefpersoon als mosterd na de maaltijd kwam, omdat de hersenen kennelijk al eerder bezig waren de actie voor te bereiden. Werden wij dus geleefd door onze hersenen, en was het idee dat wij zelf, als vrije individuen, beslissing namen, een illusie? (Retu Schneider in ‘Bizarre wetenschap’ 2009 p. 251)
 
De beslissing en het ‘ja nu’ moment
Hoe kijken we aan tegen deze conclusie als we deze plaatsen in de context van het existentialisme, de filosofie van het ‘niets’ en de vrije keuze? Is er geen aanwijzing dat ergens toch sprake moet zijn van een vrije keuze? 
Wat opvalt is dat Libet uitgaat van een reeds opgebouwd bereidheidspotentiaal… Misschien omdat hij uitging van het idee dat er maar van één enkel keuzemoment sprake kon zijn. Maar op grond waarvan zou zich dan een bereidheidspotentiaal hebben opgebouwd? Kornhuber en Deecke hebben laten zien dat dit bereidheidspotentiaal ontstaat na een beslissing. Als we even uitzoomen en deze eerste beslissing opnemen in het perspectief van de proefneming van Libet, dan kunnen we zeggen dat er sprake is van twee momenten: het moment van de vrije beslissing en het moment van de uitvoering daarvan. Kennelijk hadden de proefpersonen van zijn experiment de beslissing om op de knop te drukken al genomen bij de briefing, een moment dat Libet niet tot zijn experiment heeft gerekend… Als we dit wel doen dan kan de proef als volgt beschreven worden: 1) de beslissing mee te doen, 2) de opbouw van het bereidheidspotentiaal, 3) de beslissing om tot actie over te gaan, dat je het ‘ja nu’ moment zou kunnen noemen, en 4) de druk op de knop, het moment van de daadwerkelijke actie.
Door uit te zoomen hebben we het experiment van Libet niet alleen geplaatst in het filosofisch perspectief van de vrije keuze, we zijn nu ook in staat onderscheid te maken tussen de keuze en het ‘ja nu’ moment waarop tot uitvoering wordt overgegaan. 
 
Zin maken, moed vatten en deadlines
Als we naar onze dagelijkse ervaring kijken weten we ook dat de beslissing om iets te doen en het ‘ja nu’ om tot actie over te gaan twee verschillende dingen zijn. Waarbij we kunnen opmerken dat de opbouw van het bereidheidspotentiaal veel langer kan duren dan de gemeten 0,55 sec. Bijvoorbeeld: als we het besluit nemen om ’s ochtends op te staan kan het veel langer duren voordat het bereidheidspotentiaal sterk genoeg is voor het ‘ja nu’ moment, waarop we daadwerkelijk opstaan. Soms moeten we eerst ‘zin maken’ of ‘moed vatten’. Het zou interessant zijn om proefondervindelijk vast te stellen hoe het bereidheidspotentiaal zich ontwikkelt na het afgaan van de wekker, na het ‘zin maken’ en hoe lang het kan duren voordat het ‘ja nu’ moment aanbreekt.   
Misschien kan ook gemeten worden hoe, bij moeilijke klusjes, het bereidheidspotentiaal zelfs wekenlang een kwakkelend bestaan kan leiden, waarbij het pas hoog genoeg is voor een ‘ja nu’ vlak voor een deadline, als de voorgenomen actie echt moet plaatsvinden.    
 
            
           Benjamin Libet: veto redt vrije keuze

Veto
Overigens verzette Libet zich tegen de uitkomst van z’n eigen onderzoek, tegen het idee dat de vrije keuze niet zou bestaan, dat wij ‘kiezen voor wat we doen’ in plaats van andersom. En hij bedacht een soort noodrem: we konden altijd nog een veto uitspreken over de keuzen die de hersenen voor ons maakten. Zo zou onze vrijheid, althans voor een deel, behouden kunnen blijven. Het idee was dat we in de 0,2 seconde, tussen onze beslissing om tot actie over te gaan en de actie, een veto kunnen uitspreken. Maar dan zou het neutraliserende bereidheidspotentiaal van het veto dan opeens wel in 0,2 seconde kunnen worden opgebouwd? Zou hij dat  onderzocht hebben?     
 
De onvrije wil
Toch is Libet hier iets belangrijks op het spoor gekomen. Want, als we nog even uitgezoomed blijven, dan kunnen we ons voorstellen dat een vrije keuze, een voornemen om een bepaalde richting in te slaan, vergezeld gaat van een eveneens voorgenomen veto om trouw te blijven aan deze beslissing en niet van het spoor te raken. Stel dat iemand ervoor gekozen heeft om te gaan lijnen, dan kan deze persoon zich, hoe overtuigend de beslissing om te lijnen ook was, op een onbewaakt moment, toch laten verleiden door het aanbod van een frietje of een vette snack.
We zien hier dat vrijheid niet betekent dat we zomaar kunnen doen wat ons invalt. Zo is het begrip vrijheid in het existentialisme ook niet gedefinieerd. Als we de wereld onderscheiden van onszelf voor zover we de wereld ‘niet’ zijn, dan wordt duidelijk dat onze afstand tot de wereld, onze vrijheid, gesitueerd is. We zouden de wereld niet kunnen onderscheiden van onszelf als deze afwezig was. Onze vrijheid bestaat bij de gratie dat zij is gesitueerd! In een wereld waarin het vriest of stortregent, waarin de zon verzengend kan schijnen, en waarin we buiten adem kunnen raken als we rennen. In deze wereld kunnen we ons ook aangetrokken voelen tot voedsel waarvan we te weten zijn gekomen dat het ongezond is. Als we er nu voor kiezen dit voedsel niet meer te eten, dan is daarmee de aantrekkingskracht niet verdwenen. We kunnen niet zomaar alles wat we kiezen, onze vrijheid is gesitueerd in een concrete wereld, met alle mogelijkheden en beperkingen die daarin vervat liggen.       

            
 
We zeggen dan dat zo iemand ‘wilskracht’ moet tonen om de verleiding te weerstaan. Zo kunnen we, met het veto van Libet in gedachten, de wil opvoeren als de ‘bewaker’ die het veto uitspreekt. Hier komt de wil naar voren als een bewaker, of als een gyroscoop die ons op de koers houdt die we in vrijheid hebben bepaald.
Als wij beweren dat wij vrij zijn in de zin van dat we niet opgaan in de wereld, dat we niet meedraaien in de wetten die de wereld beheersen maar vrij zijn, dan is het misschien wel deze wil die dat mogelijk maakt.
In dit perspectief is de wil niet vrij, zoals over het algemeen gedacht wordt, zij is in dienst van de vrije keuze en zorgt ervoor we ons kunnen houden aan een eerder genomen beslissing, ook als de omstandigheden ons tot iets anders proberen te verleiden. De wil is dus zelf niet vrij, zij is gebonden aan onze vrije keuze, en daardoor maakt zij ons vrij! Waarbij kan worden opgemerkt dat niet ieders wil, bewaker of gyroscoop, even goed tegen zijn taak is opgewassen.

De vrije wil, een verwarrend begrip
In de filosofie en in discussies over de betekenis van hersenonderzoek wordt de menselijke vrijheid vaak in een adem genoemd met de ‘vrije wil’. Maar de wil kan zowel onze vrije keuzen vertegenwoordigen, waarbij de wil eigenlijk niet vrij is, maar in dienst van onze keuze, of de wil kan onze drijfveren vertegenwoordigen, waarbij de vrijheid van de wil erop neerkomt dat we onbelemmerd onze drijfveren kunnen volgen. In het laatste geval komt men dan terecht tot de conclusie dat dit ten koste gaat van onze eigen vrijheid. Om deze verwarring te voorkomen kan dus beter worden uitgegaan van de onvrije wil, die ’werkt in dienst’ van onze vrije keuze. Met dit in gedachten zou het misschien interessant zijn om de filosofie van Arthur Schopenhauer of van Friedrich Nietzsche opnieuw te lezen en te interpreteren. De eerste bedoelt met de wil eigenlijk de natuur die ons stuurt, wat neerkomt op het volgen van onze drijfveren, terwijl we dat niet beseffen omdat wij van de wereld een voorstelling maken waarin wij menen dat onze eigen keuzen maken, en dat deze worden vertegenwoordigd door onze eigen wil. Misschien kunnen we zeggen dat Schopenhauer in zijn filosofie gebruik maakt van beide interpretaties, waarbij hij de tweede als een illusie diskwalificeert omdat deze deel uitmaakt van de voorstelling.    
En wat betekent het voor de ‘wil tot macht’ van Nietzsche als wij de wil opvatten als dienaar van de vrije keuze. De wil tot macht betekent dan dat deze dienaar op eigen initiatief naar macht gaat streven. Als een bewakingsdienst die voor zichzelf begint. Maar waaraan?

        
 
            Onbewuste processen
 
De kwebbeldoos
Sinds de zestiger en zeventiger jaren zijn hersenscans veel nauwkeuriger geworden. We kunnen nu verband leggen tussen wat proefpersonen denken en doen en de hersengebieden die hierbij oplichten, de zogenaamde stimulus-responsreacties.    
Hieraan kunnen we zien dat bij het maken van keuzes hersengebieden actief zijn, die wijzen op associaties, zonder dat we daar weet van hebben. Volgens hersenonderzoeker Victor Lamme hebben we er geen idee van hoe groot de rol is van deze onbewuste associaties voor de keuzen die we maken. Zij kunnen bijvoorbeeld gevoelens veroorzaken die voortkomen uit vooroordelen. Dit terwijl we daarna ons best doen om uit te leggen waarom we deze keuzen bewust hebben gemaakt. Maar volgens Lamme komen dergelijke onderbouwingen als mosterd na de maaltijd, het zijn niet meer dan rationalisaties. Hij noemt ons bewustzijn daarom een ‘kwebbeldoos’. (Arthur Olof in ‘Idee’ jaargang 32 nr 1 (2011) p. 43-44)
 
       
       Victor Lamme

Praten of therapie
In zijn conclusie lijkt Lamme geheel voorbij te gaan aan de mogelijkheid die wij hebben om ons van onbewuste processen bewust te worden en ons ervan te bevrijden. Niet alleen door een goed gesprek. Er zijn veel therapieen die tot doel hebben ons te laten inzien welke onbewuste associaties of mechanismen onze beslissingen en daaruit voortvloeiende acties contraproductief maken. Zodat we ons daarvan kunnen bevrijden. 
Zoals de ‘gestalttherapie’. De therapeut richt zich hier op de directe gewaarwording, en probeert daarin verwijzingen te vinden naar onbewuste gevoelens of mechanismen, om deze vervolgens ter sprake te brengen. (Fritz Perls ‘Gestaltbenadering’ 1973) Zo kan het de therapeut opvallen dat de patiënt zijn vuist balt als hij over zijn vader vertelt. Dan kan de therapeut vragen om daar wat meer over te zeggen. Als er dan een oud, verdrongen, probleem uit de opvoeding naar boven komt, kan de therapeut de patiënt vragen de situatie alsnog zelf in de hand te nemen. ‘Als je vader nu tegenover je zou zitten, wat zou je dan tegen hem willen zeggen?’ Dan zou de patiënt bijvoorbeeld kunnen zeggen ‘Ik heb er genoeg van je knechtje te zijn, ik durf niet meer op te staan om iets voor mezelf te gaan doen omdat jij dan altijd zegt “je staat toch, haal meteen even een zakje kolen uit de kelder”, dat soort dingen’. Door zich zo tot zijn denkbeeldige vader te richten kan de patiënt zich bevrijden van onlustgevoelens en kwaadaardige reacties in het heden, op momenten als hem gevraagd wordt iets mee te nemen uit een winkel, of om iets op te halen op een adres waar hij toch langs komt. Dan hoeft hij zijn weerstand niet te rationaliseren: ‘Ik hoop dat ik het niet vergeet, ik heb de laatste tijd zoveel aan m’n hoofd’ of ‘Ik weet niet of ik tijd heb, ik heb veel werk te doen’. Dan kan hij dergelijke situaties beter hanteren, wat zijn sociale leven ten goede kan komen!   

Prestige van de rede
Als we de gevoelens waarop we onze keuzen hebben gevrijwaard van ongewenste associaties, zouden we daarmee kunnen ontsnappen uit de ‘kwebbeldoos’ van Lamme? Niet automatisch… niet als we onze ‘opgeschoonde’ gevoelens bedelven onder redelijke argumenten die bedoeld zijn om onze keuzen te onderbouwen. 
Dat we onze keuzen rationeel willen onderbouwen is mogelijk terug te voeren op de eerdergenoemde filosoof Descartes, op het onderscheid dat hij maakte tussen zaken die weegbaar en meetbaar waren, die echt zouden bestaan, en subjectieve gevoelens die slechts een product van onze geest zouden zijn, illusies! Deze meetbare en weegbare werkelijkheid die kon je met behulp van de ratio begrijpen, en in logische formules onderbrengen. Zo stelde Descartes samen met Isaac Beeckman, die onder andere wiskunde had gestudeerd, de eerste valformule op. (Eric Jorink ‘Wetenschap en wereldbeeld in de Gouden Eeuw’ 1999, p. 52)  
Een illustratie van hoe de filosofie van Descartes aan de wieg stond van de wetenschap en het is niet moei;lijk te begrijpen dat de ratio hierdoor een goede naam zou krijgen. In het dagelijks spraakgebruik zeggen we nog steeds dingen als ‘wees redelijk’ of een ‘redelijke prijs’. 
Dit in de historie gevestigde prestige van de ratio zou kunnen verklaren dat we ook vandaag onze beslissingen rationeel willen verklaren, waarbij we de schijn vermijden dat we ons door ‘subjectieve’ gevoelens of ‘illusies’ laten leiden.    
 
Gevoel voor het doel, rede voor de route
In het existentialisme kunnen we twee houdingen aannemen. Voor de ene houding kunnen we terecht bij de eerdergenoemde Jean-Paul Sartre, die stelde dat we, als ‘niets’(‘néant’) vrij zijn om onze eigen weg te kiezen in de wereld. Een actieve houding die je instrumenteel zou kunnen noemen.      
Voor de andere houding kunnen we terecht bij Martin Heidegger, ook eerder genoemd, die de nadruk legt op het ‘Seinlassen’, op hoe de wereld zich aan ons voordoet als we ons ervoor openstellen, als we onszelf als ‘niets’ (‘Nichts’) onbevooroordeeld laten ‘nichten’. Deze receptieve houding, waarbij we de wereld op ons in laten werken, kun je de situationele houding noemen.
Beide houdingen veronderstellen elkaar, zij vormen een eenheid van wederzijdse implicatie en de ervaringen die zij met zich mee brengen zijn beide even ‘waar’. Er is geen grond waarop men zou kunnen beslissen dat de ene houding meer waarheid biedt dan de andere. Zij zijn beide het gevolg van ons vermogen de wereld te ‘vernieten’. (Philip Krabbendam ‘Betrokkenheid’ 2011)
Als we nu kijken naar het onderscheid tussen de rede en het gevoel, dan kunnen we zeggen dat de rede staat aan de kant van de instrumentele houding, terwijl het gevoel aan de kant staat van de situationele houding.
Als we een beslissing nemen dan gaat het ons steeds om een situatie waarin we, receptief, een bepaald gevoel, of een bepaalde emotie kunnen ondergaan, zoals een eiland in de zon, een eigen plek, of een samenzijn bij het kampvuur. Met andere woorden: ‘het doel is een gevoel’.
Om dit doel te bereiken zullen we instrumenteel in actie moeten komen. Met andere woorden, ‘de rede is voor de route’.   
 
Verzekering
Bij de keuze van een verzekering is de rede van groot belang. Wat bieden verschillende maatschappijen voor diensten, en tegen welke kosten. Bekeken moet worden op welke diensten men mogelijk een beroep zal willen doen, of die allemaal meeverzekerd zijn, en bij welke maatschappij dat het goedkoopste is. Ook is het de vraag is bepaalde diensten misschien gemist kunnen worden, want hoe groot is de kans dat men daar gebruik van zal willen maken. En wat scheelt dat in de premie. Allemaal rationele overwegingen die de keuze van de verzekering bepalen. Maar het gaat niet om de rede, het doel van de verzekering is een situatie die een bepaald gevoel met zich meebrengt: men wil met een gerust hart kunnen leven, zonder te hoeven vrezen dat brand of een ziekte onoverkomelijk worden. Waarbij de prijs zo min mogelijk afbreuk mag doen aan dat gevoel. Toch is men hier geneigd te spreken van een rationele beslissing, misschien vanwege het prestige dat de rede nog steeds geniet, of omdat de rede hier zo’n grote rol speelt Dit terwijl zowel de rede als het gevoel een rol hebben gespeeld.                
 
Etentje
Er zijn ook beslissingen waarvoor geen uitgebreid beroep op de rede hoeft te worden gedaan. Wie gesteld is op een feestelijk etentje, en daarvoor wordt uitgenodigd, hoeft niet te plussen en te minnen, de route naar deze situatie, en het bijbehorende gevoel, is niet erg ingewikkeld. Men hoeft alleen te zien of de agenda het toelaat (rede), of de plaats bereikbaar is (rede) en of eventuele andere genodigden het etentje de moeite waard maken (gevoel). We zijn geneigd te denken dat we bij een dergelijke keuze onredelijk zijn en alleen op het gevoel afgaan, maar ook hier spelen rede en gevoel beide een rol. Het verschil met het voorbeeld van de verzekering is dat men bij de route naar de gewenste situatie, veel minder een beroep hoeft te doen op de rede. Het verschil is niet dat men in dit geval ‘slechts’ op z’n gevoel afgaat. Het gevoel is een essentieel aspect van elke beslissing.
 
           

Kiezen uit zich ontplooiende alternatieven
Meestal denken we bij het idee van de vrije keuze dat het gaat om keuzen uit een paar alternatieven. Uit mogelijkheid A, B of C. Maar het feit dat wij onszelf als ‘vrijheid’ kunnen definiëren houdt ook in dat we nieuwe kwaliteiten en nieuwe mogelijkheden in de wereld om ons heen kunnen ontdekken. Creativiteit is meegegeven in onze vrijheid. Dat betekent dat we als vrijheid niet alleen in staat zijn te kiezen uit vastgestelde alternatieven, dat we vrij zijn betekent ook dat we in staat zijn verschillende alternatieve op creatieve wijze te bekijken, te ‘vernieten’, en er nieuwe kwaliteiten in te ontdekken, of nieuwe mogelijkheden. Zo kunnen alternatieven zich onder onze blik ontplooien. Dit vermogen wordt vaak over het hoofd gezien, terwijl het net misschien wel net zo belangrijker is als het vermogen om uit alternatieven te kiezen. Al moet gezegd worden dat het wel in het spraakgebruik is opgenomen. Zo kunnen we van een alternatief zeggen: ‘Ik zie er wel wat in’, dan wel: ‘ik zie er geen gat in’ (geen opening, geen mogelijkheden).  
 
Neurofeedback
Door hersenonderzoekers zoals Lamme, die de menselijke vrijheid wat badinerend afdoen door te spreken over een ‘kwebbeldoos’ of te diskwalificeren als een ‘prettige illusie’ (Dick Swaab, ‘wij zijn ons brein’, 2010, p. 379 ) zouden wij ons kunnen laten verleiden tot een negatieve houding ten aanzien van hun vakgebied.
Maar dit vakgebied kan grote invloed uitoefenen op het psychologische landschap van ‘drives’ en stemmingen waarin wij als vrijheid navigeren. Zij kunnen bijdragen aan het herstel van dit landschap als het verstoord is, bijvoorbeeld door stress, depressie, geheugenverlies, gebrek aan motivatie, schizofrenie, chronische twijfel, of een gebrek aan empathie. 
(René Kahn, ‘Onze hersenen’, 2006) Waarmee dit landschap weer meer toegankelijk wordt en minder bedreigend voor de menselijke vrijheid.   
In eerste instantie zijn we hierbij geneigd te denken aan de ontwikkeling van medicijnen en aan chirurgische ingrepen, maar het is gebleken dat wij ons ook op een andere manier op onze hersenen kunnen betrekken. Hier betreden we het terrein van de neurofeedback.


Denk het vierkantje rood!
 
Hierbij kan gebruik worden gemaakt van een EEG of een MRI scan, waarbij de gemeten hersenactiviteit zichtbaar wordt gemaakt op een scherm. Bijvoorbeeld door een gekleurd vlakje. Dit kleurt bijvoorbeeld blauw bij een lage activiteit en rood bij een hoge activiteit. Het blijkt nu dat wij door ons te concentreren de kleur kunnen laten veranderen, en zo kunnen we de hersenactiviteit verhogen of verlagen. Zo kan men de sterkte opvoeren van thètagolven, die het werkgeheugen, remmingen en flexibiliteit stimuleren. (André Aleman, ‘Je brein de baas’, 2017, p. 105-107)    
Deze werkwijze kan bijvoorbeeld worden toegepast om depressies te bestrijden of het werkgeheugen te verbeteren. Het is echter nog te vroeg om te kunnen zeggen of deze verbeteringen blijvend zijn. (idem p. 116-117) Hoe ver zijn we hier af van het idee dat hersenprocessen onze keuzen bepalen… hier zijn de rollen omgedraaid!    
Misschien kan deze techniek ook worden toegepast om het creatieve proces bij het afwegen van ontplooiende alternatieven te bevorderen. Als de hersengebieden bekend zijn die hierbij een rol spelen.


            Conclusies
 
Concluderend kunnen we zeggen dat het filosofisch perspectief van het existentialisme de mogelijkheden biedt om de boodschappen van neurowetenschappers zo te interpreteren dat de vrije keuze gehandhaafd blijft.
 
Zo kan deze filosofie ons aansporen om de alarmerende uitkomst van het experiment van Benjamin Libet opnieuw te bekijken. Dan blijkt dat het aannemelijk is dat een gemeten bereidheidspotentiaal het gevolg moet zijn van een keuzemoment dat vooraf ging aan het experiment, het moment waarop de proefpersonen besloten mee te doen met het experiment. Zo gezien is het moment van de keuze dat Libet heeft gevonden eigenlijk het moment dat de keuze tot uitvoering wordt gebracht: het ‘ja nu‘ moment.  
Voortredenerend op het idee van ‘veto’ dat Libet introduceerde, om de mogelijkheid van de vrije keuze te redden, kunnen we tot de conclusie komen dat de wil ervoor zorgt dat met zich kan houden aan een eenmaal gemaakte keuze, als een soort giroscoop, waarmee de wil zelf niet vrij is, zoals vaak wordt gedacht, maar in dienst is van de vrije keuze.     
 
Ook de observatie van Victor Lamme, dat onbewuste processen in het brein ervoor zorgen dat we besluiten nemen, die we vervolgens sanctioneren door middel van rationalisaties, kunnen we in een existentialistisch perspectief herinterpreteren.
In de eerste plaats door op de mogelijkheid te wijzen om ons onbewuste associaties bewust te maken. 
Hier kunnen we aan toevoegen dat we onze keuzen, ook als we deze baseren op heldere en weloverwogen gevoelens, die niet worden gestoord door ongewenste associaties, nog steeds kunnen rationaliseren, namelijk als we ze verantwoorden door alleen van de ratio gebruik te maken.
Dit kunnen we vermijden door ons te realiseren dat bij een keuze zowel de rede als het gevoel hun eigen rol spelen. Waarbij het gevoel het doel bepaalt, terwijl de rede nuttig is om de route naar dit doel te bepalen.
 
Wat vaak over het hoofd wordt gezien is de rol die onze vrijheid speelt in het beoordelen van alternatieven. Want onze vrijheid is niet alleen ‘aan het werk’ als we kiezen uit alternatieven, onze vrijheid maakt ook dat we creatief kunnen zijn bij het ontdekken of ontwikkelen van mogelijkheden die in de te kiezen situaties vervat liggen.    
 
De filosofische problemen die kunnen ontstaan bij het interpreteren van hersenonderzoek zou ons ertoe kunnen verleiden dit onderzoek te zien als een bedreiging van de menselijke vrijheid.
Maar er is ook hersenonderzoek dat wil werken aan de stimulatie of het herstel van hersenfuncties om het psychologische landschap waarin wij ons bewegen te ontdoen van valkuilen, mist, tegenwind, misleidende fata morgana's of wilde bergstromen waarin je wordt meegesleurd, verstoringen die ons beletten om ons als vrijheid te ontplooien
Met als nieuwste variant de neurofeedback, waarbij hersenfuncties verbeterd kunnen worden door manipulatie van een afbeelding van deze functies op een scherm.   

Als we de uitkomsten van neurologisch onderzoek interpreteren in het perspectief van het existentialisme, en niet in het kader van de impliciete filosofie die veel wetenschappers huldigen, dan kunnen we het idee van de vrije keuze onbevreesd handhaven. Verantwoordelijkheid voor onze keuzen en daden blijft bestaan, en daarmee de goedkeuring dan wel de afkeuring van anderen (wat overigens niet betekent dat onverantwoordelijk gedrag nog steeds door middel van gevangenissen bestraft zou moeten worden) terwijl we ook niet hoeven te vrezen dat zelfverwerkelijking, liefde en een zinvol leven niet meer zijn dan effecten van een illusie.           

 
 
Juli 5th, 2018


Fan Hui verliest van DeepMind

 

We hoeven maar te denken aan de cv installatie, fornuizen, stofzuigers, waterleiding, elektriciteit, sanitaire voorzieningen, auto’s, straten en wegen, verkeersregels en bestuurlijke regels, om te zien dat automatismen ons vrij kunnen maken om nieuwe interesses te volgen of te ontwikkelen. Het idee van helpende robots is dus niet zonder meer verwerpelijk. Maar wat nu als deze, om ons beter te kunnen begrijpen en helpen, op een dag van bewustzijn worden voorzien. Dan zullen zij vrij zijn om hun eigen plan te trekken, net als wij. Zullen zij dan niet de wereld van ons overnemen?
 
 
Onszelf begrijpen
Een robot maken als een mens is dan misschien gevaarlijk, het is ook een uitdaging. Want als dat lukt, hebben we dan niet bewezen dat we onszelf uiteindelijk begrepen hebben?  
Al in 1770 probeerde Wolfgang von Kempelen een machine te maken die, net als een mens, kon schaken. Maar Wolfgang speelde vals… in de machine zat een menselijke speler van vlees en bloed verborgen.      


De schakende Turk. Wolfgang von Kempelen, 1770
 
Veel later werden er computers ontwikkeld die niet alleen goed konden rekenen maar die ook ingewikkelde taken konden uitvoeren, zoals het kraken van geheime codes. 
 

Colossus, een vroege versie van de computer, gebruikt om de Duitse codes te ontcijferen in de Tweede Wereldoorlog
 
Uiteindelijk is het IBM in 1996 gelukt een computer te ontwikkelen, ‘Deep Blue’, die ‘zelf’ kon schaken, zonder hulp van een verborgen speler. Deze leek dan wel niet op een mens, maar versloeg wel grootmeester Kasparov. Intussen is de ontwikkeling van spelende computers doorgegaan. In 2016 versloeg de computer ‘DeepMind’ grootmeester Fan Hui in het eeuwenoude ‘go’ spel dat nog ingewikkelder is dan schaken. Dit lukte dankzij het ‘zelflerende’ vermogen van moderne computerprogramma’s. Hier start de computer met een simpel programma, terwijl terugkoppeling van de resultaten leidt tot een proces van voortdurende verbetering van dat programma.
 
Computer met bewustzijn? 
Deep Blue was een echte schaakcomputer, zonder mens erin. Was het eindelijk gelukt om echt een mens na te maken? Of althans het principe van het menselijk denkvermogen.
Er gaan geruchten dat de programmeurs van Deep Blue zich tijdens de match nog met het programma bemoeid hebben. Maar bij DeepMind zou de computer dan toch op eigen kracht gewonnen hebben… door het zelflerende programma. ‘Zelflerend’, een term die doet vermoeden dat we inderdaad in staat zijn het bewuste denken van de mens na te maken. Maakt dit computer robots vrij om hun eigen plan te trekken? Dat zou geweldig zijn, maar niet minder angstaanjagend.
 

De ‘Princesse’ in Liverpool 2009. Nu nog met 12 verborgen operateurs…
 Ontworpen door Francois Delaroziere. 
 
Essentieel bij ‘zelflerend’ is het idee van terugkoppeling. In het stoomtijdperk gebruikte men al een terugkoppelingsmechanisme om de snelheid van stoommachines in toom te houden. Zo bestond de zogenaamde ‘Governor’ uit een met de motor verbonden as die was voorzien van gewichtjes. Bij toenemende snelheid van motor, en daarmee van de as, werden de gewichtjes door de middelpuntvliedende kracht uit elkaar gedreven. Daardoor werd een hefboom bewogen die de stoomtoevoer verminderde. Het begin van het idee dat een machine wist wat hij deed, bewust van de omgeving.               
 
                                        
                                        De ‘Governor’ leek zich bewust te zijn van de omgeving
 
Een paar decennia geleden introduceerde men auto’s met een ‘denkende’ radiator: een fan die aansloeg om de radiator te koelen, als de temperatuur van de motor te hoog werd. Hetzelfde zien we bij de kamerthermostaat die de verwarming activeert als het te koud wordt, en ook hier kan terugkoppeling worden aangezien voor denken. Maar is dit apparaatje voorzien van een bewustzijn dat de kou of de warmte in de kamer kan voelen? Dit zal niemand serieus denken, maar met computers kan men, ook door terugkoppeling, dichter in de buurt komen van de suggestie van menselijk denken.
 
Al in de jaren zestig leek het erop dat de computer als mens zou kunnen denken. Tussen 1964 en 1966 ontwikkelde Joseph Weizenbaum het programma ELIZA op basis van de psychiatrie van Carl Rogers. Door dit programma leek de computer op een psychiater, die op verhalen van patiënten reageerde met relevante vragen, waardoor patiënten makkelijk konden geloven dat ze met een persoon te maken hadden. Deze terugkoppeling van de computer, die bedoeld was voor een zinvolle interactie met de patiënt, was ontleend aan psychiatrische literatuur en ervaringen. Daardoor leek het misschien dat ELIZA echt wist wat ‘zij’ deed en bewust was.  


 
Dit voorbeeld laat zien hoe we makkelijk kunnen gaan geloven dat computers uiteindelijk toch een soort mensen kunnen zijn, met begrip voor menselijke zaken. En inmiddels hebben we computers ontwikkeld, niet met menselijke kennis, maar met een het vermogen te leren van de resultaten van eigen acties… waardoor zij ook erg menselijk aandoen.
 
Blind functionerende mechanismen
Sinds de ‘Governor’ zijn terugkoppelingsmechanismen steeds gecompliceerder geworden. De ‘denkende radiator’ en de kamerthermostaat werkten nog met een eenvoudig bimetaal dat een stroomkring sloot, waardoor respectievelijk een fan en een cv ketel in werking werden gesteld. Een mechanische terugkoppeling.

                  

Bij computers gaat het om een elektronisch gedefinieerde terugkoppeling, waarbij de output wordt bepaald aan de hand van de input, of waarbij resultaten worden teruggekoppeld om initiële programma’s aan te passen. Op grond waarvan zouden we nu moeten aannemen dat het bij deze voorbeelden van terugkoppeling om meer gaat dan blind functionerende mechanismen?
 
Complexiteit en bewustzijn
Er zijn stemmen die beweren dat de toenemende complexiteit van het elektronische verkeer in computers er uiteindelijk voor zal zorgen dat deze zich bewust worden van hun omgeving. Eenmaal verlost van hun blindheid zouden zij in staat zijn om keuzen te maken, een eigen leven te leiden en uiteindelijk de wereld te overheersen.
 
https://www.youtube.com/watch?v=UIWWLg4wLEY 
 
Maar laten we nuchter blijven en ons eerst afvragen: wat zijn bewuste ervaringen? Als we dit proberen te begrijpen stuiten we op een probleem, want alles wat we aanvoeren om de ervaring te verklaren, elektrische stroompjes, chemische omzettingen, dendrieten, synapsen, dit alles bestaat dankzij de ervaring. Een dergelijke verklaring gaat dus uit van wat we nog moeten verklaren. Dat komt neer op een truc, een clandestiene operatie. Conclusie: onze bewuste ervaring is eenvoudigweg niet te verklaren. Hoe zouden we dan in staat zijn om computers zo te programmeren dat zij deze genereren! 
Een geruststellend probleem waardoor we niet meer hoeven te vrezen dat bewust geworden robots de wereld van ons over zullen nemen. *)
 
Don’t mind the dog, mind the owner
Kunnen we nu dus met een gerust hart achterover leunen? Toch maar niet. Zoals we eerder hebben gezien kunnen computers, al weten ze het zelf niet, gezichten herkennen in een menigte. Hetzelfde geldt voor kleding en objecten. Dit heeft militaire toepassingen mogelijk gemaakt: robots op het slagveld of drones erboven, die vijanden kunnen herkennen, en wat meer is: ook ombrengen.
 

Een zwerm ‘killer drones’
 
Ook zagen we dat computers, op basis van patroonherkenning, kunnen voorspellen wat consumenten in de toekomst nodig zullen hebben. Dit is niet alles, deze computers kunnen ook voorspellen wie in de toekomst mogelijk in de moeilijkheden komen of een gevaar gaan vormen voor de samenleving. Toekomstmuziek? Van de benodigde algoritmen wordt in sommige gemeenten al gebruik gemaakt om een idee te krijgen van waar de kinderen wonen door spijbelen een leerachterstand zullen oplopen, of van welke inwoners de kans lopen in financiële problemen komen.
Combineren we nu de militaire toepassingen met het voorspellend vermogen, dan kunnen we ons gewapende robots of drones voorstellen die, steeds beter, in staat zullen zijn te herkennen wie er in de toekomst mogelijk problemen zal gaan veroorzaken voor de gevestigde orde.

Uitgerust met gezichtsherkenning zouden drones potentiële activisten of dissidenten preventief kunnen liquideren. Robots zonder bewustzijn, maar wel gevaarlijk! 
Het zijn dus niet de robots ‘zelf’ die het gevaar vormen, hoe zelfstandig zij ook opereren. Het zijn hun baasjes die we in de gaten moeten houden… of beter gezegd, de bedrijven of regimes die deze robotjes ontwikkelen en inzetten. Om te voorkomen dat het inderdaad zo erg wordt. Immers, ervaringen uit het verleden vormen geen garantie voor een zonnige toekomst.  
 
 
 
 *) Dit geruststellende probleem is aan de andere kant misschien niet zo geruststellend als we ons realiseren dat ons leven geheel is ingebed in deze onverklaarbare ervaringen….
 
 
 
 
 
April 10th, 2018


Niet tegen abstracties kunnen is misschien wel een probleem dat zich al veel eerder heeft gemanifesteerd in het menselijke denken! Een interessante hypothese: het bestaan van goden kan begrepen worden als het onvermogen om abstracties te begrijpen… waardoor we blijven we steken in ons denken over ons bestaan, zingeving en ethiek.
 
Abstractie als toegevoegd verhaal
Yuval Noah Harari beschrijft in het eerste hoofdstuk van ‘Homo Sapiens’, het  menselijk vermogen om abstracties te maken als een vermogen om een verbindend verhaal te bedenken. Zo zou ‘Peugeot’ als automerk niet bestaan, dat is slechts een construct, een verhaal. Wat wel bestaat zijn allemaal losse fabrieks- en kantoorgebouwen, en natuurlijk auto’s met het logo ‘Peugeot’ erop.
Zo zou ook God een toegevoegd verhaal zijn, en als we er allemaal in geloven, dan kunnen we er mee werken. Leve de mens.
Verder een goed boek, maar het eerste hoofdstuk bracht me tot de conclusie dat Harari niet tegen abstracties kan. Hij maakt er een losse toevoeging van, om eveneens ‘losse elementen’ uit onze wereld met elkaar te verbinden.
 
Abstracties als gedeeld verhaal
Hoe kunnen we abstracties dan wel begrijpen, als het geen toegevoegde realiteiten zijn? Ik zou zeggen: je ziet de abstractie mee in het individuele object. Als ik naar een stoel kijk, dan zie ik tegelijkertijd dat er eigenschappen zijn van deze individuele stoel die passen in het algemene idee van een stoel. Dat zie ik erin mee. Dat is geen toegevoegd verhaal, dat ik iemand wijs kan maken, waar je in kunt geloven, het zijn algemene kenmerken die je door de individuele heen ziet. Een belangrijk gegeven, want daardoor kun je, zonder erbij stil te staan, gewoon op een stoel gaan zitten, ook al heb je die nog nooit gezien.     
 
          
       
 
Een abstractie is niet altijd een situatie, het kan ook een werking zijn, een mechanisme. Als ik een oude stoomlocomotief zie, eentje die ik nooit eerder heb gezien, dan begrijp ik meteen dat het gaat om een ‘stoomlocomotief’. Zonder stil te staan bij de ketel, het vuur, zuigers, wielen en rails… Dat zou trouwens niet lukken, want wat hoe zou ik een 'ketel' of 'vuur' herkennen zonder een abstract begrip ervan! 


 
 
Personificatie
Je ziet de abstracties die objecten of gebeurtenissen delen, zonder er bij stil te staan. Maar dat maakt het ook moeilijk ze ter sprake te brengen. Misschien is dit de oorsprong van de personificatie. 
In ons leven kunnen we op verschillende mensen verliefd zijn, we zien ook bij anderen dat ze verliefd zijn. Het gaat steeds om andere combinaties van mensen, maar zij voelen zich allemaal, met vlinders in de buik, tot elkaar aangetrokken.  
Wat zij gemeen hebben kunnen we, ook weer zonder erbij stil te staan, begrijpen als verliefdheid. Een abstractie van hun individuele gevallen. Maar voor wie dat lastig vindt, kan deze abstractie ook ‘Eros’ genoemd worden, zoals de oude Grieken deden. Een personificatie van de abstractie.

                        
 
                       Eros
 
Bijkomend voordeel: met een personificatie kun je abstracties ter sprake brengen als een soort ‘persoon’. Wat dan weer de mogelijkheid opent om je tot deze ‘persoon’ te richten met vragen of smeekbeden. ‘Wil je alsjeblieft zorgen dat ze weer van me houdt’. Je kunt er een kip bij offeren om te laten zien dat je het meent… want het is nog maar de vraag of die onzichtbare ‘persoon’ je eigenlijk wel begrijpt.   
Je hebt nu dus een ‘drager’ van de abstractie, net zo concreet als de feiten die hij verbindt, plus dat je ermee in contact kunt komen, door gebed of offers. Het enige is dat je de onzichtbaarheid voor lief moet nemen. Hij of zij is niet op aarde, dat doet wel afbreuk aan de concreetheid waar je eigenlijk naar op zoek bent, maar ja, beter wordt het niet.
En voor wie het aankan is dit een herinnering aan het feit dat het gaat om een personificatie en niet om een persoon…  
Nu zijn we gewend aan abstracties en hebben we geen goden meer nodig om stoelen te verbinden of locomotieven. Behalve misschien Harari. 
Dat was vroeger wel anders: Veel volkeren hadden hun eigen goden, allemaal met een eigen terrein. Zo hadden de Grieken er een hele reeks, een grote familie, wat ook weer lekker concreet overkomt. Met bijvoorbeeld, Dionysos, de god van de vruchtbaarheid, de wijn en de extase, of Poseidon, de god van de zee, die alle verschijnselen die met de zee te maken hebben verbindt, en bovendien aardschokken kan veroorzaken. Of Demeter, de godin van de landbouw en van leven en dood… 
                        
                        

                       Poseidon
 
Terzijde: Plato
Net als locomotieven en stoelen hebben paarden iets waardoor je ze als soort herkent. Voor Plato was dit de ideale vorm die op aarde niet haalbaar was. Hij had voor de abstractie geen personificatie in petto, maar een ideaaltype. Dat was al een stap vooruit. Als erfenis van de goden: de abstracties waren eeuwig en verbleven in de soort hemel, niet op aarde.
Maar het rammelt nog wel wat: een ideale cirkel kun je je voorstellen, als abstractie van de aardste, door aardse rommeligheid aangetaste cirkel.

               
     Plato                                                              Heldere abstracties  
 
Maar wat is een ideale stoel of in later tijden een ideale stoomlocomotief? Bij stereometrische figuren zijn abstracties misschien zo te definiëren. Maar wat is een ideale stoel of ideale stoomlocomotief? Hier zijn abstracte, gedeelde kwaliteiten juist niet zo helder te omschrijven. Maar misschien bedoelde Plato niet de ‘ideale’ verschijningsvorm, maar de verschijningsvorm ‘naar het idee genomen’. Het was intussen ook een poging om van de verwarrende personificaties te overwinnen, personificaties die de wereld naar hun hand lijken te zetten en die ten onrechte de verwachting wekken dat zij te beïnvloeden zijn met vragen, wensen of offers.
 
Eén God voor alles
Tot nu toe hadden we het over abstracties van concrete zaken. Stoelen, locomotieven, verliefdheid, extase, stormen op zee en aardbevingen, de oogst, zaken waar je mee omgaat, in de sfeer van ‘wat je doet’ in het dagelijks leven.
aar nu komt er één god voor ‘alles’. Het hoeft ons niet te verwonderen dat deze abstractie al gauw wordt geïnterpreteerd als de vorigen: als behorend bij ‘wat we doen’, als behorend bij concrete zaken. En zo gaat men ook deze god bestoken met vragen en wensen… als een ‘persoon’ waar je mee in contact kan treden met vragen of wensen.
Maar: als één god alle abstracties vertegenwoordigd, wat is z’n betekenis dan nog? Hoe kan ik een oogst nog van een aardbeving onderscheiden… Mogelijk kunnen we concluderen dat de verschillende abstracties zijn ingeburgerd en niet langer gepersonifieerd hoeven te worden. Maar de onvrede blijft en daarmee de behoefte om deze god met vragen en wensen te bestoken. Totdat ook dit verdwijnt doordat de wetenschappen steeds meer causaliteit onthullen in de ons omringende wereld. Zoals Donar verdwenen is toen we de bliksem konden begrijpen als een verschijnsel van fysische causale wetten.   
 
                                 
                                Donar, door Friedrich Koch ca 1905
 
Dat we dat doen
Toch is het idee van ‘een god voor alles’ niet verdwenen. Laten we even doorzoeken: welke abstract begrip komt nu bij ‘alles’ om de hoek kijken? Dit is het feit dat de dingen voor ons bestaan, dat we ons bewust zijn van de wereld! Die éne god is dus niet een vervanging van al die andere, hij bevindt zich op een ander niveau: niet op het niveau van ‘wat we doen’ in alle verschillende zijnsregionen, maar op het niveau van ‘dat we dat doen’. Als we vanaf dat niveau kijken naar ‘wat we doen’ dan zien we dat we ons bij ‘wat we doen’ bewust zijn van onze verschillende situaties. De abstractie die dat alles verbindt is ons bewustzijn van de wereld en van onszelf… 
 
Niets! Ha!
Wat is dit voor een abstractie, hoe kunnen we deze ter sprake brengen? We zouden ons hier kunnen laten verleiden tot het standpunt dat we, nu we de bliksem op de goden veroverd hebben, ook het feit kunnen verklaren dat de wereld voor ons bestaat, ons bewustzijn. Zo niet nu, dan toch wel later, als de wetenschap zich verder ontwikkeld heeft. Maar deze gedachte is helaas onwetenschappelijk en logisch niet houdbaar… Want stel dat we het bewustzijn zouden willen verklaren uit stroompjes en chemische omzettingen, dat wil zeggen, uit dingen waar we ons van bewust zijn, dan zouden we bij deze verklaring gebruik maken van het bewustzijn dat we proberen te verklaren! Een tautologie! Onwetenschappelijk en onlogisch. Dus moeten we tot de conclusie komen dat het bewustzijn niet te verklaren is, uit ‘niets’ te verklaren is. Wat ons bewust maakt is dus ‘niets’! Ha!
In het Verre Oosten is dat al eeuwen geen nieuws, in het Westen is dat in de 20ste eeuw geïntroduceerd door Heidegger en Sartre, en het is nog steeds wennen!
 
Schepping
En net zoals de abstractie die je, bij ‘locomotieven’ of ‘stoelen’ of wat je maar wilt, mee ziet in de individuele objecten, zo zien we deze abstractie mee als we kijken naar wat we als mensen allemaal doen. Nu kunnen we ook deze abstractie, van hoe we ons allemaal bewust zijn van de wereld, laten vertegenwoordigen door een personificatie, net als bij de Griekse goden, om deze bespreekbaar te maken, en er vat op krijgen, en dat is ook gebeurd: we hebben een god ingevoerd en wat hierbij opvalt is dat deze geen naam heeft. Hij heet niet Zeus of Alexander of Josias. Maar een naam is ook niet nodig, deze god gaat in één keer over ‘alles’. Hij is de god, met hoofdletter, dus God.  

                                                      
                                 
                                  De God, door Cima de Conegliano ca 1510
 
Dat er maar één God bestaat is al een aanwijzing dat het niet om de ene of de andere abstractie gaat, zoals verliefdheid of stoelen of locomotieven of de oogst maar om die ene abstractie die over ‘alles’ gaat, die aan de basis van ‘alles’ staat. Daarom begint de bijbel ook met het scheppingsverhaal, waarin we God kunnen zien als de personificatie van het ‘niets’ waardoor de wereld ontstaat, in de zin van dat we ons er bewust van kunnen worden.
Maar ook deze personificatie is aanleiding geweest voor een misverstand. Als je deze personificatie, net als bij de Griekse of andere goden, letterlijk neemt dan krijg je een onzichtbare ‘persoon’ die alles gemaakt heeft (Vraag niet hoe!) en met wie je in contact kunt komen om dingen te vragen.   
 
Zingeving en ethiek
Met God als personificatie van het ‘niets’ bevinden we ons dus niet op het niveau van ‘wat we doen’ maar op het niveau van ‘dat we dat doen’. Dit blijkt uit de Bijbel (=boek,  ook weer zonder naam of titel, maar wel weer met hoofdletter, dus eigenlijk het boek) waarin onderwerpen aan de orde wordt gesteld die kenmerkend zijn voor het niveau van ‘dat we dat doen’, onderwerpen die te maken hebben met het besef dat we ‘niets’ zijn, of ‘vrij’, zoals creativiteit, zelfverwerkelijking, zingeving en ethiek.  
Maar in de Bijbel worden deze onderwerpen aangetast door de autoriteit van de personificatie. Zo wordt de gelovige opgedragen ‘God te dienen’, wat betekent dat je God lief moet hebben, dat je je talenten moet ontwikkelen, en dat je de ander lief moet hebben.
Als je deze opdracht naar behoren uitvoert mag je na je dood, als beloning, bij God aan het hof komen wonen. In sommige religieuze kringen wordt hier nog een dreigement aan toegevoegd: als je ongehoorzaam bent dan zal je helaas eeuwig moeten branden in de hel.

     
  De hemel, Antonio Verrio 1686-1697 (Burghley House)
 
Zo wordt een perspectief dat gaat over een zinvol leven, waarin je laat gelden wat je bent, en wat anderen zijn, omgetoverd tot een ‘wees spontaan paradox’ waarbij je leven wordt bepaald door ontzag voor de heerser, het streven naar de beloning en in het slechtste geval ook angst voor de straf.    
      
                
               Pas maar op!
 
Als de betekenis van het moeilijk te vatten ‘niets’ meer zou heersen in de wereld, zou deze er een stuk op vooruit gaan. Maar wat blijft hier van over als we bij ‘heersen’ denken aan een heerser die we moeten gehoorzamen. Kan een misverstand groter zijn?!
God dood verklaren kan ons hiervan bevrijden, maar het is misschien toch te theatraal en te resentful, Als we nu eens begrepen waar het bij deze personificatie om ging… dan konden we deze met een gerust hart achter ons laten. En openstaan voor onszelf en elkaar en voor het geheimzinnige gegeven dat we ons van de wereld om ons heen bewust zijn…  
 


                                                     Hoe wonderlijk bovennatuurlijk en miraculeus is het toch:
                                                     ik draag water en ik haal brandhout



Flip Krabbendam april 2018
 
Februari 28th, 2017
De homo reciprocus en onze bevrijding van de onzichtbare hand

In de economie wordt uitgegaan van de ‘homo economicus’, die wordt voorgesteld als een berekenend wezen dat slechts op zijn eigen belang uit is. Daarvoor kan hij terecht op de ‘vrije markt’. Het idee is dat deze ervoor zorgt dat ieders behoeften optimaal bevredigd zullen worden. Regeringen in een groot deel van de westerse wereld lijken dit idee massaal te onderschrijven, en zij treden terug om de ‘marktwerking’ de kans te geven.      

Psychologie en sociologie
Maar er is kritiek op dit mensbeeld van de ‘homo economicus’. Psychologen vertellen ons dat onze keuzen niet zo rationeel zijn als hier wordt verondersteld. We kiezen veel meer op ons gevoel dan op grond van berekeningen. Onderbewustzijn, intuïtie, sociale achtergrond, opleiding, er zijn heel wat omstandigheden die onze keuzen minder rationeel maken. Daarom zou men in de economische wetenschappen beter uit kunnen gaan van de  homo psychologicus.
Maar ook de sociale omgeving is van invloed op de keuzen die mensen maken: zij kiezen producten die geassocieerd kunnen worden met de groep waar zij bij horen of bij willen horen. Dat zou ervoor pleiten uit te gaan van de homo sociologicus.  

Reclameblok
Het mensbeeld waar men in de economie vanuit gaat zou misschien moeten worden aangepast, maar het is de vraag of bij beide alternatieven voldoende naar de praktijk is gekeken. Je hoeft maar één keer een reclameblok op de televisie uit te zitten om te beseffen dat aanbieders op de vrije markt van een heel ander mensbeeld uitgaan. Zij zien de mens als een wezen dat op allerlei manieren te verleiden is. Bijvoorbeeld door te wijzen op het statusverhogende effect van een product, of op het ingebakken geluksgevoel, of op het idee dat een aankoop de authenticiteit van de koper bevestigt, of zelfs zijn vrijheid! Om dit idee kracht bij te zetten wordt de aangeboden waar vaak gepresenteerd in een context van gelukkige, aantrekkelijke, vaak vrouwelijke personen, in een omgeving die geassocieerd kan worden met status, geluk en vrijheid. Een oude stad, een palmenstrand of een avontuurlijk landschap.   
 

 
            
Gelukkig door aankoop cabrio
 
Onderzoek naar verleidingstaktieken
Tegenwoordig kan met hersenscans bepaald worden welke reclames effectief zijn en welke niet. Neuromarleting. Het blijkt dat afbeeldingen van geliefde stripfiguren of bekende Nederlanders doel treffen in de hersenen, ook keurmerken helpen of de aanbeveling ‘als beste getest’. En omdat niet wettelijk is vastgelegd waar keurmerken en tests aan moeten voldoen, is hier alles geoorloofd. Wettelijk toegestane ‘alternatieve feiten’.  

Ook de inrichting van supermarkten is onderzocht. Al in de vijftiger jaren onderzocht Victor Gruen in de VS hoe men klanten het beste tot kopen kon verleiden. De uitkomsten van dit onderzoek kan men in de eigen supermarkt terugvinden. 
Direct na de ingang bevindt zich gewoonlijk de groenteafdeling, waar men zelf vruchten en groente kan uitkiezen, afwegen en in zakjes doen. Deze groenteafdeling werkt als een ‘decompressiezone’ die de klant tot stilstand brengt, om deze minder gehaast te maken en minder doelgericht. Als de doorloopsnelheid wordt afgeremd, blijken klanten ontvankelijker voor aanbiedingen en gaan zij gemakkelijker over tot het aankopen van producten waar zij niet voor gekomen waren: impulsaankopen.   



Decompressiezone remt doorloopsnelheid en stimuleert impulsaankopen
 
En de decompressiezone is pas het begin. Aangezien mensen de neiging hebben om rechtsom te lopen, met de wijzers van de klok mee, wordt de draairichting in supermarkten als het kan omgekeerd, om de doorloopsnelheid af te remmen, ook weer om klanten te verleiden tot impulsaankopen.   
Verder worden dagelijkse benodigdheden, zoals brood, melk en eieren, achterin de winkel aangeboden zodat men de hele winkel moet doorkruisen. Dit om de klant zoveel mogelijk te kunnen confronteren met aanbiedingen, ook weer met het doel impulsaankopen te bevorderen. Hiervoor wordt er voor een passende ambiance gezorgd. Weldadige geuren, kleuren, licht, muziek en gratis koffie moeten de klant in een prettige stemming brengen. Dit wordt omschreven als de ‘happiness factor’, want een vrolijke klant is een kooplustige klant.
Dan is er de ‘ooghoogtetactiek’ die er op neerkomt dat men duurdere artikelen op ooghoogte neerlegt en aanbiedingen op de onderste of de bovenste plank.
De leuke kleine kinderwinkelwagentjes zijn ervoor bedoeld dat kinderen hun ouders ‘helpen’ met impulsaankopen te doen. Daarvoor biedt de supermarkt snoepgoed en voor kinderen aantrekkelijke producten aan op de tweede plank van onderen, waar kinderen er goed bij kunnen.
Bij de kassa, waar men moet wachten wordt snoep aangeboden. Dit is een plek waar het extra moeilijk is om het snoepgoed dat kinderen hier op de band leggen weer terug te leggen. De kans bestaat namelijk dat zij daarover gaan zeuren of huilen en dan zijn andere klanten die ook in de rij staan getuige van hoe men optreedt tegen de eigen kinderen. Door producenten wordt hier in positieve zin gesproken van de ‘jengelfactor’ van producten.


Sisyphus en de sirenen
De ‘homo seductus’ wordt op verschillende wijzen onder druk gezet. Als ‘homo economicus’ wordt hij geacht, met het oog op z’n eigenbelang, jaarlijks de ziektekostenverzekering te heroverwegen, evenals de energieleverancier, de bank, de autoverzekering, de hypotheek, de brandverzekering, de WA verzekering, als ook het kabel-, telefoon- en internetabonnement. Alles wat geregeld lijkt te zijn moet worden overgedaan. Alsof je steeds opnieuw de band van je fiets moet oppompen. Daarnaast kan het voordelig zijn om per behandeling uit te zoeken welke (tand)arts of welk ziekenhuis het voordeligste is omdat er misschien een goedkopere aanbieder is. En dat is nog lang niet alles, eigenlijk moet de homo economicus regelmatig alle supermarkten in de omgeving afgaan voor aanbiedingen om te zien waar de dagelijkse boodschappen het voordeligste zijn. Intussen loopt de ‘homo sociologicus’ met hem mee om hem te vertellen welke producten ‘in’ zijn, waardoor hij erbij hoort of aanzien verwerft, terwijl de ‘homo psychologicus’ hem het geluk voorspiegelt en het gevoel vrij en authentiek te zijn door bepaalde aankopen. De ‘homo seductus’ is hier een soort Sisyphus, omringd door de Sirenen.     

Einde van de geschiedenis
Stel dat we de economische wetenschappen zouden verrijken en verdiepen door van beide mensbeelden uit te gaan, dan blijven we toch gevangen in een zekere eenzijdigheid, want nog steeds zou de zou de mens worden gereduceerd tot een koper waarop voortdurend druk wordt uitgeoefend om steeds het beste te kiezen uit een veelheid van voordelige en verleidelijke aanbiedingen.
Noch als homo economicus, noch als homo seductus komen we op deze manier toe aan onszelf, aan wat we zouden willen op basis van onze eigen ervaring. Nu verandert het aanbod wel voortdurend, producenten overladen de 'vrije markt' met steeds nieuwe voordelen en nieuw vermaak, maar dit gaat geheel buiten de consument om, en het is eigenlijk alleen maar meer van hetzelfde.'The more it changes, the more it stays the same’. Hier kunnen we aan de filosoof Fukuyama denken die in 1989 stelde dat onze op de vrije markt gebaseerde samenleving het einde van de geschiedenis betekende. Hij bedoelde dat niet als een waarschuwing… maar zo kunnen we er wel naar kijken.
 
Begin van de geschiedenis
Stel je voor: eeuwen geleden vestigden de Kaninefaten (tegenwoordig: Cananefaten) zich het bosgebied achter de duinen.



Kaninefaten vestigen zich in bosgebied achter de duinen
 
Zij zochten open plekken uit waar de bomen hen enigszins tegen de wind beschermden, maar niet tegen de regen. En zo bouwden zij daken boven hun verblijfsplek.
 


Een dak tegen de regen
 
Nu bleven zij droog, maar zij hadden toch nog last van de wind. Wanden boden enige bescherming, maar pas nadat men deuren had bedacht, die afgesloten konden worden, kon men de ruimte onder het dak van de buitenwereld afsluiten en zat men echt uit de wind. Maar opnieuw kon de situatie verbeterd worden. Het kon binnen namelijk toch nog flink koud zijn en daarom haalden zij het houtvuur binnen, maar niet nadat ze iets hadden gevonden op het probleem van de rook: een opening bij de nok van het dak.  
 
                 

Wanden en een opening voor de afvoer van rook
 
Zo voortredenerend kun je je voorstellen hoe een eeuwenlange ontwikkeling uiteindelijk leidde tot het woonhuis van nu. Deze schets is slechts een fictieve geschiedenis, toegegeven, maar daarom niet minder geschikt om als voorbeeld te dienen van hoe we de wereld om ons heen kunnen ontwikkelen.
 
Homo reciprocus
Uit het voorbeeld kunnen we aflezen dat er bij ontwikkeling sprake is van twee houdingen.
a) We ondergaan de situatie, receptief, waarbij we ervaren wat ons bevalt en wat verbeterd kan worden en b) we grijpen in, actief, om de situatie te verbeteren, waarbij we rekening houden met wat in ons vermogen ligt. Deze houdingen, receptief en actief, zijn wederkerig en de wisselwerking tussen beide maakt ontwikkelingen mogelijk. Dit is kenmerkend voor de mens die hierdoor (als het enige schepsel onder de zon) door de eeuwen heen zijn omgeving heeft kunnen ontwikkelen. Laten we deze mens daarom de ‘homo reciprocus’ noemen, de mens van de wederkerigheid. Dan hebben we een houvast bij het begrijpen van ontwikkelingen. En bij het begrijpen van wat ontwikkeling tegenhoudt!

De onzichtbare hand
Ons huidige economische bestel is terug te voeren op de ideeën van Bernard Mandeville en Adam Smith, beiden levend in de 18e eeuw. 4) Zij betoogden dat het voor de maatschappij als geheel het beste was als ieder zijn of haar eigenbelang nastreefde. Adam Smith stelde voor dat consumenten en producenten elkaar op een ‘vrije markt’ zouden treffen om te onderhandelen, waarbij zij elk uitgingen van hun eigen belang. Als voorbeeld gaf hij een klant die bij de bakker kwam. Doordat klanten ook bij andere bakkers brood konden kopen, zouden alle bakkers scherp blijven en proberen het beste brood voor de laagste prijs aan te bieden. Zo zouden bakkers efficiënt produceren en klanten zouden de beste waar krijgen: een situatie waarin het eigenbelang in ieders belang zijn. Het zou lijken of een ‘onzichtbare hand’ ervoor zorgde dat ieder zijn of haar deel kreeg.

Hoewel Adam Smith beweerde dat vertrouwen een belangrijke factor was, baseerde hij z’n economisch model op een consument die principieel onbetrouwbaar was. Want eigenlijk zei de consument tegen de producent: ‘Als ik het ergens anders beter kan krijgen, dan ben ik weg’. Wie zoiets tegen zijn of haar partner zegt, kan ervan uitgaan dat dit het einde van de relatie betekent.

Het hoeft ons dan ook niet te verbazen dat de producent probeert te overleven door de consument onder druk te zetten en door groot te worden. Helaas zijn er ‘meerdere bakkers’ die hetzelfde willen, dus eigenlijk is niet ‘groot’ het goede antwoord op de onzekerheid, maar ‘grootste’. Of ‘grootste van de wereld’.

Verslaving
Als gevolg hiervan zien we bedrijven die proberen te groeien door producten op de markt brengen die bedoeld zijn om de klant te verleiden. Waarbij we kunnen constateren dat de positie van de consument niet zo comfortabel is geworden als hem werd voorgespiegeld in het voorbeeld van de bakker.

In maart 2016 was er op de Stanford University, in Silicon Valley, een congres waarop men besprak hoe men apps verslavender kon maken, en de consument hooked. Ook dit jaar was er weer zo’n congres met Nir Eyal als sterspreker (die het boek ‘Hooked’ schreef). Een andere beroemdheid op dit gebied is Natasha Dow Schüll (boek: ‘Addiction by design’) Het zijn slechts voorbeelden, maar die passen in het beeld van producenten die vooral bezig zijn de consument te verleiden en te misleiden. In dit geval gaat het om Facebook, Snapchat, Instagram en WhatsApp, die failliet zouden gaan als consumenten niet ‘een gewoonte vormen’ om uit zichzelf terug te komen. Uit zichzelf? Of vanwege hun ‘gewoonte vorming’ lees: verslaving! 

Instrumentele houding op zichzelf betrokken
De wisselwerking tussen de receptieve, situationele houding van de consument en de actieve, instrumentele houding van de producent is verloren gegaan, en daarmee de aanleiding tot ontwikkelingen, en wat we zien is ‘meer van hetzelfde’, of ‘ééndimensionaliteit’. Niet alleen aan de kant van de consument maar ook aan de kant van de producent. Deze produceert om de winst, die vervolgens wordt geïnvesteerd in nieuwe productiemiddelen, voor nog betere resultaten, meer winst dus. Die weer kan worden geïnvesteerd… enz. In het streven naar groei is de instrumentele houding  op zichzelf betrokken geraakt. Dat is niet alleen nadelig voor de situationele consument, maar ook voor onze natuurlijke hulpbronnen. Ongelimiteerde groei in een eindige situatie is volgens de filosoof Peter Sloterdijk het recept voor een onafwendbare catastrofe. Het einde van het einde van de geschiedenis. 

De terugkeer van de homo reciprocus
Kunnen we deze ontwikkeling nog keren? Vaak wordt voorgesteld om producenten (met in het verlengde daarvan de financiële wereld) ethisch besef bij te brengen. Dan zeggen we tegen de betrokken ceo’s: ‘Kijk toch eens verder dan winst maken en het vergroten en versterken van het bedrijf’. Maar geloven we daar zelf wel in? Een bedrijf als Nestlé maakt winst door consumenten te laten geloven dat bronwater beter is dan gewoon water uit de kraan. Zij halen dat water vervolgens uit de grond in het gebied van een indianenstam, zij sluiten de waterputten van deze stam die daardoor niet meer te drinken heeft. Zij moeten nu hun eigen water in flessen in de winkel kopen. Deze flessen moeten vervoerd in vrachtwagens, wat fossiele brandstof kost en meer CO2 in de dampkring brengt. De flessen moeten schoongemaakt worden, wat meer water kost en waardoor er chemicaliën in het milieu komen.
Er zijn veel ondernemingen die op bedenkelijke wijze winst maken en groeien; zou het zin hebben een beroep te doen hun gevoel voor ethiek? En wat nu als zij er niet gevoelig voor blijken te zijn, omdat zij, je kunt het verwachten, een hele andere opvatting over ethiek hebben? Zo verklaarde Peter Brabeck-Letmathe, topman van Nestlé, in 2013 dat water geen fundamenteel mensenrecht is…  
 
              

Water: een mensenrecht of niet?

Als we ons realiseren dat ons economisch systeem terug te voeren is op het idee dat eigenbelang ook het algemeen belang dient, hoeven we niet verbaasd te zijn dat ondernemingen niet erg openstaan voor ethische overwegingen. Vooral niet omdat zij groei zien als een noodzaak. 

De wetgeving aanpassen? Het zou kunnen helpen, al kun je je voorstellen dat wetten hier, net als ethische overwegingen, weinig indruk maken en worden ervaren als ongewenste bemoeienis en bureaucratie, wat de handhaving niet zal vergemakkelijken. Zeker niet waar we te maken hebben met terugtredende overheden.

Consumenten voorlichten? Dat zou een begin kunnen zijn van de ‘come-back’ van de consument en van de wisselwerking met de producent. Om een stem in het kapittel te hebben zouden consumenten zich ook kunnen verenigen. Uit acties uit het verleden blijkt dat dit succesvol kan zijn. Deze waren vaak ad-hoc georganiseerd en consumenten zouden sterker staan als zij zich blijvend zouden organiseren. Nu is de huidige situatie het resultaat van een proces dat eeuwen geduurd heeft. In die tijd is een immens bolwerk ontstaan van internationale bedrijven, van multinationals, dat onaantastbaar lijkt. Hoe kun je daar nog op inbreken met de homo reciprocus? 

 
Kleinschalige initiatieven
Er zijn ontwikkelingen gaande van bewoners die zich organiseren om samen te wonen in straten en buurten. Hier zijn de ‘commons’ opnieuw ontdekt, kleinschalige organisaties die gronden beheren en die daardoor geschikt zijn om gemeenschappelijke energievoorzieningen te installeren en te beheren, zoals zonnepanelen en windmolens, of om helofytenfilters aan te leggen voor een lokale waterzuivering, of wadi’s ten behoeve van waterberging.    

  
       
Cohousing in Denemarken: zes clusters van elk ca 15 woningen.  
 
 
 

Helofytenfilter voor waterzuivering
 
Intussen is in Totnes (Engeland) het idee van de zogenaamde ‘transition towns’ ontstaan: het idee om groente en fruit te verbouwen in de directe woonomgeving, om te voorkomen dat dit over de hele wereld vervoerd moet worden om bij de gebruiker te komen. Omwille van de beperking van het gebruik van fossiele brandstof en van de uitstoot van CO2.   
 
       

Transition towns: groenten verbouwen in de eigen omgeving
 
Als dit soort initiatieven zorgen ervoor dat mensen hun buren en buurtgenoten leren kennen, terwijl zij samen zorgen voor hun omgeving en voor elkaar. Dat kan betekenisvol zijn, in sociale zin en voor het milieu. Zo kunnen buren en buurtbewoners zich meer thuis gaan voelen in hun woonomgeving.   
 
In de afgelopen decennia is er een groot aantal initiatieven ontstaan waarin bewoners samen optrekken, waarbij zij voorzieningen delen en beheren. Voor een idee van de omvang en de rijkdom van deze ontwikkeling, leze men het boek ‘wonen in de 21ste eeuw, naar een hedendaags utopia’ van Peter Camp. In deze initiatieven formuleren bewoners hun wensen, in onderling overleg, waarop zij werkgroepjes samenstellen om deze te realiseren. De situationele houding van consumenten (die iets wensen) is hier verbonden met de instrumentele houding van producenten (die iets realiseren). Hier dus geen geïsoleerde consumenten die door reclameboodschappen onder druk worden gezet, en ook geen op hol geslagen producenten die alleen oog hebben voor winst en groei. Bewoners worden gehoord en de leden van de werkgroepjes weten voor wie ze het doen.

Coöperaties
Bij commons, cohousing en alle initiatieven waar bewoners voorzieningen delen en samenwerken kan de ‘coöperatie’ een juridisch en organisatorisch kader bieden waarin de democratische rechten van de betrokkenen gewaarborgd zijn (iedereen kan meepraten) terwijl ook de samenwerking tussen consument en producent helder geregeld is. Intussen kunnen we straten, buurten en wijken zo proberen te ontwerpen of te herinterpreteren dat deze uitnodigen tot bovengenoemde bewonersinitiatieven en daarmee tot een economie van de ‘homo reciprocus’. 

De bevrijding van de onzichtbare hand
Hier ligt een kans om aan te ontsnappen aan het ‘meer van hetzelfde’ dat de consument krijgt geserveerd, en aan de ongeremde groei van het productieapparaat, die je ook kunt interpreteren als ‘meer van hetzelfde’. Als de situationele houding van de consument wordt verbonden met de instrumentele houding van de producent kunnen we misschien een kwalitatieve ontwikkeling verwachten, waarbij we verder kunnen komen dan jaar in jaar uit, op de ‘vrije markt’, te worden geconfronteerd met nieuwe voordelen en nieuwe verleidingen, waar steeds grotere bedrijven ons ertoe aanzetten steeds meer te consumeren. Een dagtaak die de producenten ons proberen op te leggen die ons geen tijd gunt voor reflectie op onze eigen, situationele, wensen.

Als we ons met het concept van de ‘homo reciprocus’ los zouden maken van het idee dat de ‘onzichtbare hand’ het beste met ons voorheeft, dan zouden we ons ook kunnen bevrijden van de dominantie van producenten en van het eenzame idee dat ons eigen belang leidend zou moeten zijn.

Dan kunnen we onze aandacht richten op onze omgeving, met ruimte voor verwondering en met de mogelijkheid om ervaringen te delen met buren. Waarop we ons een idee zouden kunnen vormen over wat er zou kunnen worden veranderd of verbeterd, waarbij we als consumenten en producenten kunnen samenwerken om dit te bereiken. 

Wie weet wat voor ontwikkelingen we kunnen verwachten … temeer daar we in de toekomst in staat zullen zijn zelf dingen te producten met een 3D printer. Niet alleen gebruiksvoorwerpen die we in huis kunnen gebruiken, maar misschien ook muziekinstrumenten, eenvoudige bouwwerkjes en misschien zelfs maaltijden. Interessant hierbij is de prognose van Kees Machielse van de Hogeschool Rotterdam dat verplaatsing van de productie naar de privésfeer het voortbestaan van de havens van Rotterdam bedreigt.


                  

3D printen van maaltijden
 
Terug naar de cultuur
Erkenning van de ‘homo reciprocus’ kan de basis vormen van een nieuwe ontwikkeling van onze cultuur. Waarbij we in eerste instantie kunnen denken aan die plaatsen waar hier al een begin mee is gemaakt, in straten en buurten, in de woonomgeving. Maar daarmee zijn we er niet. Situationist Guy Debord betoogde in de zestiger jaren dat de maatschappij een ‘spektakelmaatschappij’ was geworden waarin reclames de boventoon voerden. In deze spektakelmaatschappij zouden wij van onszelf vervreemden omdat wij het in reclames voorgespeelde leven zouden naspelen in een poging het voorgespiegelde geluk te bereiken, in plaats van uit te gaan van onze eigen gevoelens en behoeften. 8) Intussen is het spektakel dat ons door reclame wordt voorgeschoteld nog veel overheersender geworden. Het is zelfs onderdeel geworden van de vele ‘belevenissen’ die we tegenwoordig kunnen kopen. Denk aan het aanbod van avontuurlijke games. Het is niet ondenkbaar dat de vele belevenissen die we tot ons kunnen nemen zullen leiden tot een diskwalificatie van ons eigen vermogen om de wereld te beleven. Want hoe saai is onze eigen beleving, als we die vergelijken met de professioneel vervaardigde en opwindende avonturen die we voor een paar euro kunnen kopen of huren om ze vervolgens in onze eigen ervaring te ‘implanteren’. Als dit leidt tot een onvermogen om onze eigen beleving tot leven te wekken, dan ligt hier een nieuwe verslaving op de loer die ons steeds verder van onszelf zal vervreemden.

Als we de ‘homo reciprocus’ in ere willen herstellen is daarom misschien een periode van herstel nodig, een ontwenningskuur waarin we alle ‘belevingsimplantaten’ kunnen laten vervagen en weer tot onszelf kunnen komen. 

Teruggekeerde overheid
Hier zouden de teruggetreden overheden een rol kunnen spelen door weer terug te keren, om een tegenwicht te vormen tegen de druk van de producent en om de ‘homo reciprocus’ waar deze al in ere is hersteld te ondersteunen, in straten of buurten. Tegelijkertijd kan een teruggekeerde overheid het culturele leven stimuleren door kunstenaars, culturele instellingen, musea en andere podia voor kunst en cultuur te ondersteunen. Hiermee zou zij in dezelfde richting kunnen werken als het ‘Center for Public Imagination’ dat beoogt wetenschappers, kunstenaars, designers, beleidsmakers, bedrijven en activisten bij elkaar te brengen om te zoeken naar nieuwe oplossingen voor maatschappelijke problemen.

Nu zal ondersteuning van de ‘homo reciprocus’ de overheid mogelijk geld gaan kosten, maar het moet mogelijk dit te genereren op het moment dat de belastingen niet langer hoeven te worden verlaagd in het streven naar een concurrerend Nederlands vestigingsklimaat voor op winst en groei gefixeerde multinationals!

Misschien zal het dan nodig zijn dat de belastingen wat omhoog gaan. Dat zou kunnen, maar daar staat dan ook iets tegenover, namelijk dat de besteding daarvan de wisselwerking tussen consumenten en producenten kan stimuleren, met de kans op echte ontwikkelingen, in plaats van ‘meer van hetzelfde’. Wat bij de acceptatie van wat hogere belastingen misschien helpt is de constatering dat de term ‘belasting’ eigenlijk ongelukkig gekozen is. Want gaat het niet eerder om een contributie, om een bijdrage aan ontwikkelingen die iedereen aangaan. 

Om iedereen ook inderdaad een kans te geven om deel te nemen aan een maatschappij die gebaseerd is op de ‘homo reciprocus’ zal een teruggekeerde overheid ook weer structureel kunnen bijdragen aan sociale rechtvaardigheid, aan vele soorten van zorg, en aan de ontwikkeling van medicijnen voor zeldzame aandoeningen. En aan universitair onderwijs en onderzoek dat is gevrijwaard van, in aanleg corrumperende, derde geldstromen uit het bedrijfsleven.

Als we ons hieraan zetten, dan zullen we misschien beseffen dat onze cultuur eerder is bedreigd door de politici en producenten die ons de bedenkelijke rol van de ‘homo seductus’ hebben opgedrongen, dan door de import van buitenlandse culturen! 

Alle problemen opgelost?
Nu schets ik wat ‘we’ kunnen doen, alsof de overheid mee zal gaan in het streven naar de ‘homo reciprocus’ en daarmee ’van ons’ zal zijn, maar dat is nog maar de vraag. De huidige situatie, van de teruggetreden overheid, illustreert hoe groot die afstand kan worden, ook in een democratie.          
Daar komt bij dat het domein van de homo reciprocus nog erg klein is. Er zijn aanzetten, maar er is nog geen sprake van een wereldwijd vertakt netwerk van initiatieven dat een serieuze bedreiging vormt voor de multinationals die nu de dienst uitmaken. En misschien blijft het wel bij aanzetten, want we weten niet hoe de machtige internationale bedrijven zullen reageren als dit netwerk van de homo reciprocus sterker wordt!       
Daarbij zal deze verandering van perspectief nog niet kunnen garanderen dat we de door Peter Sloterdijk voorspelde catastrofe kunnen vermijden. Want wie zegt dat situationele consumenten oog zullen hebben voor het milieu en dat zij bescheiden zullen zijn in hun wensen. Ook is het de vraag of instrumentele producenten niet toch zullen blijven streven naar steeds grotere bedrijven, omwille van de macht en het aanzien, of om hun aandeelhouders tevreden te stellen… 
En last but not least: nieuwe oplossingen roepen nieuwe problemen op, en we zullen moeten afwachten of we daar mee overweg zullen kunnen. 


 
Flip Krabbendam febr. 2017
 
Februari 15th, 2016

 

Het idee is dat je, door de ontwikkeling in je denken, je verleden beter leert te begrijpen.  Daardoor kun je weer terug naar het heden, om dat weer beter te begrijpen. Een experiment om te zien of deze mooie gedachtegang hout snijdt, want dat kunt u nu wel zeggen meneer Krabbendam, maar hoe gaat dat dan in z’n werk?!

In dit experiment wil ik niet te persoonlijk worden maar wel werken met iets dat me steeds heeft geïnteresseerd: veiligheid bij autorijden, speciaal bij racen.

 

Ik weet wat ik doe

Toen ik klein was lag de nadruk op de eigen verantwoordelijkheid. Je moest gewoon goed opletten als je een auto bestuurde. De ontwerper van de Mini, Alec Issigonis, werd woedend op Ralph Nader toen die hem kwam vertellen dat de mini levensgevaarlijk was door de klapstoeltjes, de zwakke deursloten en de uitstekende benzinedop. Alec wees op het goede zicht rondom en op de goede remmen. Dit was een hele veilige auto! Hij ging ervan uit dat veiligheid geheel in de hand van de bestuurder lag. Het gevaar hoorde erbij, maar dat kon je best aan. Intussen dacht iedereen: 'dat overkomt mij niet'. En mocht het toch mis gaan dan kon je je altijd nog goed aan het stuur vasthouden of je goed schrap zetten.


  Er is een kans

Nu weten we dat er altijd iets kan gebeuren, hoe goed je ook oplet. In de autosport begon dat besef door te dringen toen coureurs die bekend stonden om hun wagenbeheersing en die iedereen bewonderde, zoals Jim Clark, toch verongelukte.

    

Kennelijk was de kans dat er iets mis ging toch een belangrijke factor. Reden voor Jackie Stuart om te pleiten voor passieve veiligheidsmaatregelen. Uitloopstroken, vangrails, onbreekbare tanks en veiligheidsriemen. 

         


Dat is nu algemeen aanvaard, op de circuits, en ook op de openbare weg, want ook in het normale verkeer begon men de kans op een ongeluk te groot te vinden. Waarop wegen veiliger zijn gemaakt en auto’s zijn uitgerust met kooiconstructies, kreukelzones, riemen en airbags. En de bestuurders van nu zijn daarop ingesteld. Hadden we vroeger geen weet van veiligheidsriemen, nu voelen we ons onveilig als we een stukje zonder rijden.

 
 

Terugkijken

We kunnen ons nu nog wel verplaatsen in de situatie van vroeger: als we in een oldtimer rijden weten we weer hoe primitief dat was. Dat is een avontuur. Toch kunnen we niet echt meer terug met onze ervaring, we hebben ingezien dat de kans op een ongeluk ook betekenis heeft en dat niet alleen onze rijvaardigheid geldt.

We hebben ook geleerd hoe groot de krachten zijn bij een ongeluk. Schrap zetten of het stuur stevig vasthouden, dat heeft geen zin, daar kun je geen zekerheid aan ontlenen. We kijken er nu dus duidelijk anders tegenaan.

 

Heenkijken

Als we met onze gedachten teruggaan in de tijd, kunnen we dan ook begrijpen waarom we toen een bepaalde richting zijn ingeslagen? De richting van passieve veiligheid?

Een poging.

Als goede coureurs zo vaak konden verongelukken ging men kijken naar de omstandigheden. Een van die omstandigheden was dat dat de auto’s steeds lichter en de motoren krachtiger werden. Met ‘eigen verantwoordelijkheid’ of actieve veiligheid kwam men er niet meer.    

Hoe kwam het dat dit tot dan toe het leidende principe was geweest in het denken over veiligheid. Een veronderstelling: autobezitters waren in eerste instantie mensen uit gegoede kringen waar ondernemerszin en eigen verantwoordelijkheid voorop stonden. Dit namen zij mee naar de manier waarop zij tegen autorijden aankeken.

Niet alleen op het circuit ging men de omstandigheden belangrijker vinden, ook op de weg. De kentering kwam toen ‘iedereen’ ging autorijden. De kans dat je door een ander in de problemen kwam nam toe, dat relativeerde de eigen verantwoordelijkheid. Daarbij kwam dat de achtergrond van al die nieuwe automobilisten was anders, dit waren meer en meer ‘gewone’ mensen die in hun werksituatie afhankelijk waren. Zij wisten dat het verstandig was jezelf te beschermen tegen krachten van buiten die je niet in de hand hebt.

Zo zien we dan, dat we uitgaande van actieve veiligheid, kunnen uitkomen bij de rol die omstandigheden kunnen spelen bij ongelukken. En daarmee ook bij de rol die omstandigheden kunnen spelen bij het voorkomen van de gevolgen daarvan: bij passieve veiligheid.

 

Nog eens terugkijken

Als we de oorsprong van hoe we nu denken beter begrijpen, kunnen we ook beter begrijpen waar we nu zijn. Door de nadruk op de kans dat er iets mis gaat, hebben we ons verdedigd met kooiconstructies, kreukelzones, riemen en airbags. Zo is de eigen verantwoordelijkheid onderbelicht. We gaan er nu vanuit dat we ‘natuurlijk’ voorzichtig zijn; dat lijkt een gegeven. Maar waar blijft de ervaring dat je het gevaar zelf in de hand houdt! Het avontuur, of meer op de spits gedreven, de heroïek waar Stirling Moss aan vast wilde houden toen hij zich verzette tegen veiligheidsmaatregelen. Dat het gevaarlijk was, was voor hem een essentieel onderdeel van de sport. 

Overigens illustreert dit laatste dat bij het begrijpen van het verleden, en hoe dat een aanzet gaf voor het heden, niet alleen de eigen ervaring meespeelt. De houding van Moss ten aanzien van veiligheid heb ik uit een documentaire over Moss die decennia later werd gemaakt.      

Ook de Amerikaanse auto-industrie verzette zich tegen veiligheidsvoorzieningen. Dit omdat men bang was dat daardoor het gevaar van autorijden te veel nadruk zou krijgen, waardoor men minder auto’s zou verkopen. Ook informatie uit een latere documentaire. Hier wilde men kennelijk de droom redden dat men overal heen zou kunnen zweven, en niet de eigen verantwoordelijkheid of heroïek. Dit is een ander perspectief, situationeel in plaats van instrumenteel, waardoor een ander soort ontwikkeling op gang komt, maar die laat ik hier maar even buiten beschouwing.   

     
 

En weer heenkijken

We kunnen iets van het idee dat we onze veiligheid zelf in de hand hebben, of zelfs een vleugje heroïek, meenemen naar nu. Als we afzien van de huidige veiligheidsvoorzieningen, zoals bijvoorbeeld riemen, dan komt er weer meer nadruk op de eigen verantwoordelijkheid en het avontuur. Misschien is die ervaring nu dan wel sterker dan vroeger omdat we riemen gewend zijn en deze nu missen. En omdat we weten dat ‘schrap zetten’ of ‘het stuur goed vasthouden’ niet werkt. Misschien maakt alleen het geloof van ‘dat zal mij niet gebeuren’ nog een kans… 

 

En nu?

Voor nu, voor het heden, kunnen we als we dat willen, beide zienswijzen een gelijke kans geven. Aan de ene kant de actieve veiligheid met de eigen verantwoordelijkheid en het avontuur, en aan de andere kant de passieve veiligheid die ons beschermt tegen gevaren die we niet in de hand hebben.   

 

Com-prendre

Terug en heen en terug en heen, bij elke rondgang van de hermeneutische cirkel kun je je ervaring verdiepen om ze uiteindelijk uit te laten kristalliseren en te bevatten. Com-prendre zoals Sartre ergens zegt.     

 
Januari 27th, 2015

 

De nul

Toen in de Middeleeuwen de Arabische rekenkunde naar Europa kwam, stond men daar afwijzend tegenover. Men begreep de Arabische cijfers niet, en dat gold zeker voor de nul. Hoe kon je een symbool opvoeren dat naar niets verwees. Niets betekende gevaar, de nul verwees naar de duivel, en de kerk verbood het gebruik ervan. Ook in de handel was men wantrouwig. Deze vreemde rekenwijze was iets voor magiers en oplichters. In 1299 werden Arabische cijfers in Florence verboden; het was te abstract, men begreep het niet, en men vertrouwde het niet. Het duurde tot het eind van de 15de eeuw voordat men durfde af te stappen van de oude vertrouwde Romeinse cijfers, die gewoon naar concrete hoeveelheden verwezen.

 

Het luchtledige

Ook in de zich ontwikkelende wetenschap was men huiverig voor het concept ‘niets’. Men dacht dat ‘niets’ in de natuur niet voor kon komen. In de natuur zou het ‘horror vacui’ heersen, de angst voor de leegte, waardoor luchtledigheid niet zou kunnen bestaan. Pas in 1644 demonstreerde Torricelli met zijn beroemde ‘buis’, dat luchtledigheid toch bestond.

 

 

Torricelli aan het werk met zijn kwikbuis

Door een buis gevuld met kwik in een bassin met kwik te plaatsen kon hij laten zien dat de druk van de lucht die werkte op het oppervlak van het kwik in het bassin de kracht had om 76 cm kwik in de buis omhoog te duwen. Tilde je de kwikbuis hoger op, dan ging het kwik in de buis niet verder mee omhoog. Boven het kwik kon geen lucht aanwezig zijn, er was niets, luchtledigheid. Omdat de hoogte die het kwik kan bereiken afhangt van de luchtdruk hebben we de buis van Evangelista Torricelli eeuwenlang gebruikt als luchtdrukmeter, als barometer. Een eeuw later wist men mensen nog te verbazen met het onbegrijpelijke feit van het luchtledigheid, zoals Joseph Wright laat zien op zijn schilderij uit 1768.

 

 

 

‘A philosofer showing an Experiment on an air pump’ uit 1768 door Joseph Wright van Derby

Op dit schilderij laat een vogel het leven in een vacuüm gezogen stolp. Een herhaling voor publiek van ‘experiment 41’ van Robert Boyle uit 1660, waarin hij de werking onderzocht van lucht en luchtledigheid. Zo wordt de betekenis van het natuurkundig ‘niets’ voor iedereen gedemonstreerd. 

Dus eind 15e eeuw erkende men de waarde van het ‘niets’ in de mathematiek en halverwege de 18e eeuw zag men de natuurkundige betekenis van het ‘niets’.

 

 Nichts, neant of vrijheid

In de 20ste eeuw introduceert Martin Heidegger een filosofische versie van het ‘niets’. Hij verzet zich tegen het idee dat de wetenschappen ook het bewustzijn zouden kunnen verklaren. Want bij zo’n verklaring zou de wetenschap zich baseren op gegevens die dankzij het bewustzijn al bestonden, en dat zou neerkomen op een een tautologie. Dus… het bewustzijn is onverklaarbaar, maar het is onmiskenbaar aanwezig… het is niet verklaarbaar, of uit ‘niets’ verklaarbaar. Wij onderscheiden de wereld van onszelf omdat we onszelf als ‘Nichts’ van de wereld onderscheiden. Een conclusie waar we ons als redelijke wezens die graag steunen op wetenschappelijke waarheden maar moeilijk mee kunnen verenigen! 

Jean-Paul Sartre gaat door op deze filosofie, en vertaalt het Duitse ‘Nichts’ in het Frans met ‘néant’. Maar hij doet een slimme zet, hij gebruikt voor ‘neant’ ook de term ‘vrijheid’. Dat is beter te begrijpen, al lopen we dan het gevaar het verkeerd te begrijpen. Want bij Sartre is vrijheid niet hetzelfde als een dagje vrij of vakantie, of de mogelijkheid om uit 12 soorten pindakaas te kiezen. Bij de vrijheid die Sartre bedoelt gaat het erom dat je vrij bent om te kiezen welke kant je op wil met je leven en ook om daar werk van te maken.  

Wat heb je eraan? 

Het ‘niets’ of de ‘vrijheid’, wat maakt het uit, waarom zouden we ons dat begrip toe-eigenen...

We hadden rustig door kunnen gaan met Romeinse Cijfers, dat ging toch goed? En als we hadden volgehouden dat luchtledigheid onbestaanbaar is, dan hadden we geen barometers gehad, maar was dat erg geweest, we deden het al jaren zonder.

Toch is het rekenen met Arabische cijfers erg praktisch gebleken, en wat te denken van het begrip vacuüm dat ons in staat stelt het weer te begrijpen, vliegtuigen te bouwen en satellieten te lanceren, om maar een paar dingen te noemen. 

Nu verscheen er weer zo'n ongrijpbaar begrip: het ‘Nichts’ oftewel het ‘néant’ of de ‘vrijheid’? Natuurlijk vragen we ons ook nu weer af: hebben we dat echt nodig? Laten we eens kijken naar de mogelijkheden die het biedt, praktische toepassingen: 

-Door, met Heidegger, uit te gaan va het ‘Nichts’ kun je je bevrijden van de aanspraak op ‘waarheid’ of ‘werkelijkheid’ van de wetenschappen. Het is niet meer zo dat alleen waar is, en werkelijk bestaat, wat tastbaar en kwantificeerbaar is, de wereld die je werkelijkheid ervaart is nu net zo waar als je zelf waarachtig bent, authentiek. In het Engels klinkt dat heel mooi: ‘the world you experience is as true as you are’. Wat gewoonlijk afgedaan kan worden als ‘slechts subjectief’ (ongeveer alles wat ons leven geur en kleur geeft) behoort nu tot de realiteit.  

-Doordat we als ‘Nichts’ of als ‘néant’ buitenstaanders zijn, kunnen we ons ook buiten allerlei conventies stellen, en zo kunnen zich, als je het toelaat, in je bewustzijn van de wereld ook nieuwe gezichtspunten of ervaringen aandienen. Zo betekent de acceptatie van het ‘Nichts’ of het ‘néant’ ook een erkenning en begrip van creativiteit.

-Met de erkenning van onszelf, laten we hier zeggen als ‘vrijheid’ kunnen we ervoor waken dat we ons degraderen tot een deel van organisatie en we kunnen aannemelijk maken dat we meer zijn dan een radertje in een machine.

-We worden voortdurend geconfronteerd met anderen. In de geschiedenis heeft men vaak geprobeerd ‘de ander’ in te passen in een dienstbaar systeem, slavernij, of onder de voet te lopen, machtsuitoefening. De erkenning van het feit dat ‘vrijheid’ een essentiële eigenschap van mensen is, kan het argument verschaffen dat inpassen en onder de voet lopen miskenning inhouden van deze essentie.  

Kompas en route 

Dit is een pleidooi om deze derde versie van het ‘niets' niet af te doen als te abstract, vreemd, onbegrijpelijk of onzin, maar om deze te omarmen, net als de eerste twee versies, en om ermee te werken. Want de laatste decennia is de aandacht ervoor, na een aanvankelijke interesse, verdwenen door de opkomst van het Postmodernisme waarin alles tot 'een mening' werd gereduceerd. Dat gaf misschien wel lucht na alle grote verhalen (wetenschap, communisme) en het was interessant, maar zo verloor je wel alle houvast.    

In de behoefte aan houvast werd voorzien door biologen die in ons eigenschappen zagen die zij ook bij dieren aantreffen. Maar welke eigenschappen kiest de bioloog, en welk mensbeeld legt hij daarmee op? Niet zelden steekt hier het Darwinisme de kop op: de strijd om het bestaan. Een nieuw systeem om in mee te draaien: geen technocratie maar een biocratie.    

Later verschenen de hersenonderzoekers ten tonele, die onze eigenschappen begonnen te relateren aan de werking van de hersenen. Zo werden we opnieuw ondergeschikt gemaakt aan een systeem, aan een nieuwe 'cratie', aan 'the reign of the brain'.    

 

Als je uitgaat van het 'Nichts', het neant of de vrijheid, dan heb je houvast zonder dat het je vasthoudt. Dan bevind je je in een veelkleurige wereld waarin geen er bewind over je heen is gelegd van een biologisch mechanisme of van hersenfuncties. Dan kun je gerust zijn op je eigen ervaringen, je creatieve momenten, je eigen keuzen en je eigen koers, en geinteresseerd zijn in anderen die er net zo voorstaan. Dan heb je een kompas in plaats van een vastgelegde route. Dan kun je ontwikkelen wat je eigenlijk bent: vrijheid. 

Moet het nu weer een paar honderd jaar duren?             

 

 

 

 

 
Maart 11th, 2014
     Tao Teh Flip 
 
                                                  
            
  
                     This is all about nothing really
 









PART I                   Regarding us
 


1 Nothing
 
We may be and we may go
And we know it     
This knowledge of our being can never be explained
On the basis of what we know… our knowledge
There’s no-thing to understand it
An outright miracle!
                                 
 
Whatever we deploy to explain our concious being, like photons, electric currents or processes of a chemical nature, all of these grounds rely on the conciousness we try to explain. Such an explination is just a tautology. The knowledge of our being can be based on no-thing. But don’t worry, we can build on this conclusion, better than on false presumptions that poison our lives.         
 
 
 
2 Distinction
 
Whatever you see, smell, hear or feel
It’s there for sure, but it is not you
It’s all a thing
As you are not

                                                  

You distinguish things  from yourself as far you are no-thing, ‘nothing’. Some thing… to thing-k about for a while.  
 
 
3 Elusiveness
 
All we don’ t immerse in
Can be there for us
Elusive as we are, there is no end to this
There’s always a different world to be seen
 
 
 
If you distinguish yousrself from the world as ‘nothing’ in a specific way, you will also see the world in a specific way. If you stick tot his specific way, you  reduce yourself, indirectly, to a specific ‘some thing’. When you understand the importance of being an illusive ‘noting’ you see that you can distinct yourself from the world in infinite ways.
 
 
4 Constancy
 
A Kaleidoscope will run away with you
And make you feel lost
But focusssing gives you guidance
And constancy for a longer duration
 
 

Elusive as we are, we could change our view on the world any moment. Then we would wonder about in a kaleidoscope of perspectives and experiences ,like babies, in an ever changing cloud. For a more specific distinction between ourselves and the world we can focus on some constancy to hold on. Like a language, and a place to live and work.     
 
 
  
5 Direction
  
Focus on language and customs
Can give us a direction
A world of loads and reliefs
Deliberation and discrimination
 
           
            
 
Initially the world of constancy is the world in which we are raised. We grow up in England, the US, the Netherlands or Upper Mongolia, and that is the world we are committed to.
That does not just happen to us, we also make choices, as we distinguish qualities we like to belong to and qualities we want to stay away from.

 
 
6 Sparks 
 
When we strictly stick to it
Customs and language are heavy stuff  
Defocus, associate and make a joke   
Causing a spark can lighten us up
 
 
          
 
 
If constancy is absolutised then the 'nothing' that we are is captured as 'something' constant ...Which makes us ignore and neglect ourselves as the source of all that is. And slowly we would waste away and become reduced to a bunch of dead branches. Some absence of the mind, associations and joking can keep us alive.
 
 
 
7 Freedom
 
Everything exists
That’s not you
Whether you  undergo
Or face it
 
                                                                             
 
We are ‘not’ the world, not only when we sit back and let the situation influence us, but also when we act and try to influence the situation, when we eat or drink, or when we walk, climb or stumble. This can also be expressed by saying that we are ‘free’.
 
 
8 Development
 
We taste and we try
We worry and we learn
And develop our strive
For fulfillment in life
 
                                         
 
Constancy and freedom can work together to develop the direction we are going.

 
9 New
 
We may go in one direction
But that’s no obligation
As we can always try
To find another way
                                   
                                       

Because we are free, we are not tied to the world that we experience. We may see all kinds of opportunities, and based on what we like or dislike, we can try to convert these oppotunities into new realities. Thus, we can always change direction.
 
 
10 Knowledge and Wisdom
 
We seize the day
And we go back to work ...
But unexpectedly we scratch our head
Where are we going, what is this about?  
 
                                                      
 
As a child we are put in a world of constancy, a world that we begin to develop as we grow up, by choosing a direction, based on what your experience as  positive and as negative. As it happens we start to wonder what we are doing.we gain a certain knowledge about 'what we do' and at the same time we gain a certain wisdom when we reflect on the fact ‘that we do what we do’.
 
 
11 Bilingualism
  
What are we going to make
And how will we like it?
We discuss these things
In terms of knowledge   
But questioning the maening of it   
We’re  looking for wisdom in terms of 'nothing'
 
                                                      
 
When we focus on our situation,by undergoing it receptively or by  working actively, we are involved in ‘what we do’, in the world of concrete knowledge, the world of taste and cause and effect. When we reflect on’ that we do all this’, we are involved in wondering, creativity and freedom, we have entered the world of wisdom that can be described in abstract terms that refer tous as 'nothing'.
 
 
12 Others
 
Building knowledge, we can’t do it alone
We build it together, brick by brick
And thinking of  wisdom, do not be cocky
Only together we can make up our minds

                                                       
                                                               
 
Where would you be if you were alone. At the level of 'what we do' we rely on each other, as we do at the level of ‘that we do’. 'Nothing' or 'freedom' make you aware.  And you’re not the only one.
 
 
13 Developing wisely
 
Knowledge is a sevenheaded dragon
Where does it go, and can it be stopped?
The language of the wisdom must lead the way
Enslavement is not not what we need  
 
                                
 
In which direction development goes? Remember our bilingualism: a development can be called wise, as long as it includes us as 'nothing' and free.
 
 
14 Crystallize
 
Relevant knowledge and wisdom that matters
Can help us discover how to be
But when  we are  finished
We may be in danger!
 
                                  
                                
 
As we are acting and thinking, we engage ourselves a specific direction. Ideas about 'what we do', and ‘that we do' have evolved. Our knowledge and wisdom are crystallized. When we are lucky,we have erected a beautiful building. But as always  'nothing' may be neglected. Without windows and secrets that require research this building looks more like a prison.
 
 



 
PART II            Regarding our legacy     
 

 
15 Anchored in the past
 
The building of your life is marked
By everything that ever meant something
It may fit in the present
But it’s anchored in the past
 
                                 

What you think and what you do refers to everything you ever have thought and done before. In everything you were involved in. You can move with the times, but the times also move with you.
 
 

16 Going on and on
 
Going on for ever
Is that what you want?  
Longing for the future
And forgetting your own past?
 
                                                    
 
If you would like to go on building forever, one day you would have to let go your anchoring. All things and events that made you: the language, the memories of your childhood, your adventures, all you have learned and loved, all this would disappear in a dot on the horizon.
 
 
 
17 Someone else
 
 Always proceeding
To new ways of life
Is giving up the past
And look through someone else's eyes
 
                                                  

Memories give depth and meaning to what you have reached.  If you would continue to build, for ever you would have to let go all of this and look through the eyes of ‘someone else'. Is that what you really want? Your children and the children of your neighbors are also someone else. In order not to lose your life you will have to let it go one day.
 
 
 
18 Passing it on  
  
Whatever we end up with  
Our children have to live in it
That’s where their past begins
And their present in the future  
                       
                                                            

The fact that you cannot build for ever is not the end of the mysterious ‘nothing’.  Our children may continue where we stopped, and  stand on our shoulders.
 
 
 
19 Twinkling
  
Try to make a building
That rings a bell and twinkles
Avoid that the heirs must spend their lives
Demolishing most of it  
 
                                            
 
What use is a building that looks like a final solution,that looks  like a prison without openings that point to the future? If there is no roomleft  for 'nothing' our children wil have to make or to brake room for it.
 
 
 
20 In Tao
 
 As ‘nothing’ we bring the world into being
We undergo things here or tackle them
Reflecting on this we develop the world
Making it clear for our children to see  
And if they decide to be true to themselves
We may continue to be in Tao
 
                                                
 
You can not keep on building yourself, but you can pass on your work to your and our children. If you can show the essence of the mysterious and elusive 'nothing', it may live on and florish in the future, in builders and buildings as well.   
December 10th, 2012
Wat we doen  en dat we dat doen  

Wat we doen
  In het gewone dagelijkse leven richten we ons vooral op concrete, tastbare zaken, zoals het comfort van ons huis of de smaak van wat we eten of drinken. En als er dan iets niet naar onze zin is dan proberen we daar iets aan te veranderen. Dat is ‘wat we doen’.   
 

Dat we dat doen
  Maar soms stellen we onszelf hier vragen over. Op dat moment kijken we niet naar ‘wát we doen’ maar naar ‘dát we dat doen’. Dan ontdekken we dat we vaak dingen bedenken die nog niet bestaan, en dat we vrij zijn om te proberen deze dingen ook te verwerkelijken. Soms merken we dat we zomaar, spontaan, een andere manier ontdekken om de wereld te bekijken… dat er zoiets als creativiteit bestaat. Als we dit alles proberen te begrijpen, dan hebben we het heel moeilijk, want wat we ook ter verklaring willen aanvoeren, alles maakt deel uit van het bestaan dat we ermee willen verklaren. Hier blijft niets anders over dan de verwondering. Als we kijken naar ‘dát we dingen doen’ hebben we dus te maken met vrijheid, creativiteit en verwondering.
           

Twee niveaus en twee talen
  Op het niveau van ‘wát we doen’ denken we in termen van tastbare omstandigheden, om daar als we dat nodig vinden, invloed op uitoefenen. 
Als we kijken naar ‘dát we dat doen’ denken we in termen van vrijheid, creativiteit en verwondering. Hier gaat het over dingen die niet tastbaar maar ongrijpbaar zijn.
Zo leven we in twee werelden, met elk hun eigen taal. In ons dagelijkse leven denken we in termen die verwijzen naar tastbare dingen, zoals de tocht in huis of het heerlijk bier waar we naar verlangen. Als we hierop reflecteren denken we in termen die naar ongrijpbare zaken verwijzen, zoals vrijheid, creativiteit en verwondering, en dat is een andere taal.
 
Dit heeft gevolgen voor hoe we met elkaar om gaan. Als we de wereld van ‘wát we doen’ de tastbare wereld, proberen aan te passen aan onze wensen, dan kunnen we samenwerken, en dan zijn botsingen niet uitgesloten. Dat komt neer op ongerief, en dat willen we meestal vermijden. Maar er is meer, en dat zien we pas als we nadenken over ‘dát we doen wat we doen’. Dan zien we dat een botsing ook betekent dat we elkaar te kort doen in de wereld van het ongrijpbare, de wereld van de vrijheid, de creativiteit en de verwondering.       


Geen vaag gelul
  Praten over ongrijpbare zaken is niet aan iedereen besteed. Daarom zijn er veel mensen die het houden op wat tastbaar is. Dit heeft echter geleid tot menige mid-life crisis. Tastbare dingen als een comfortabele huis, goed bier, of reizen naar verre oorden, en een goede baan met een bijpassend inkomen, en zo mogelijk een machtspositie, om dat allemaal te kunnen bemachtigen, het is heel belangrijk, maar je kunt er toch ongelukkig onder blijven. Wat dan toe doen? Geluk is immers een term die niet past in de dagelijkse taal die gaat over wat tastbaar is. Gaan we nu nadenken toch over ‘dát we doen wat we allemaal doen’? Maar dan moeten we aan andere taal spreken… Om dat te vermijden kunnen we proberen we het lege gevoel weg te krijgen door te streven naar meer comfort, duurdere drankjes, verdere reisbestemmingen of een hogere positie op het werk. Zonder vaag gelul. Maar werkt dat?       
    Nog eens een verre reis boeken? (Een schilderij van Marius van Dokkum)  

Degenen die zich opsluiten in de tastbare wereld van ‘wát ze doen’ hebben ook met elkaar te maken. Als ze een mening hebben over hoe ze met elkaar om willen gaan, waar baseren ze die dan op? Wat kunnen zij aanvoeren als ze het niet willen hebben over het respecteren van vrijheid, creativiteit of verwondering?
Wat kunnen ze gebruiken uit de wereld van tastbaarheden? Wat je ziet is dat zij de nadruk leggen op het comfort van een samenleving zonder botsingen, en dan kunnen zij uitkomen bij het ‘sociale contract’ van Hobbes, Locke en Rousseau. Of ze kijken naar de dierenwereld, waarop zij de mens definiëren als een sociaal dier, zoals de Waal. Of ze kijken naar het arbeidsproces en concluderen dat arbeidsdeling, en daarmee samenwerking, de basis is van onze maatschappij, zoals Marx.  

  Alles is te gek
  Je kunt je ook afkeren van het tastbare en reflecteren op ‘dát we doen wat we doen’ en je vestigen in de wereld van het ongrijpbare. Hier kun je de verwondering vooropstellen en alles ‘te gek’ vinden. Of de creativiteit, om de hele dag nieuwe dingen te ontdekken. Of de vrijheid, om telkens van koers te veranderen. Niet saai, maar wat nu te doen bij honger of kiespijn? Hier geen mid-life crisis, maar waarschijnlijk een reeks van ongemakken die zich niet weg laten verwonderen. Dan moet er toch ingegrepen worden op het niveau van het tastbare, maar voor wie dat niet wil… het niveau van het tastbare kan stevig aandringen!     
                Scene uit ‘The Young Ones’ met hippie Neil die te midden van de chaos wanhopig probeert positief te blijven en alles ‘te gek’ te vinden. 
   
Ook degenen die ‘alles te gek’ vinden hebben in hun leven met anderen te maken. Zij kunnen hun mening over hoe je met elkaar om zou moeten gaan, hun ethiek, direct ontlenen aan het ‘vage gelul’ over vrijheid, creativiteit en verwondering. Maar betekent dat dan dat zij geen problemen zullen hebben bij de omgang met anderen? Als zij voortdurend de vrijheid nemen om, als de verwondering in sleur dreigt om te slaan, iets anders te gaan doen, dan kunnen zij niet echt op elkaar rekenen. Wat al gauw tot teleurstelling kan leiden, tot het gevoel in de steek te zijn gelaten. En het lukt niet altijd om ook dat ‘te gek’ te vinden.          
 

Normen zonder waarden
  Zij die zich verre willen houden van het ‘gelul’ zullen misschien niet eens de moeite nemen om de wereld van tastbaarheden in verband te brengen met ongrijpbare wereld van vrijheid, creativiteit en verwondering. Zij houden het op: ‘Doe normaal!’. Wat normaal is, dat behoeft geen nadere toelichting, hier volstaat een uitroepteken. Zo worden er normen gesteld voor het dagelijks leven in de wereld van het tastbare, zonder dat er wordt verwezen naar achterliggende waarden die kunnen worden ontleend aan de wereld van het ongrijpbare. Het gaat om hoe het hoort…  
   

  Waarden zonder normen
  Zij die alles ‘te gek’ vinden en zich richten op vrijheid, creativiteit en verwondering, huldigen hiermee algemene waarden, maar dit kan betekenen dat zij niets willen horen van afspraken of gedragsregels voor het concrete leven van alledag. Van hun kun je zeggen dat zij waarden huldigen zonder normen. Zij moeten elke dag opnieuw hun waarden vertalen, om ze toepasbaar te maken op het dagelijks leven, en vervolgens moeten zij proberen daarover met anderen tot overeenstemming te komen. Het gecompliceerde leven van de hippie.  

  Godsdienst
  Dat het onderscheid tussen ‘wát we doen’ en ‘dat we dat doen’ belangrijk is, wordt geïllustreerd door alle wereldgodsdiensten, die speciale momenten hebben ingevoerd voor de beschouwing van ‘wat we doen’. Zoals in het Christendom, waar men hiervoor tijd reserveert, vóór elke maaltijd, en op elke zondag. So far so goed. Maar het ‘wát we doen’ is tastbaar, terwijl het ‘dát we dat doen’ ongrijpbaar is, waardoor je twee talen moet kunnen spreken. Hier gaat het mis als de ongrijpbare zaken die bij de reflectie naar voren komen, worden beschreven in denkwijzen en metaforen die zijn ontleend aan het dagelijks leven. Dan verdwijnt de vaagheid die hoort bij de reflectie op wát we doen. Zo introduceerde het Christendom een Schepper die als een superieure ambachtsman alles en ons heeft vormgegeven, waardoor van creativiteit alleen het productieproces overbleef. Tastbaar.
Aan de metafoor van de Schepper ontleende men ook richtlijnen over hoe men met de wereld om zou moeten gaan, en met elkaar. Praktische richtlijnen die misschien mooi in het tastbare leven van alledag passen, maar zo gaat de reflectie op het idee van vrijheid en de daaraan verbonden ethiek verloren.  
Ten slotte blijft voor de verwondering alleen de vraag over waar dit allemaal over gaat…
Deze aantasting van de reflectie had zijn terugslag op het concrete leven, vooral wanneer Dionysos ten tonele verscheen, of erger nog, Eros. Want in een poging het belang van de reflectie te verdedigen wilde men graag afrekenen met deze concurrentie uit de tastbaarheid van het dagelijkse leven.    
En zo werd het dagelijkse leven verstoord door de reflectie erop, omdat deze reflectie weer verstoord was door denkwijzen en metaforen die ontleend waren aan het concrete dagelijkse leven.     

               Dus verdorie
  Waarom kunnen we niet proberen eenzijdigheid of wederzijdse verstoring te vermijden? Zodat we kunnen zien dat ‘wát we doen’ en ‘dát we dat doen’ allebei hun eigen bestaansrecht hebben. Want hoe zouden we kunnen vergeten te reflecteren op ‘wát we doen’? Als we ons bewust zijn van ‘wat we doen’, waarom zouden we ons daar dan geen mening over vormen?
En omgekeerd, als we ons concentreren op ‘dát we doen wat we doen’, hoe zou dat mogelijk zijn zonder ‘wát we doen’.
‘Wát we doen’ en ‘dát we dat doen’, deelnemend en beschouwelijk, ongereflecteerd en gereflecteerd, op het terrein van de fysica en van de meta-fysica, denkend in de taal en in meta-taal, over tastbare en ongrijpbare zaken. Het zijn twee niveaus die bij elkaar horen, ze zijn met elkaar verweven.
Als we iets willen realiseren in de tastbare wereld, zoals een comfortabel huis, een kelder met bijzondere bieren of een verre reis, dan vragen we ons daarbij af wat deze kwaliteiten betekenen voor onze vrijheid, creativiteit en verwondering.
En omgekeerd, als we een mening hebben over vrijheid, creativiteit of verwondering, dan kunnen we ons afvragen hoe we deze aspecten kunnen realiseren in de wereld van het tastbare. Zal ik mijn huis verbouwen, ga ik op ontdekkingstocht in het land van de bieren, waarheen zal ik op reis gaan?          
Dus verdorie, waarom zo krampachtig vasthouden aan één van de niveaus! Of aan verwarrende ideeën die schade berokkenen aan beide niveaus!   
 

Een verrukkelijk soort mol
  Wordt het leven, door het maken van het bovenbedoelde onderscheid tussen beide niveaus, nu simpel en voldoeninggevend?
Dit staat nog te bezien. Hiervoor kunnen we kijken naar de wereld van de sprekende dieren. Zo komt  in een verhaal over ‘Paulus de boskabouter’, van Jean Dulieu, een uil voor, Oehoeboeroe, die bijzonder geïnteresseerd is in Mol. Hij zou deze mol, zoals het uilen betaamt, graag opeten. Maar dat is tegen de zin van Paulus, die hem terecht wijst. Een ethische interventie die voortkomt uit het feit dat praten verbonden is met reflectie op het eigen bestaan, dat wil zeggen met de wereld van vrijheid, creativiteit en verwondering. En als je deze wereld serieus neemt, dan kun je de ander niet meer gewoon als een hapje beschouwen, want dan ben je tevens een soort collega’s. ‘Mededieren’ zoals Juffrouw Ooievaar van de Fabeltjeskrant dat uitdrukte, die allemaal vrij zijn, en creatief en mogelijk vervuld van verwondering. De uil heeft hier moeite mee, maar hij herstelt zich en zegt dan dat Mol een ‘verrukkelijk soort mol’ is. (Paulus en Mol p 57) Een mooie dubbelzinnigheid waarin Mol wordt gekenschetst met één term die in het dagelijkse, ongereflecteerde leven iets anders betekent dan in de reflectie daarop. Een dubbelzinnigheid die aan beide vormen van bestaan recht doet en tegelijkertijd laat zien hoe tegenstrijdig het leven op deze twee niveaus kan zijn.        

 
 

Een verrukkelijk soort mol. Copyright Jean Dulieu  

De huisspin
  Na de paring eet de vrouwelijke huisspin het mannetje op (als hij zich niet snel genoeg uit de voeten kan maken). Dat is ‘wát ze doet’ als ze de kans krijgt. Hoe zou het gaan als ze konden praten, als ze hierop konden reflecteren? Dan zouden ze, als mededieren, óók respect hebben voor elkaars vrijheid, creativiteit en verwondering. Dan had het vrouwtje een innerlijk conflict, net als de uil.   
 

Liefde en min aanéén vertuid
  Seksuele aantrekkingskracht en liefde kunnen elk gerekend worden tot een ander niveau. Seksualiteit kunnen we plaatsen in de wereld van ‘wat we doen’ en liefde in de wereld van de reflectie daarop. Ditmaal zijn ze niet tegenstrijdig, zoals de verrukkelijke mol, maar ze lijken op elkaar. Je kunt elkaar seksueel aantrekkelijk vinden en elkaar lief hebben. Als een van de twee ontbreekt gaat de relatie misschien wringen. Daarom heeft P. C. Hooft (1581-1647) gepleit voor een combinatie van beide: zijn ideaal was ‘liefde en min aaneen vertuid.’
 

Gorilla’s of Bonobo’s
  Toch lukt het niet altijd om de beide niveaus waarop we bestaan met elkaar in overeenstemming te brengen. Misschien zijn we als mensen ook een beetje zoals Oehoeboeroe of de huisspin, doordat we meer dan goed voor ons is op gorilla’s lijken, de apensoort die er een strenge hiërarchie op na houdt. Wat zou er met Gorilla’s gebeuren als zij daarop konden reflecteren? Zou het een beetje over gaan?
 
  Waar lijken we meer op: op gorilla’s of op bonobo’s?
   
Zouden zij elkaar meer vrijheid gunnen, als echte mededieren? Of zou hun gorillakarakter ze blijven plagen. Misschien had de maatschappij er heel anders uitgezien als we meer op Bonobo’s geleken hadden, die voortdurend sexueel actief zijn. Dan was het misschien makkelijker geweest om liefde en min aaneen te vertuien!         
 
 
FK okt ‘12
 
 
December 9th, 2012
  Wat is er buiten het heelal
Wat was er vóór de oerknal

 
Voor het begrip ‘oneindig’ gelden de gewone rekenregels niet meer. Drie maal ‘oneindig’ is nog steeds oneindig, en zelfs oneindig maal oneindig is oneindig. Oneindig gedraagt zich in een berekening dus anders dan een eindig getal. Dit ter inleiding.
 
Dan nu het ‘heelal’: voor uitspraken hiervoor gelden m.i. ook andere regels. Als je ervan uitgaat dat dit begrip 'alles' omvat en dat er daardoor geen sprake kan zijn van welke context dan ook. Zo heeft het heelal geen voorkant achterkant, zijkant, boven- of onderkant.  
Als je ervan uitgaat dat het heelal ook een proces is, dan kun je verder zeggen dat er geen begin en geen eind denkbaar is. Begin en eind gaan alleen op voor deelprocessen, processen die een grotere context veronderstellen: eerst was er de context, en toen ontstond daarin iets nieuws, of er verdween iets wat daarvoor in die context was opgenomen. Als je bijvoorbeeld een begin van het heelal veronderstelt, dan veronderstel je impliciet dat er voor het ontstaan van het heelal een context was waarin het heelal nog niet voorkwam… Een context die weer overblijft als het heelal ooit aan z’n eind komt.
 

 
Een kijkje in de richting van de linkerkant van het heelal. Let op, deze afbeelding staat ondersteboven.
 
Als we kijken naar het concept van de oerknal, dan zien we iets onbegrijpelijks. De achtergrondstraling is net zo oud als de oerknal, dat licht is het langste onderweg, het komt van het verst denkbare gebied van het heelal, het is het behang aan de binnenkant van het heelal. Heel ver van ons vandaan. Maar ga geen lichtjaar verder, je kunt niet door het behang steken, er is geen buitenkant en geen grotere context…    
Hetzelfde geldt voor het moment van de oerknal: van binnenuit is er een geschiedenis die ons terugvoert naar de oerknal, maar je kunt geen jaar verder terug denken: vóór de oerknal was er geen context waarbinnen het heelal kon ontstaan.
 
Twee tegenstrijdigheden. Er wordt in ruimtelijke zin een eind verondersteld, maar niets daarbuiten, geen ruimtelijke context. Er wordt in de tijd gezien een begin verondersteld, maar niets daarvoor, dus ook hier geen context. Vanbinnenuit gezien wordt het heelal opgevat als een deel van een groter geheel, van een grotere ruimte en van een groter proces, maar het blijkt niet mogelijk het heelal van buiten af te zien. Op dat moment blijkt het niet meer over een deel te gaan maar over 'alles', waardoor er van een context geen sprake meer kan zijn.    
Nu kun je zeggen dat ons idee over het heelal ‘contra intuïtief’ is, maar wanneer mag je dat zeggen? In het bedrijven van wetenschap proberen we toch tegenstrijdigheden uit te sluiten. Wanneer kun je dan een tegenstrijdigheid overrulen door deze een ‘contra intuïtieve’ waarheid te noemen?      
Zijn we niet bezig het ondenkbare concept van een uiterste grens en een eerste begin aan de ons omringende wereld op te dringen? Dat zou misschien verklaren waardoor we, op basis van dit concept, zulke contra-intuitieve 'antwoorden' van deze wereld terugkrijgen.
 

posted on Friday, March 11, 2011 4:31 PM  
December 8th, 2012
Onttovering of bezwering?
 
-Werpen met kometen
De wetenschap zou de wereld ‘onttoverd’ hebben. Waardoor ieder die zich op de wetenschap oriënteert in een saaie grijze wereld leeft. Zonder geheim, zonder poëzie. Dat was vroeger wel anders! Zo waren er in de middeleeuwen nog heksen en tovenaars die mensen beter konden maken, of ziek, die bladeren  konden veranderen in geld en die de toekomst konden lezen uit een glazen bol. Ook de Schepper blies zijn partijtje mee, als hij kometen lanceerde om tot het kwaad geneigde aardbewoners te waarschuwen, om belangrijke gebeurtenissen aan te kondigen of om de loop der planeten bij te stellen.
    Kometen om aardbewoners te waarschuwen, belangrijke gebeurtenissen aan te kondigen of de loop de planeten bij te sturen.    

Maar met de ontwikkeling van het wetenschappelijke denken werd de natuur meer en meer begrepen als een serie van mechanismen die konden worden beschreven in wiskundige formules. De geheimen en de poëzie verdwenen, en alles zou voorspelbaar worden.
 
-Meten en wegen
De filosoof en wiskundige Descartes speelde hierin een belangrijke rol. Hij had zich, methodisch twijfelend, afgevraagd wat er van onze ervaring nu echt betrouwbaar was. Want konden onze zintuigen ons niet altijd bedriegen! Wat waren een kleur, een geur of een geluid... bestonden die wel echt? Of waren dat effecten die door onze zintuigen zélf werden geproduceerd? Hij kwam tot de conclusie dat alleen de indrukken van substantie en uitgebreidheid van de werkelijkheid buiten ons afkomstig waren. Dus dat alleen dat wat je kon meten en wegen vertegenwoordigde de werkelijkheid. Alle ervaringen die daarbuiten vielen waren niet meer dan effecten van de zintuigen, illusies, waar je je niet door moest laten misleiden.
 
-Onttovering
Deze gedachte leeft nog steeds voort in de wetenschap. En dan vooral in natuurwetenschappen. Kwantificeerbaarheid staat hier nog steeds voor objectiviteit en zo beperkt men zich tot kilogrammen, meters, seconden, ampères, temperatuurgraden en candela’s, want deze zogenoemde grondeenheden zijn kwantificeerbaar. Massa, lengte, tijd, electrische stroom, temperatuur en lichtsterkte kunnen alle in getallen worden uitgedrukt.
En als we getallen beschikken dan kunnen we deze invoeren in wiskundige formules om zo de causale samenhang tussen de verschillende eenheden te beschrijven. En daarmee te voorspellen. Het idee is dat we op den duur alle mechanismen die in de natuur voorkomen, wiskundig kunnen beschrijven, waarmee we ook alles kunnen voorspellen. En dan zullen we merken dat er geen ruimte meer overblijft voor heksen, tovenaars of andere bovennatuurlijke krachten die de door de natuur gegeven causaliteit zouden kunnen doorkruisen. En daarmee is de wereld is onttoverd. En dat kun je betreuren, zoals Albrecht Dürer, die vond dat de nadruk op wiskunde tot melancholie leidde.   

   
   Albrecht Dürer: te veel aandacht voor wiskunde kan leiden tot melancholie  

-Tegenwerpingen
Nu kun je je kwaad maken over de onttovering omdat de wereld hierdoor pijnlijk saai wordt. Hoho, roept een koor van wetenschappers dan, wetenschap is een avontuur en juist in de wetenschap kun je zien hoe mooi de natuur in elkaar zit.
Jajaja, maar die voorspelbaarheid dan, zijn wetenschappers niet eigenlijk de boekhouders van het universum?
Hier zullen wetenschappers tegenwerpen dat het met de voorspelbaarheid bij nadere beschouwing ook wel weer meevalt. Er zitten nog vele gaten in het wetenschappelijk bedrijf: zo kan de wereld van de grote getallen worden beschreven met de relativiteitstheorie, maar op atomair niveau geldt dan weer de kwantenmechanica en deze beide beschouwingswijzen passen niet aan elkaar...  Het lukt ze dus niet, maar ondertussen streeft men in de wetenschap evengoed toch naar eenheid! Naar een theorie waarmee alles beschreven kan worden.  
Zoals de snarentheorie waarmee men op dit moment de bestaande natuurwetenschappelijke theorieën tot een eenheid probeert te brengen. Het uiteindelijke doel lijkt hier toch een soort sluitens kasboek te zijn.  
 
-Boekhouding
Tegenstanders van het wetenschappelijk bedrijf, die volhouden dat wetenschap in de grond van de zaak neerkomt op een geestdodende boekhouding, roepen smalend dat het met die eenheidstheorie toch nooit zal lukken. En daarbij beroepen ze zich niet zelden op kennis van bovennatuurlijke verschijnselen die stamt van voor de tijd dat Donar nog zelf voor de donder en de bliksem zorgde. Kennis die al sinds eeuwen door wetenschappers wordt afgedaan als illusoir. Maar ligt hier de kern van het probleem? Zouden we ons massaal moeten toeleggen op oude toverkunsten om aan het dodende oog van de wetenschap te ontkomen, om de onttovering een halt toe te roepen?       


Laten we nog eens naar de boekhouding kijken. Toegegeven, de getallen en de formules lijken voorbestemd om ons te onttoveren. Maar de grondeenheden, de meters, seconden, kilogrammen, ampères, temperatuurgraden en candela’s, dat wil zeggen afstanden, tijd, massa, stroom, temperatuur en licht, zijn die ook allemaal onttoverend? Deze kwaliteiten die we in de wereld kunnen ontdekken zijn kwantificeerbaar, maar moeten we daaruit concluderen dat ze niet bijzonder zijn?      
 
-Bezwering
Het feit dat kwaliteiten in wiskundige vergelijkingen zijn onder te brengen die hun werking voorspelbaar maken, betekent nog niet dat deze kwaliteiten zelf geestdodend zijn. Of moeten leiden tot melancholie.       
Als we de ruimtelijkheid van de wereld, ontwikkelingen in de tijd, de weerstand van een massa, de prikkeling van een elektrische stroom, de warmte, de kou, en het verschijnsel licht, op ons in laten werken, dan kunnen we toch zeggen dat we in een geheimzinnige en betoverende wereld leven. Wat is een meter, behalve 100 centimeter, wat is een uur, behalve 60 minuten, wat is een kilogram, behalve 1000 gram, wat is een ampere, behalve 1000 miliampère, wat is kou, behalve minus 250 Kelvin, wat is 1 candela, behalve dat we kunnen zeggen dat 100 candela net zoveel is als het licht van een grote gloeilamp... Als we kijken naar de kwaliteiten waar de grondeenheden naar verwijzen, wat zien we dan, als we afzien van kwantificering? Blijkt dan niet dat we in een wereld leven die alle bovennatuurlijk getover overbodig maakt!
Nu is de wereld van kwaliteiten waar we ons in geplaatst zien door haar onverklaarbaarheid misschien niet alleen betoverend, maar ook verontrustend, zo verontrustend dat de boekhouders van de wetenschap eenzijdig de nadruk hebben gelegd op de causaliteit die zij erin konden ontdekken. Waarbij zij de formules van de wetenschap hebben gebruikt als toverformules om de verontrustende contingentie van de ons omringende wereld op magische wijze te bezweren. Daardoor lijken zij misschien wel meer op hun magische opponenten dan zij zelf denken.

-Objectief
Wat sommigen zien als de zon over een besneeuwd landschap schijnt, of wat zij ervaren als ze bij stormachtig weer langs de zee wandelen, of als hun vliegtuig boven de wolken uitstijgt, dat geldt ook als het motregent of als de zon de hele wereld in stof en zweet verandert... de wereld is betoverend in die zin dat haar hele palet van kwaliteiten onverklaarbaar is.
Waarom zouden wetenschappers deze betovering willen bezweren? Als zij werkelijk objectief zijn, kunnen zij de wereld toch ook in haar betoverende waarde laten?            

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

posted on Friday, January 04, 2008 4:35 PM
 
December 8th, 2012
Spiritualiteit

mag geen naam hebben

 
 
Leefregelreligies
Zingeving en ethiek berusten bij officiële religies op het hoogst denkbare gezag, op het gezag van de Schepper van hemel en aarde. Maar helaas is het bestaan van een dergelijke Schepper een omstreden zaak. En bovendien, hoe hoog het ook is, gezag is niet genoeg. Of we instemmen met de op ons neergedaalde zingeving en ethiek hangt uiteindelijk van onszelf af. Religies kunnen, ondanks het beroep dat zij doen op het hoogste denkbare gezag, toch niet overal mee aankomen. Ook niet als zij de leefregels waarin de ethiek en zingeving zijn geconcretiseerd, voorzien van een beloning (de hemel) of van een sanctie (de hel). Uiteindelijk bepalen we zelf wat zin heeft, wat goed en kwaad is, en in welke leefregels we dat willen vatten. In de geschiedenis zijn er hierdoor regelmatig nieuwe aanpassingen, varianten en afsplitsingen van religies ontstaan die beter pasten bij wat mensen zelf dachten dat goed was. 
 
Op eigen benen
Er zijn ook altijd mensen geweest die besloten hebben de hele op gezag en leefregels gebaseerde religieuze benadering te verlaten. Eenmaal op eigen benen wordt het echter pijnlijk duidelijk dat je eigenlijk niet weet hoe je dat doet. Hoe besluiten we over wat zin heeft, en over wat goed en kwaad is? En waar kun je terecht met deze vraag.
 
Wetenschap
Sinds de Renaissance speelt de wetenschap een belangrijke rol als manier om de wereld te benaderen. Maar als we hier te rade gaan, dan horen we eerder iets over waardevrijheid dan over zingeving en ethiek. Op dit punt is de wetenschappelijke benadering van de wereld kaal en leeg.
 
Filosofie
Sinds de renaissance hebben ook filosofen zich beziggehouden met de vraag hoe de wereld in elkaar zit, en daarbij hebben zij zich wel met zingeving en ethiek beziggehouden. Maar filosofie is over het algemeen zware kost, alleen voor de liefhebber. Niettemnin wil ik het wagen om de lezer te vermoeien met een korte filosofische beschouwing.    
Als we naar religieuze benaderingen kijken dan zien we dat deze de wereld willen verklaren door een schepper ten tonele te voeren. Maar waar deze schepper vandaan komt, dat vermeldt de religieuze historie niet. En doorvragen op dit punt leidt kan in eerste instantie leiden tot een poging om de kritische vragenstellen in te lijven met een ‘God is zo groot, dat kunnen wij niet begrijpen' Wij? Doorvragen kan dan gemakkelijk tot irritatie leiden, en tot een autoiritair antwoord: 'Wie denk je wel dat je bent!'

Deze irritatie is vergefelijk, want met de gestelde (en voor de hand liggende) vraag wordt de basis van de religieuze benadering in één keer ter discussie gesteld. Maar het kleineren van de vragensteller is misschien niet zo vergefelijk. Hier wordt weer duidelijk hoe de religieuze benadering op gezag is gebaseerd. We moeten onze plaats kennen, we hebben hier te maken met een groot gezag, waar wij maar heel klein bij zijn. Maar als we van de schrik bekomen zijn kunnen we ons niettemin afvragen of de religieuze benadering nu eigenlijk wel werkt. Wordt de wereld begrijpelijk door deze te verklaren door middel van iets dat evenhard om een verklaring vraagt?        
Kijken we naar de wetenschappelijke benadering van de wereld, dan zien we ook hier een poging de wereld begrijpelijk te maken, maar het vreemde is dat er hier op het punt van zingeving en ethiek geen uitspraken zijn gedaan. De wetenschap heeft toch ook de menselijke ervaring onderzocht?
Zo is uitgebreid onderzocht welke stroompjes er lopen en welke stoffen er worden geproduceerd in onze hersenen bij verschillende ervaringen. Als we kaas eten of met een slee van de berg roetsjen. Maar is onze ervaring daarmee begrijpelijk geworden? Aan de stroompjes en de chemische omzettingen kun je niet zien dat het om de ervaring van kaas gaat of om de ervaring van snelheid.

 
Hoe in de wetenschap de werking van de hersenen wordt ervaren.  
 
Hier zijn we op een wezenlijk punt beland. De ervaring wordt in de wetenschap niet verklaard. Er worden wel verbanden gelegd tussen verschillende manieren om te ervaren, tussen de ervaring een proefpersoon die kaas eet en de ervaring van een wetenschapper die stroompjes meet en chemische omzettingen signaleert. Dit aanzien voor een verklaring dan zou er op neerkomen dat de ervaring werd verklaard uit ... de ervaring. Een cirkelredenering! Dat een verklaring in de wetenschap niet mogelijk is, komt dus niet voort uit domheid of nalatigheid, het gaat hier om een onmogelijke opgave! Er is niets dat de ervaring kan verklaren.        
Hoe we de wereld ervaren, is gebaseerd op iets onverklaarbaars, en daarmee is ons leven fundamenteel iets geheimzinnigs. Als we ons dit realiseren kunnen we misschien beginnen ons een oordeel vormen over zingeving en ethiek. In plaats van dat we ons, kleingemaakt, overgeven aan religieuze leefregels. In het vertrouwen dat het dan wel goed komt. Een vertrouwen dat bij sommige gelovigen zo ver gaat dat ze hun kinderen niet laten inenten.    
In de twintigste eeuw is de onverklaarbaarheid van de ervaring gethematiseerd in de filosofie van het het existentialisme. Maar het existentialisme heeft hier niet het alleenrecht op. Al in oude oosterse levensbeschouwingen kwam naar voren dat doorvragen naar de oorsprong van de ervaring geen zin heeft. Het is de vraag of deze levensbeschouwingen toegankelijker zijn dan de westerse filosofie van het existentilisme, maar in elk geval zijn er heel wat mensen geweest die hier op onderzoek zijn uitgegaan.  
 
Boeddhisme, Taoisme en Zen
In het Boeddhisme wordt aangeraden de ‘ketenen van oorzaak en gevolg’ te verbreken. Denk niet dat alles verklaarbaar is, doorbreek de ketenen van de causaliteit.
In het Taoïsme wordt je aangeraden om de Tao te volgen, ‘de weg’, maar wie daar nadere uitleg over vraagt krijgt te horen dat de Tao niet kan worden uitgelegd, dat de ware Tao ‘onzegbaar’ is.
Bij Zen worstelen monniken jarenlang met koans, logisch onoplosbare raadsels, tot op het punt dat zij er aan toe zijn om het zoeken naar causale verklaringen achter zich te laten en ‘verlicht’ worden.
                 De causaliteit voorbij.                                                               Pop van Anne Mannaerts  

De benadering verschilt, maar elke keer gaat het om een levenshouding waarin het onverklaarbare de hoofdrol speelt. Heel inspirerend voor degenen die op zoek zijn naar een zingeving en ethiek die gebaseerd is op de eigen ervaring en die daar in de religie en in de wetenschap geen aanknopingspunten voor vonden.     
 
New Age en spiritualiteit 
Veel westerlingen hebben zich in de loop van de tijd al bezig gehouden met oosterse denkwijzen
en zij hebben daar hun conclusies uit getrokken op het gebied van zingeving en ethiek. Deze hebben een plaats gevonden in de zogenaamde New Age beweging. En om aan te duiden dat er bij de ervaring sprake is van iets geheimzinnigs, dat het om iets anders gaat dan om de causaliteit en om de verklaarbare werking van de zintuigen, dat er sprake is van iets dat ongrijpbaar is en niet materieel, spreekt men hier van ‘spiritualiteit’. Maar heeft men hiermee ook de essentie weten te bewaren? Misschien niet altijd.  
 
Alles is mooi
Als je, met de Boeddhisten, de keten van oorzaak en gevolg kunt doorbreken, als je beseft dat essentiële levensvragen niet in de sfeer van de causaliteit zijn te beantwoorden, dan kun je vrede vinden, dan kun je het lijden achter je laten. Maar deze gedachte komt in New Age niet altijd even goed tot z’n recht. Spiritualiteit en vrede hebben iets met elkaar te maken. Besef van de onverklaarbaarheid van de ervaring maakt dat je vrede kunt hebben met het bestaan zonder gestoord te worden door de verkeerde, door causaliteit getekende vragen, door de verkeerde antwoorden en door even verkeerde wensen die daaruit voortvloeien.
   De wereld is mooi.  

Maar soms lijkt men in de New Age beweging de conclusie te hebben getrokken dat spiritualiteit betekent dat je overal vrede mee kunt hebben, dat de wereld in alle opzichten mooi is. Bij alle honger, ziekte en onrechtvaardigheid in de wereld blijven zij glimlachen, spiritueel als ze zijn.             
 
De natuur
Dat de ervaring zich onttrekt aan de causaliteit, wordt ook tot uitdrukking gebracht als Taoïsten wijzen op het ‘onzegbare’ karakter van de weg. Op het feit dat een wijze levenswandel niet in woorden te  beschrijven is, niet in een handleiding is onder te brengen. In westerse termen kunnen we zeggen dat ervaringen spontaan zijn, en als je je ervaringen serieus wilt nemen, dan moet je je spontaniteit de kans geven. En dan kun je je levenswandel niet vantevoren in een schema vastleggen. Als je inziet dat spontaniteit van wezenlijk belang is voor je ervaring, voor de manier waarop je in de wereld staat, dan kun je je leven niet inpassen in kunstmatige strukturen. Dat zou onnatuurlijk zijn. In de sfeer van New Age zie je deze gedachte ook wel vertaald in de
aanbeveling dat we de natuur moeten volgen. Spiritualiteit betekent dan: begrijpen dat we leven onder het gezag van de Natuur.   
     Leven onder het gezag van de Natuur die het goed met ons voorheeft.                                Copyright foto: Todd Gustavson  

Wat betekent dat de Natuur de leefregels uitdeelt. En vertrouwen dat de Natuur het goed met ons voorheeft en dat het wel goed komt als we ons daaraan overgeven. Maar een vertrouwen in gezag en leefregels, hadden we dat niet al achter ons gelaten?                
 
Gevoeligheid
Een Zen monnik probeert zijn geest leeg te maken. Door de geest vrij te maken van opgelegde causale denkschema’s scherpt hij zijn intuïtie en wordt hij gevoelig voor de meest subtiele ervaringen die kunnen ontspruiten aan de geheimzinnige bron van onze ervaring.
In de westerse wereld van de New Age staat gevoeligheid dan ook hoog aangeschreven. Gevoeligheid voor ervaringen die vallen buiten het bereik van door de westerse cultuur opgelegde beperkingen. Gevoeligheid voor telepatie, aura’s, chakra’s, aardstralen, reinigende geuren of helende klanken. Of voor de ‘energie’ die uit de natuur of de kosmos op ons afkomt om ons te vertellen wat goed en wat slecht voor ons is. Nu kun we ons afvragen wat het waarheidsgehalte is van al deze buitengewone ervaringen, en wat daarmee de waarde is van de buitengewone verrichtingen die in het verlengde daarvan liggen, maar als we erkennen dat onze ervaringen op onverklaarbare wijze ontstaan, dan is het moeilijk onderscheid te maken. Gaat het om pretentieuze verzinsels of ontbreekt het je aan de vereiste gevoeligheid?
De wereld van de New Age is heel gevarieerd en wie zal zeggen hoe deze zich zal ontwikkelen en wat waardevol zal blijken te zijn. Maar ook zonder de juiste gevoeligheid voor bovengenoemde buitengewone ervaringen, kun je hier toch een bepaald soort nattigheid voelen. Namelijk daar waar de gevoeligheid voor buitengewone ervaringswijzen wordt vereenzelvigd met spiritualiteit. Een misverstand dat velen ertoe heeft geinspireerd om anderen te vermoeien met de eigen, verheven gevoeligheid.   
     Spiritueel dankzij de nachtkijker.  

Maar wat is er zo spiritueel aan een buitengewone gevoeligheid? Ben ik met een nachtkijker ook spiritueel, omdat ik dan in het donker kan kijken, daar waar gewone stervelingen niets kunnen zien?
 
Zoeken zonder naam
Bij het zoeken naar zingeving en ethiek op basis van de eigen ervaring zijn we gestuit op de onverklaarbaarheid van deze ervaring. Het besef hiervan zouden we spiritualiteit kunnen noemen. Maar willen we nog wel varen onder deze vlag als deze ook gebruikt wordt, om onrechtvaardigheid en armoede onder te brengen bij de schoonheid van de wereld en om leefregels te ontlenen aan het Gezag van de Natuur.
Zo blijft alles hetzelfde: de armoede, de onrechtvaardigheid en de volgzaamheid op het gebied van leefregels. Alles blijft hetzelfde, of misschien gaan we er zelfs wel op achteruit, omdat de zoektocht naar zingeving en ethiek tot stilstand komt, waar spiritualiteit wordt verward met gevoeligheid. Wat is er gebeurd met het zoeken naar de betekenis die de geheimzinnige bron van onze ervaring zou kunnen hebben voor zingeving en ethiek, sinds we zijn gaan spreken over ‘spiritualiteit’? Is het misschien tijd voor een andere term, nu deze zich zo makkelijk laat verbinden met misplaatste schoonheidservaring, met gezagsgetrouw volgen van leefregels en met stilstand? Of zijn we beter toegerust voor onze zoektocht naar zingeving en ethiek, als we wél praten over het onuitlegbare en onzegbare, maar er géén naam aan geven? Wat een retorische vraag!    
 
Flip Krabbendam
 
posted on Thursday, October 11, 2007 9:18 PM

 


 
December 8th, 2012
Geloof, ongeloof, filosoof

Wat komt er na de confrontatie tussen religie en wetenschap

 

Dat voel ik
Gelovigen hebben wel eens de neiging te doen alsof er nog nooit over religie is gediscussieeerd. Net als wanneer je tegen de bakker zegt dat z'n koekjes oudbakken waren, dat-ie dan antwoordt: 'Wat gek, daar hebben we nooit klachten over gehad'.   
Misschien willen zij ook geen discussie. Er is sprake van een bepaald soort weten, dat zich niet voor discussie lijkt te lenen. Als je naar de basis van dat weten vraagt dan is het antwoord 'Dat voel ik'.         
Maar kennis, gebaseerd op 'Dat voel ik' .... zou je een gelovige ervan kunnen overtuigen dat een bungy jump veilig is omdat de zwaarte en de lengte van de elastieken op het gevoel zijn bepaald? 
 
Hypothese nodig?
Wat een gelovige voelt zou je kunnen formuleren als een hypothese. Deze luidt dan: ‘Het universum is geschapen door een intelligentie die we traditioneel 'God' noemen’. Is dit nu een hypothese is waar we vertrouwen in kunnen hebben? 
De eerste vraag die we hier kunnen stellen is: hebben we zo'n hypothese wel nodig? Zou het universum er anders niet zijn? Zou er anders niets zijn? En hoe zou dat er dan uitzien, is dat wel denkbaar of bestaanbaar, geen universum? Als we het aannemelijk vinden dat 'geen universum' ondenkbaar is, dan hebben we de hypothese niet nodig. 
Maar als we aannemen dat er inderdaad niets was, ook geen leeg heelal, en we zien ons nu geconfronteerd met een heel universum, compleet met sterren, supernova’s, rode dwergen, witte dwergen, zwarte gaten,  zwarte materie en planeten waarvan er minstens één bewoond is door levende wezens, dan moet iets gebeurd zijn! Dan kunnen we een beroep doen op de hypothese: er is een God, of een ‘Intelligente Designer’ die op een welgekozen moment het universum heeft geschapen.

En aannemelijk?
Dankzij deze hypothese hebben we een verklaring voor het feit dat er eerst niets was en nu een heel heelal. Is dit nu aannemelijker dan de gedachte dat het heelal er altijd al geweest is?
Als we dit laatste aannemelijk vinden, dan hebben we geen probleem. Als we het aannemelijk vinden dat het heelal op een bepaald moment ontstaan is, dan hebben we de hypothese nodig, maar is ons probleem dan opgelost? 
Misschien niet: immers, de hypothese die verklaart waarom het heelal bestaat is in strijd is met de aanname die deze verklaring nodig maakte, namelijk de aanname dat er helemaal niets was! Want deze Intelligente Actor moet er dan toch al geweest zijn. Dat kun je niet afdoen als een detail. Je kunt niet zeggen 'Nou ja vooruit, er was wel iets, maar dat had eigenlijk niets te betekenen'. De eigenschappen van deze Actor zijn immers niet mis te verstaan: voor het scheppen van het ongelofelijk gecompliceerde universum zoals we dat kennen, was niet alleen een onschatbaar diep denkvermogen nodig, het was ook een immens werk. Onvoorstelbaar gecompliceerd, onvoorstelbaar gedetailleerd en tevens onvoorstelbaar groot. We moeten wel aannemen dat dit intelligente en onvermoeibare Wezen al bestond voordat er verder nog maar iets was. Maar hoe kan dat? Dit vraagt om een nieuwe hypothese die het bestaan van dit superieure Wezen verklaart...  Als je op deze manier naar een oorzaak zoekt, dan heb je het over een nieuwe hypothese nodig,  die weer om een nieuwe hypothese vraagt, en zo verder, Zo wordt de oplossing van het probleem tot in het oneindige weg geschoven. Misschien is dan de aanname dat het heelal er altijd al was toch minder problematisch en aannemelijker...      
 
En toetsbaar?
Laten we de complicaties die de hypothese met zich meebrengt even terzijde schuiven en proberen deze te toetsen. Maar hoe? Als iemand beweert dat het buiten regent dan is dat een uitspraak die je kunt verifieren door eens naar buiten te kijken. En als het dan inderdaad regent kun je zeggen: u heeft gelijk, ik kan uw uitspraak bevestigen. Maar zo gemakkelijk is het niet altijd. De hypothese dat er atomen bestaan kun je niet zomaar bevestigen. Atomen zijn nu eenmaal niet direct waar te nemen. Toch kun je er veel over zeggen, namelijk door de eigenschappen ervan af te leiden uit andere verschijnselen. Omdat we bij het toetsen van de hypothese over het bestaan van een Intelligent Wezen evenmin kunnen beschikken over directe waarnemingen, zullen we ook hier moeten werken met indirecte waarnemingen.      
Gelovigen gaan hier soms heel ver in. Uit het bestaan van het universum leiden zij niet alleen af dat God bestaat, uit hun waarnemingen leiden zij ook af wat Hij met ons voor heeft. Zo kon paus Benedictus XIV ons op 21 april 2007 vertellen dat God het voorgeborchte voor onbepaalde tijd gesloten had. Kinderen die door een vroegtijdige dood (bijvoorbeeld bij de geboorte) nog niet waren gedoopt, konden nu toch tot de hemel worden toegelaten. 
In de loop van de geschiedenis is wel gebleken dat onze waarnemingen vele interpretaties mogelijk maken. Net als bij een Rohrschach test, die laat zien dat iedereen iets anders kan zien in een willekeurige inktvlek. Waar het hart van vol is, dat wordt in de inktvlek gelegd. Je wist het al, je voelde het al. 
Misschien kun je zelfs zeggen dat de interpretaties van gelovigen op complot-theorien lijken. Waarbij zij vermoeden dat achter de schermen bepaalde krachten aan het werk zijn die ernaar streven om... vul maar in, er hebben in de loop van de geschiedenis al vele goden in vele complotten gezeten. Soms hadden ze het goed met ons voor, maar vaak ook moest je voor ze oppassen. Tot de gelovigen ze afdankten of moesten afdanken onder druk van andere, overtuigende of gewelddadige, gelovigen die andere goden en een ander complot meenden te bespeuren.
De hypothese leidt tot een oneindige herhaling die het antwoord op de vraag hoe alles kon ontstaan tot in het oneindige weg schuift en pogingen om deze te toetsen blijven speculatief en leiden tot tegenstrijdige conclusies. Dat laat de geschiedenis toch duidelijk zien. Hoe is het dan mogelijk dat gelovigen hier zo druk, en soms fanatiek, mee in de weer zijn geweest, eeuwen lang?
 

 
Ethiek
Misschien nemen we het hele verhaal te serieus. Het gaat niet om een serieuze hypothese, en ook niet om een serieuze poging deze te toetsen. Het gaat bij religies om ethiek en zingeving.  
Op het punt van de ethiek is het een poging om stelen, moorden, verkrachten en ander verwerpelijk menselijk gedrag te kunnen veroordelen met Gezag. Maar daardoor kunnen gelovigen doodsbang zijn voor mensen die niet geloven. Die zijn immers van God los, daar kun je alles van verwachten. (Behalve misschien kruistochten, heksenverbrandigen, de inquisitie, godsdienstoorlogen, donderpreken of een glimlachende pater aan de deur, homohaat, bomaanslagen en landjepik, al die dingen die je in de bijsluiter, dwz in de kronieken van de geschiedenis en in de krant kunt lezen).
De ethiek van het geloof krijgt alleen een kans als mensen ervoor kiezen om deze toe te passen. Het zijn de gelovigen die de richtlijnen van hogerhand van toepassing moeten verklaren. Dat verklaart de bijwerkingen die in de bijsluiter vermeld staan, maar dat maakt niet dat gelovigen zich daar per definitie schuldig aan maken. Toch is hier een moeilijkheid te maken: is een beroep op het Gezag niet erger dan de kwaal, de mogelijkheid van wangedrag. Want mensen die zich richten naar dit Gezag, verwarren misschien verantwoordelijkheid met gehoorzaamheid. Wat voor ethisch bewustzijn kun je daarvan verwachten?
 
Zingeving
Dan is er nog de zingeving. Religie voorziet mensen niet alleen van een ethische geschoolde en respectabele Vaderfiguur, maar ook van een zin in het leven. Stel dat iemand die niet weet wat hij met z'n leven aanmoet, bij je aanklopt. Hij ziet het niet meer zitten en vraagt je 'Wat moet ik doen'. Eerste reaktie: 'Je moet helemaal niks'. Maar dat helpt niet. Goed, je geeft de persoon een zetje. 'Waarom ga je geen vrijwilligerswerk doen, er zijn heel wat mensen die wel wat hulp kunnen gebruiken'. Ook dit valt verkeerd, want iemand die 'het' niet ziet zitten, is hier ook niet voor in. 'Waarom zou ik, en trouwens, wat heb ik een ander te bieden?' Iets van deze strekking.
Nu valt zo'n kwetsbare persoon in de handen van een religieuze groepering. Bij het volgende bezoek hoor je dat hij weer een doel in het leven heeft. De zin van het leven is de Schepper lief te hebben en tevens al zijn schepselen. Deze persoon heeft zich nu via de religie in het charitatieve werk gestort. Opeens is het bijstaan van andere mensen wél de moeite waard. En de tegenwerping 'Waarom zou ik, het heeft toch immers allemaal geen zin' is irrelevant geworden. Want nu heeft Hij het gezegd. Ik vrees dat het Gezag hier weer doorslaggevend is. Met de almachtige Schepper ga je toch niet in discussie! Als de Intelligentie die achter de plannen van het universum zit het zegt, dan is het toch goed!
 
Een onaannemelijke aanname, een onhoudbare hypothese, een Rorschach-bewijs, gehoorzaamheid in plaats van verantwoordelijkheid, zingeving door Gezag. Hoe kan zoiets zo lang voortduren? Het bestaat al zo lang, dan moet er toch iets goeds in zitten? Hoewel, oorlog, martelingen, moord, verkrachting, oplichting en verraad bestaan ook al heel lang, zit daar ook iets goeds in?
Nou vooruit, deze retorische vraag neemt de echte vraag niet weg: hoe kunnen mensen hier zo aan vasthouden? Waar zijn zij naar op zoek?
   
Ontoereikende wetenschap
De wetenschappelijke benadering, die na de middeleeuwen de overhand kreeg op het geloof, laat iets heel belangrijks buiten beschouwing. De wetenschap zoals we die kennen, is terug te voeren op Descartes, een filosoof uit de zeventiende eeuw die het begrip ‘waarheid’ koppelde aan 'substantie en uitgebreidheid'. Anders gezegd: de wereld die we dagelijks ervaren is alleen ‘waar’ voorzover deze is uit te drukken in catagorieën van kwantiteit. Kilogrammen, meters en sekonden, dat soort eenheden. En als je gebeurtenissen kunt kwantificeren, kun je ze in wiskundige modellen vangen. Door deze denkwijze heeft de wetenschap zich op ongekende wijze kunnen ontwikkelen, maar in dit wereldbeeld is niets over ethiek of zingeving te vinden. De wetenschapo is op dit gebied ontoereikend en dat is geen probleem, zolang je maar niet denkt dat de wetenschappen 'alles' ter sprake kunnen brengen en over 'alles' een oordeel kunnen vellen. 
Naast ethiek en zingeving is er nog een belangrijk aspect van het leven waar de wetenschap niets over kan zeggen. In eerste instantie lijkt dit aspect misschien onbelangrijk, maar het speelt het een cruciale rol: ik doel hier op hoe wij de wereld door ons bewustzijn ervaren. Hier ligt de sleutel tot een nieuwe benadering van ethiek en zingeving.   

Bewustzijn en de filosofie van de vrijheid
Kan de wetenschap werkelijk niets zeggen over de ervaring? Op een bepaalde manier wel. Als je een kleur of een geur ervaart, kan de wetenschap tegenwoordig heel nauwkeurig aangeven wat er allemaal voor stroompjes en chemische omzettingen aan te pas komen in onze zenuwbanen en synapsen. Maar, en nu komt het, daarmee is het bewustzijn niet echt begrepen! Het idee dat dat het bewustzijn te begrijpen zou zijn als een gecompliceerde samenwerking van stroompjes en chemische omzettingen zou zelfs heel onwetenschappelijk zijn. Want daarmee wordt het bewustzijn herleid tot zaken die dankzij ons bewustzijn bestaan: stroompjes en chemische omzettingen. Dit komt neer op een cirkelredenering, een tautologie. Als het gaat om begrip van het bewustzijn dan staat de wetenschap met lege handen…  
In wetenschappelijke verhandelingen wordt hier altijd een beetje overheen gepraat. Aan het eind van een relaas over stroompjes en chemische omzettingen wordt dan iets gezegd in de trant van: 'En dat ervaren we als groen, of als de geur van kaneel'. Maar hoe kun je van stroompjes zomaar overstappen op een kleur of een geur? Daar wordt verder nooit op ingegaan. Het bewustzijn blijft voor de wetenschap  onbegrijpelijk. Een constatering die ons van de wetenschap naar de filosofie brengt. 
Dat we ons van de wereld bewust zijn, of laten we het ruim nemen, van het hele universum, overkomt ons. Het is uit niets te verklaren. Uit 'niets'. Er is hier geen sprake van een substantie die we kunnen kwantificeren en daarom is het te begrijpen dat het het in de wetenschap niet voorkomt, maar dit 'niets' is essentieel voor het bestaan van alles wat we ervaren, van alles dat er voor ons is, inclusief de wetenschap! In de existentiefilosofie van de twintigste eeuw speelt dit begrip dan ook de hoofdrol.  

En de toetsing?
Hebben we nu met dit 'niets' niet toch een ontoetsbaar begrip ingevoerd, vergelijkbaar met het godsbegrip? Hebben we hier niet hetzelfde probleem?  
Als je wil zien of je het 'niets' kunt bevestigen, ga dan bij jezelf te rade. Kijk eens naar je arm of je been. Je zegt daarover, dat is 'mijn' arm of 'mijn' been. Je ziet dus het object, maar niet de eigenaar. Hetzelfde geldt voor je maag, je hoofd, je hersenen; waar je je aandacht ook op richt, je kunt de eigenaar niet waarnemen. Je kunt de eigenaar, de ervarende instantie, het 'niets', dus niet verifieren zoals je de uitspraak dat 'het regent' kunt verifieren. Maar intussen weet je wel dat je als eigenaar onmiskenbaar aanwezig bent, hoe zou je anders van 'mijn' armen, benen of andere lichaamsdelen kunnen spreken. Je kunt jezelf dus niet direct waarnemen, als 'iets', als een object, maar je bent onmiskenbaar aanwezig, namelijk als noodzakelijke voorwaarde voor de waarneming. Je bent er wel, maar je kunt jezelf niet zien. Maar wat zouden we ook meer kunnen verwachten als we op zoek zijn naar 'niets'.                 

Ethiek en zingeving in een nieuw licht
Je kunt nu zeggen dat we de wereld (van onszelf) onderscheiden voor zover we niet met de wereld samenvallen, voorzover we de wereld 'niet' zijn. Om dit tot uitdrukking te brengen wordt in de existentiefilosofie ook de term 'vrijheid' gebruikt. De mens valt als 'vrijheid' niet samen met de wereld. Voor alle duidelijkheid, bij dit begrip ‘vrijheid’ gaat het niet om een soort vakantie, maar om het feit dat we niet samenvallen met de wereld om ons heen, dat we niet opgaan in een systeem dat wordt geregeerd door vaste natuurwetten. Dit heeft niet alleen een beschouwelijke, maar ook een praktische betekenis: het feit dat we niet samenvallen met de wereld, houdt in dat we iets in de wereld kunnen uitrichten. We ervaren feitelijkheden, maar we zien daarin ook mogelijkheden, en omdat we vrij zijn kunnen we kiezen welke we willen verwezenlijken. 
Het besef dat wij, áls vrijheid en ín vrijheid, kunnen bepalen wat we doen, kan als basis dienen voor een ethiek. Want het gaat niet alleen om de eigen vrijheid, maar om vrijheid in algemene zin, dus ook om de vrijheid van anderen. Hoe kun je daar goed mee omgaan? 
Het besef van vrijheid raakt ook aan zingeving. Want wat is je keuze, wat heeft volgens jou zin om te doen? Waarmee wil je je engageren, in de wonderlijke situatie waar je je in bevindt?
Door het begrip ‘vrijheid’ kunnen ethiek en zingeving dus in een nieuw licht worden gesteld. Het gaat nu eerder om het maken van keuzen en om engagement, dan om Gezag en Gehoorzaamheid.
 
De actualiteit
Een onverklaarbaar bewustzijn dat uit 'niets' ontstaat, een ethiek om ieders 'vrijheid' te beschermen en de mogelijkheid om, handelend, zin en betekenis aan je leven te geven. In de filosofie kan het dus ook gaan over een soort schepping uit het niets, en ook over ethiek en zingeving…
Maar er is een duidelijk verschil: in religies is de verontrustende, maar misschien ook inspirerende onverklaarbaarheid van de bewuste ervaring gewoonlijk omgevormd tot een kwasi begrijpelijke schepping, waarin er 'gewoon' een Schepper aan het werk is geweest, iets dat bij doorvragen geen stand houdt. Daarbij wordt je de mogelijkheid om een 'eigen' ethiek en zingeving te ontwikkelen ontnomen en vervangen door gehoorzaamheid aan voorschriften.              
Er zijn gelovigen die dat graag doen, in de veronderstelling dat deze voorschriften eeuwigheidswaarde bezitten omdat zij deel uitmaken van teksten die al eeuwen meegaan. Vaak zullen ze hierbij opmerken dat deze voorschriften, hoewel oud, nog steeds verrassend actueel zijn. Hiermee benadrukken zij de eeuwigheidswaarde, maar dat niet alleen. Tegelijkertijd geven zij aan, en misschien is dat ongewild, dat zij de actualiteit van belang vinden. Maar als dat zo is, waarom besteden zij dan niet meer aandacht aan meer actuele teksten? Aan beschouwingen over de betekenis van het 'niets'. Die een nieuw licht werpen op hun oude stellingen. Wie weet wat voor moois daar uit voort kan komen. Stel dat zij hun traditionele opvatting over hun God in dit licht beschouwden. Als zij bijvoorbeeld het geheimzinnige, ongrijpbare 'niets' dat alles bewust maakt, dat alles 'schept', en dat de basis is voor ethiek en zingeving, als zij dat nu eens identificeerden met hun onhoudbare godsbegrip... Dan konden zij op een een klacht over oudbakken koekjes reageren met een: 'Dan treft u het, we hebben zojuist verse koekjes gebakken'.
 


posted on Saturday, January 06, 2007 9:37 PM  

Dit is een Herman Boots uit 2012